Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-10
ECLI:NL:GHARL:2026:852
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 23/2181 uitspraakdatum: 10 februari 2026 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 mei 2023, nummer AWB 19/5568, ECLI:NL:RBGEL:2023:2482, in het geding tussen de Inspecteur en [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft een teruggaafverzoek van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) gedaan. De Inspecteur heeft dat verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de teruggaaf van BPM vastgesteld op € 437, de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. 1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Namens belanghebbende is verschenen A.F.M.J. Verhoeven . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] , bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 15 juli 2018 een verzoek ingediend om teruggaaf van € 437 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type Citroën C5 (hierna: de auto). Dit verzoek is door de Inspecteur op 19 juli 2018 ontvangen. Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van de auto beëindigd op 17 mei 2018 en is de auto op 12 juni 2018 in Polen geregistreerd. De Inspecteur heeft vastgesteld dat het bij het verzoek gevoegde Poolse kentekenbewijs vals is en dat de auto eerst op 15 oktober 2018 geldig in Polen is geregistreerd. 2.2. Bij beschikking van 9 oktober 2018 heeft de Inspecteur het teruggaafverzoek BPM afgewezen, omdat de inschrijving van het voertuig in het Poolse kentekenregister niet binnen dertien weken na uitschrijving van het kenteken in Nederland heeft plaatsgevonden. 2.3. De Belastingdienst heeft in het kader van een verzoek op basis van de Wet open overheid op 18 januari 2023 een document van de Kennisgroep BPM gepubliceerd. In dit document is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “ De Kennisgroep BPM heeft het volgende standpunt ingenomen met betrekking tot de beoordeling van een te laat ingediend verzoek om teruggaaf van BPM vanwege export van een personenauto. Kennisgroep BPM Versiedatum 5 oktober 2020 KG-BPM-2016-150 (3) Teruggaaf van BPM bij export waarbij het verzoek te laat is ingediend. Casus: Een Nederlandse autohandelaar verkoopt gebruikte auto’s aan een Duitse handelaar die de auto’s vervolgens zonder registratie opneemt in zijn handelsvoorraad. De auto’s worden niet binnen 13 weken op een regulier Duits kenteken duurzaam geregistreerd. Eerst nadat de registratie in Duitsland is voltooid, maar buiten de termijn van 13 weken, verzoekt de Nederlandse handelaar om teruggaaf van bpm. Vraag: Hoe dient een verzoek om teruggaaf dat te laat is ingediend te worden beoordeeld? Antwoord: Het te laat indienen van het verzoek om teruggaaf van bpm bij export is een formeel gebrek en resulteert in een niet-ontvankelijkheid van het verzoek. Een ambtshalve beoordeling van het verzoek op de materiële vereisten kan echter alsnog resulteren in een teruggaaf als; - het motorrijtuig binnen 13 weken na het vervallen van d In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van BPM. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld. 3.2. De Inspecteur heeft in hoger beroep betoogd dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor teruggaaf van BPM, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een overmachtsituatie als bedoeld in het onder 2.3 opgenomen kennisgroepstandpunt, en dat de Rechtbank een te hoge proceskostenvergoeding heeft toegekend. 3.3. Belanghebbende heeft in verweer aangevoerd dat het teruggaafverzoek op basis van het Unierecht moet worden beoordeeld. In dat kader heeft hij onder meer aangevoerd dat de doorwerking van het Unierecht, het evenredigheidsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het recht op eigendom, maken dat de BPM in zijn geval moet worden teruggegeven zonder separaat verzoek, zonder het overleggen van grensoverschrijdende documenten of anderszins. 3.4. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens het oordeel over de vergoeding van immateriële schade en griffierecht, en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. De proceskostenvergoeding in beroep dient volgens de Inspecteur op een lager bedrag te worden vastgesteld en zonder vergoeding van reiskosten. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM), kan onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen op aanvraag een teruggaaf van BPM worden verleend indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en vervolgens wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 4.2. In artikel 4a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitvoeringsbesluit BPM) (tekst 2018), zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om voor teruggaaf van BPM in aanmerking te komen. Een van die voorwaarden is dat het verzoek om teruggaaf van BPM wordt gedaan binnen dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister. Artikel 4a, eerste lid, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit BPM (tekst 2018) eist dat bij het teruggaafverzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 4.3. Niet in geschil is dat de geldige inschrijving van de auto in het Pools kentekenregister meer dan dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling in Nederland heeft plaatsgevonden. Hierdoor is – op basis van de nationale bepalingen – niet aan de voorwaarden voor teruggaaf van BPM bij uitvoer voldaan. 4.4. Het beroep van belanghebbende op het Unierecht maakt dit niet anders. Volgens vaste rechtspraak vormt de BPM een binnenlandse belasting; deze belasting wordt niet geheven ter uitvoering van een Unierechtelijke verplichting of op grond van een bevoegdheid die is ontleend aan het recht van de Unie. De heffing van deze belasting vindt uitsluitend haar grondslag in een nationale wettelijke bevoegdheid. De omstandigheid dat artikel 110 van het VWEU de uitoefening van deze bevoegdheid begrenst, brengt op zichzelf niet mee dat het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht bij het heffen van BPM. Deze begrenzing door, kort gezegd, het non-discriminatiebeginsel doet dus niet eraan af dat de heffing van deze belasting de uitoefening van nationale bevoegdheden betreft. Met het heffen van BPM ter zake van de registratie van personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s wordt op zichzelf dus niet het recht van de Unie ten u De Inspecteur heeft aangevoerd dat er weliswaar coulancebeleid bestaat, zoals beschreven in het antwoord op de vraag aan de Kennisgroep BPM (zie 2.3), maar dat dat belanghebbende niet kan baten, omdat de auto niet binnen dertien weken na de uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is geregistreerd in het buitenland. Daarnaast is de Inspecteur van mening dat belanghebbende, naast zijn verklaring bij de Rechtbank dat hij geen enkele invloed heeft gehad op het moment van registratie van de auto in Polen, geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat er daadwerkelijk pogingen zijn ondernomen om op tijd (binnen de termijn van 13 weken) een Pools kenteken te verkrijgen. Dat is volgens de Inspecteur te weinig voor een geslaagd beroep op overmacht (zie onder 2.3, laatste twee zinnen). 4.9. Belanghebbende heeft in hoger beroep verwezen naar het op 10 juni 2025 gepubliceerde kennisgroepstandpunt van de Kennisgroep Auto (KG:013:2025:2). Hij is van mening dat het beleid van de Belastingdienst erop neerkomt dat de Belastingdienst in alle gevallen een teruggaaf van BPM moet verlenen en verleent, ook indien de auto niet binnen dertien weken in het buitenland is geregistreerd. In beroep heeft hij daartoe aangevoerd dat aan andere ondernemers wel BPM wordt teruggegeven bij registraties in het buitenland buiten de termijn van 13 weken. 4.10. Het Hof is van oordeel dat in het door belanghebbende genoemde kennisgroepstandpunt geen beleid is opgenomen dat erop neerkomt dat de Belastingdienst in alle gevallen een teruggaaf van BPM verleent, indien een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan nadat de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is verstreken. Uit dit kennisgroepstandpunt kan overigens niet worden afgeleid dat de Belastingdienst wel dergelijk beleid hanteert. Uit het onder 2.4. opgenomen kennisgroepstandpunt volgt juist dat in het geval een verzoek om teruggaaf buiten de termijn van dertien weken wordt gedaan, gelijk de Inspecteur betoogt, alleen – ambtshalve – een teruggaaf wordt verleend als de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister wel binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, of niet binnen die termijn heeft kunnen plaatsvinden als gevolg van overmacht. Belanghebbende heeft verder geen gevallen aangedragen waarin met haar vergelijkbare belastingplichtigen wel een teruggaaf van BPM hebben ontvangen, ondanks dat zowel het verzoek en de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister is gedaan buiten de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister. Dit maakt dat ook niet aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst niet gepubliceerd begunstigend beleid voert als door belanghebbende betoogd. 4.11. Het Hof is verder van oordeel dat belanghebbende niet die feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat als gevolg van overmacht de inschrijving van de in het buitenlandse kentekenregister buiten de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft weliswaar ter zitting bij de Rechtbank verklaard dat hij geen enkele invloed heeft gehad op het moment van registratie van de auto in Polen, maar daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er wel is geprobeerd om deze auto binnen de 13 weken termijn te registeren. Het Hof weegt hierin mee dat het verzoek om teruggaaf van belanghebbende is afgewezen omdat de auto niet overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEEG 1999, L138) was ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; belanghebbende heeft vervolgens in zijn bezwaarschrift niet eens aangevoerd dat de auto inmiddels wel zou zijn ingeschreven in Polen. Iedere informatie omtrent de registratie van de auto in Polen ontbreekt in het dossier. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat ten aanzien van deze