Rechtspraak 1989-12-29
ECLI:NL:GHARN:1989:AZ1392
V.I. 8/89 GERECHTSHOF TE ARNHEM Het gerechtshof te Arnhem, bijzondere kamer als bedoeld in artikel 73 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Het hof heeft te beslissen op de vordering van de procureur-generaal bij het gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 november 1989, ingekomen ter griffie van het hof op 13 december 1989. Deze vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling van [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], thans verblijvende in [verblijfplaats], verder te noemen de veroordeelde, achterwege zal blijven c.q. zal worden uitgesteld. Overwegingen: De vordering. 1. De vordering van de procureur-generaal bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 29 november 1989 is ingekomen ter griffie van het hof op 13 december 1989. De vordering behelst:- dat de vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde achterwege zal blijven c.q. zal worden uitgesteld en is gebaseerd op een tweetal gronden, te weten: 1. dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen (artikel 15a lid 1 onder c van het Wetboek van Strafrecht); 2. dat de veroordeelde op grond van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens voortzetting van zijn verpleging behoeft (artikel 15a lid 1 onder c van het Wetboek van Strafrecht). De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. 2. Voor zover de vordering is gebaseerd op het feit dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, is het hof van oordeel dat het door de procureur-generaal in zijn vordering opgesomde onaangepaste en strafbare gedrag dateert uit het jaar 1986, zodat niet gezegd kan worden dat de omstandigheid waarop de vordering is gebaseerd zich heeft voorgedaan na de aanvang van de termijn bedoeld in artikel 15a lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. In zoverre moet de procureur-generaal bij het gerechtshof te 's-Gravenhage derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. 3. Voor zover de vordering is gebaseerd op het feit dat de verpleging van de veroordeelde voortzetting behoeft, blijkt uit de bij de vordering overgelegde stukken dat bij de beslissing van de president van de rechtbank te 's-Gravenhage van 22 november 1989 op vordering van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage machtiging tot plaatsing van [veroordeelde] in een psychiatrische inrichting werd verleend als bedoeld in de Wet van 27 april 1884, Stb.96 (Krankzinnigenwet). Voorts blijkt uit bovengenoemde stukken dat [veroordeelde] op grond van de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in afwachting van zijn plaatsing in "De Grote Beek" te Eindhoven, zijnde een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, is geplaatst [verblijfplaats], en dat zijn verpleging, gelet op de ernst van zijn psychische stoornis, voortzetting behoeft. Die stoornis werd klaarblijkelijk zo ernstig geacht dat aan de directeur van het Jeugdhuis van Bewaring "De Sprang" te 's-Gravenhage, waar [veroordeelde] gedetineerd werd, door de Minister van Justitie machtiging werd verleend [veroordeelde] te doen verplegen in eerdergenoemde [verblijfplaats] op grond van artikel 47 Gevangenismaatregel. Het hof is van oordeel dat het bovenstaande een omstandigheid oplevert als bedoeld in artikel 15a lid 1 onder a Wetboek van Strafrecht, op grond waarvan vervroegde invrijheidstelling kan worden uitgesteld. Dat de feitelijke plaatsing van [veroordeelde] in "De Grote Beek" als gevolg van overbezetting nog niet kon worden geëffectueerd doet hieraan niet af. Nu deze omstandigheid zich heeft voorgedaan na de aanvang van de dertig-dagentermijn als bedoeld in artikel 15a lid 4 Wetboek van Strafrecht is de procureur-generaal ontvankelijk in zijn vordering. De beoordeling van de vordering. 4. Zoals hierboven reeds werd overwogen, is de veroordeelde op grond van de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in afwachting van plaatsing in een justitië