Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-13
ECLI:NL:GHARL:2026:895
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.362.776/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/243086 / HA RK 25-10 beschikking van 13 februari 2026 in de zaak van [verzoeker] die woont in [woonplaats1] verzoeker in het incident hierna: [verzoeker] advocaat: mr. P.J. Fousert te Groningen en [verweerster] die is gevestigd in Naples, Florida (Verenigde Staten van Amerika) verweerster in het incident hierna: [verweerster] advocaat: mr. N. Saidi te Rotterdam 1 Het verloop van het geding 1.1 Bij verzoekschrift van 14 februari 2025, ingekomen bij de rechtbank Den Haag op 26 februari 2025, heeft The United States District Court Middle District of Florida Fort Myers Division, de Verenigde Staten (hierna: de District Court) genoemde rechtbank verzocht op grond van het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken ’s-Gravenhage van 18 maart 1970 (hierna: het Haags Bewijsverdrag 1970) een getuigenverhoor te gelasten en [verzoeker] , met inachtneming van een aantal speciale vormen, als getuige te horen. Daarnaast is de rechtbank Den Haag verzocht te bepalen dat [verzoeker] de onder punt 11 van het verzoekschrift genoemde documenten moet verstrekken. 1.2 Bij beschikking van 18 maart 2025 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat het verzoek voldoet aan de bepalingen van het Haags Bewijsverdrag 1970, overwogen dat de rechtbank Noord-Nederland op grond van artikel 9 van het Haags Bewijsverdrag 1970 zal hebben te beslissen over de verzochte speciale vormen en tevens een beslissing zal dienen te geven op het verzoek tot overlegging van documenten door [verzoeker] . Met het oog daarop heeft genoemde rechtbank het verzoek ter verdere uitvoering overgedragen aan de rechtbank Noord-Nederland. Bij beschikking van 14 november 2025 (hierna: de beschikking) heeft de rechtbank Noord-Nederland, voor zover hier van belang en verkort weergegeven, het verhoor van [verzoeker] , met inachtneming van een aantal speciale vormen, bevolen en hem tevens opgedragen de onder 4.37 van de beschikking genoemde documenten over te leggen. 1.3 [verzoeker] verzoekt in dit hoger beroep om de beschikking te vernietigingen en i) de gevraagde speciale vormen bij het getuigenverhoor niet toe te staan, ii) te oordelen dat de gevraagde rogatoire commissie niet kan worden uitgevoerd vanwege een aan [verzoeker] toekomend verschoningsrecht, althans een op hem rustende geheimhoudingsplicht en iii) veroordeling in de kosten overeenkomstig artikel 14 en artikel 26 van het Haags Bewijsverdrag 1970. Verder heeft [verzoeker] , bij wijze van voorlopige voorziening, incidenteel verzocht om de tenuitvoerlegging van de beschikking te schorsen. 1.4 In een verweerschrift, ontvangen op 23 januari 2026 op de griffie van dit hof, heeft [verweerster] primair verzocht om [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en subsidiair het schorsingsverzoek af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten. 1.5 De rechtbank heeft de datum van het getuigenverhoor van [verzoeker] vastgesteld op 12 maart 2026. 1.6 Het hof zal in deze beschikking beslissen op het schorsingsverzoek. Het hof heeft partijen per e-mail nog gevraagd om aan te geven of uitvoering is gegeven aan de bestreden beschikking. Daarop is geantwoord dat dit niet het geval is. Voor zover partijen in hun antwoorden op die vraag nog op andere punten zijn ingegaan blijven die reacties bij de beoordeling buiten beschouwing. 2 De beoordeling Ontvankelijkheid van het beroep 2.1 [verweerster] heeft primair het verweer gevoerd dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de beschikking. 2.2 Het hof oordeelt dat [verzoeker] inderdaad niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen voor zover dit zich richt tegen het door de rechtbank gegeven bevel om [verzoeker] als getuige te doen horen met inachtneming van de in rov. 5.7 van de beschikking omschreven speciale vormen. Daartoe is het volgende redengeve Verschoningsrecht als getuige 2.6 [verzoeker] heeft in het kader van zijn schorsingsverzoek onder meer betoogd dat de rechtbank bij de beoordeling van en beslissing op het verzoek om hem als getuige te doen horen zijn beroep op een verschoningsrecht ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Daarover overweegt het hof als volgt. 2.7 Op het ingevolge de beschikking te houden getuigenverhoor zijn processueel de regels van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing. Die houden op het punt van de mogelijkheden van een getuige om zich te verschonen het volgende in. Ingeval een behoorlijk opgeroepen getuige zich op een verschoningsrecht wil beroepen, heeft als vast uitgangspunt te gelden dat deze op de voor het verhoor bepaalde dag ter zitting dient te verschijnen. Ter zitting zal de rechter dan ten overstaan van alle partijen (kunnen) beoordelen of de getuige een beroep op een verschoningsrecht toekomt (art. 177 lid 1 Rv). Als echter meteen duidelijk is dat gronden voor een beroep op een verschoningsrecht aanwezig zijn, kan het uit praktisch oogpunt de voorkeur verdienen dat de getuige deze tevoren schriftelijk aan de rechter die is belast met het afnemen van het getuigenverhoor en de betrokken partijen bekendmaakt om verspilling van tijd en kosten te voorkomen. Als de partij die de getuigen wenst te horen niet vindt dat die gronden aanwezig zijn, zal de getuige alsnog ter zitting moeten verschijnen. Dit lijdt slechts uitzondering indien de partij die volhardt bij de verschijning van de getuige daarbij geen enkel in rechte te respecteren belang heeft. 2.8 Het hiervoor geschetste toepasselijke processuele kader maakt duidelijk dat niet dit hof maar de rechter ten overstaan van wie het getuigenverhoor plaatsvindt, zal dienen te beoordelen of aan [verzoeker] als getuige een beroep op een verschoningsrecht toekomt. Dit is de door de rechtbank aangewezen rechter-commissaris. Het hof merkt nog op dat de rechter-commissaris die beslissing niet mag overlaten aan de Amerikaanse rechter die aan het verhoor mag deelnemen. De rechter-commissaris mag die rechter wel advies vragen over de inhoud van het Amerikaanse recht dat van toepassing is. Op grond van art. 11 van het Haags Bewijsverdrag 1970 kan bij een beroep op het verschoningsrecht de (verdere) uitvoering van de rogatoire commissie worden geweigerd. Door het beroep op het verschoningsrecht ontstaat een incident waarbij de getuige partij is geworden. Als daarin het beroep op het verschoningsrecht wordt afgewezen, geldt dat ten aanzien van de getuige als een einduitspraak waartegen de getuige een rechtsmiddel kan aanwenden. 2.9 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het door [verzoeker] gedane beroep op een hem toekomend verschoningsrecht als getuige niet kan dienen als grond voor schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking voor zover daarin het getuigenverhoor is bevolen. Aan een belangenafweging als hiervoor bedoeld wordt niet toegekomen. Verschoningsrecht ten aanzien van over te leggen documenten 2.10 [verzoeker] voert in het kader van zijn schorsingsverzoek verder aan dat hem een verschoningsrecht toekomt in relatie tot het in de beschikking gegeven bevel (dictum onder 5.9) tot overlegging van de daarin omschreven documenten en dat hij daarom een zwaarwegend belang heeft bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bepaalde onder 5.9 van de beschikking. Het hof merkt op dat voor de afgifte van stukken door derden naar Nederlands procesrecht de derde ook een beroep kan doen op een verschoningsrecht (artikel 195a in samenhang met artikel 194 lid 2 Rv). 2.11 Afgaande op de inhoud van de gedingstukken uit de eerste aanleg acht het hof het geenszins ondenkbaar of onmogelijk dat [verzoeker] ten aanzien van één of meerdere van de onder 5.9 van de beschikking genoemde documenten inderdaad een verschoningsrecht toekomt. Gelet daarop alsmede op hetgeen [verzoeker] ter zitting van 10 september 2025 bij de rechtbank heeft verklaard over zijn kwetsbar