Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-13
ECLI:NL:GHARL:2026:870
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001139-25 Uitspraakdatum: 13 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 4 maart 2025 met parketnummer 18-331182-23 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de politierechter. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 30 januari 2026 en wat op de zitting van de politierechter is besproken. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden inhoudende, kort gezegd, een meldplicht bij de reclassering en een verplichting om mee te werken aan het opstellen van diagnostiek; oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel voor zover inhoudende een contactverbod betreffende [benadeelde partij 1] en haar moeder voor de duur van 3 jaren, met dadelijke uitvoerbaarheid; - toewijzing van de vorderingen van [benadeelde partij 1] en haar moeder als benadeelde partijen zoals de politierechter dat heeft gedaan. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. P.R. Logemann, hebben aangevoerd. Ook heeft het hof acht geslagen op wat mevrouw S. Dusseldorp, namens [benadeelde partij 1] ( [benadeelde partij 1] ) en [benadeelde partij 2] (moeder van [benadeelde partij 1] ) als benadeelde partijen, naar voren heeft gebracht. Het vonnis De politierechter heeft verdachte veroordeeld ten aanzien van het ten laste gelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de politierechter de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in de vorm van een verbod om contact op te nemen met [benadeelde partij 1] en haar moeder voor de duur van 3 jaren. Deze maatregel heeft de politierechter dadelijk uitvoerbaar verklaard. De vordering van [benadeelde partij 1] als benadeelde partij heeft de politierechter geheel (€ 1.500,00) toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [benadeelde partij 1] ’s moeder als benadeelde partij heeft de politierechter gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van € 2.076,06, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de politierechter [benadeelde partij 1] ’s moeder als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het hof is van oordeel dat de politierechter grotendeels op juiste wijze en gronden heeft beslist. Het hof zal het vonnis dan ook bevestigen, behalve voor zover het de strafoplegging betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre zal het hof het vonnis vernietigen. Verder ziet het hof aanleiding om de overweging in het vonnis van de politierechter ten aanzien van de beslissing op de vorderingen van [benadeelde partij 1] en haar moeder als benadeelde partijen aan te vullen. Het hof zal het vonnis van de politierechter daarom, met uitzondering van de strafoplegging, bevestigen met aanvulling van gronden. Oplegging van straf en maatregel Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen. Uit het rapport blijkt dat de reclassering bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert, omdat de reclassering toezicht niet nodig vindt. Overige persoonlijke omstandigheden Het hof heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze op de zitting in hoger beroep zijn besproken. Verdachte heeft verklaard dat zij met de hulp van [stichting] sinds kort een eigen huurwoning heeft in [plaats] . Ook is zij kortgeleden bevallen van haar zoon. De vader van haar zoon is uit beeld waardoor zij de volledige zorg draagt. Verdachte heeft momenteel geen sociale contacten en moet rondkomen van een bijstandsuitkering. Verdachte heeft ook schulden waarvoor zij betalingsregelingen heeft getroffen. Zij is van plan om in de toekomst weer te gaan ondernemen en gaat daarover in gesprek met de gemeente. Verder geeft zij aan dat zij psychische klachten heeft die volgens haar te maken hebben met haar verleden. Zij wil graag dat een diagnose wordt gesteld en geeft aan hieraan mee te zullen werken. Ook staat zij open voor behandeling, eventueel door tussenkomst van de reclassering. Straf Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 100 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 50 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van 109 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis en in detentie in het buitenland in het kader van haar overlevering heeft doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Hierbij geldt dat het hof ervan uitgaat dat verdachte in totaal 19 dagen in detentie in [land] en in voorarrest in Nederland heeft vastgezeten. Dit zou betekenen dat er voor verdachte, na aftrek, geen onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf overblijft en zij niet terug hoeft naar de gevangenis. Dit is ook uitdrukkelijk de bedoeling van het hof. In tegenstelling tot het reclasseringsadvies ziet het hof in onderhavige zaak, gelet op de aanwijzingen voor aanwezigheid van psychische problemen bij verdachte, aanleiding om ten aanzien van de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf bijzondere voorwaarden te stellen in de vorm van, kort gezegd, een meldplicht bij de reclassering, een verplichting om mee te werken aan diagnostiek en een verplichting om zich (zo nodig) te laten behandelen. Deze bijzondere voorwaarden zal het hof dadelijk uitvoerbaar verklaren. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat verdachte nog steeds lijdt onder de gebeurtenissen die zich in haar verleden zouden hebben afgespeeld. Ook heeft verdachte verklaard dat zij nog steeds denkt dat er het een en ander op het gebied van misbruik bij [benadeelde partij 1] speelt. Die overtuiging in combinatie met de psychische problematiek van verdachte, maakt dat het hof van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Maatregel Naast bovengenoemde straf zal het hof ook de vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod met [benadeelde partij 1] en haar moeder voor de duur van 3 jaren opleggen. Het hof zal ook de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen van deze maatregel. Hiervoor heeft het hof in acht genomen de aanwijzingen van psychische problemen bij verdachte en het gegeven dat verdachte op de zitting van het hof heeft verklaard dat zij nog steeds denkt dat een en ander op het gebied van misbruik bij [benadeelde partij 1] speelt en daar onderzoek naar gedaan moet worden. Het hof is van oordeel dat gelet op die psychische problematiek en de hiervoor beschreven overtuiging er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens [benadeelde partij Haar moeder verkeerde daarom in een onzekere situatie waarin zij zich zorgen maakte over haar dochter en zelfs niet wist of zij nog in leven was. Ook toen duidelijk werd dat [benadeelde partij 1] in [land] was, was het voor [benadeelde partij 1] ’s moeder niet meteen mogelijk om [benadeelde partij 1] terug te halen uit [land] . [benadeelde partij 1] moest daar, in een onbekend land waarvan zij de taal niet kende, in een jeugdcentrum verblijven tot zij alleen met het vliegtuig terug naar Nederland kon. Al die tijd kon haar moeder haar niet zien of spreken. Na ongeveer drie weken werden [benadeelde partij 1] en haar moeder weer met elkaar herenigd. Beiden kampten echter ook daarna nog met angstgevoelens. Zo was [benadeelde partij 1] bang dat zij zomaar weer door verdachte zou worden opgehaald. Ook schaamde zij zich, omdat zij verdachte had geloofd. Bij [benadeelde partij 1] ’s moeder speelden problemen met slapen. Verder had zij last van paniekaanvallen en had zij ondersteuning nodig van een praktijkondersteuner van de huisarts. Al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden het hof tot het oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor [benadeelde partij 1] en haar moeder zodanig zijn geweest dat zij ‘op andere wijze in hun persoon zijn aangetast’ als bedoeld in de wet. De door [benadeelde partij 1] en haar moeder als benadeelde partijen gevorderde immateriële schade is door hen in beide gevallen begroot op een bedrag van € 1.500,00. Door de verdediging is de hoogte van dit bedrag in hoger beroep niet betwist. Bovendien acht het hof toewijzing hiervan in beide gevallen billijk. Het hof verenigt zich daarom ook op dit punt met de beslissing van de politierechter. Wetsartikelen De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 38v, 38w en 279 Sr. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 109 (honderdnegen) dagen . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 90 (negentig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich meldt bij de reclassering en dit gedurende de proeftijd blijft doen zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden; meewerkt aan het laten vaststellen van een diagnose door een door de reclassering aan te wijzen zorginstantie zodat de eventuele psychische problematiek van verdachte in kaart kan worden gebracht; zich laat behandelen door een door de reclassering te bepalen zorgverlener, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht op basis van de vast te stellen diagnose. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling die toegespitst dient te zijn op het behandelen van de eventueel bij verdachte vast te stellen problematiek. Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte: - meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt. Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voo