Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-02-12
ECLI:NL:GHARL:2026:813
Civiel recht
Hoger beroep
1,993 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:813 text/xml public 2026-02-20T12:00:07 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-12 200.352.692 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:813 text/html public 2026-02-18T15:51:48 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:813 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-02-2026 / 200.352.692 Het hof wijst het verzoek tot wijziging van de zorgregeling in het weekend af. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.352.692 (zaaknummer rechtbank Gelderland 439892) beschikking van 12 februari 2026 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.W. de Gruijl en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. R.H. Bouwman 1 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 15 januari 2025, uitgesproken onder zaaknummer 439892. Het hof zal deze beschikking verder noemen: de bestreden beschikking. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 maart 2025; - een e-mail van mr. De Gruijl van 5 januari 2026 met productie. 2.2 De minderjarige [minderjarige] heeft in een brief (van 2 september 2025) aan het hof zijn mening gegeven over het verzoek. 2.3 De zitting was op 8 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - namens de vader zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). De moeder, haar advocaat en de advocaat van de vader hebben digitaal (via Teams) deelgenomen aan de zitting. 3. De feiten 3.1 De moeder en de vader hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2016 te [geboorteplaats] . De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder. 3.2 Bij het vonnis van de voorzieningenrechter (van de rechtbank Gelderland, hierna: de voorzieningenrechter) van 17 december 2018 is een vaststellingsovereenkomst over de omgangsregeling aangehecht en opgenomen in het vonnis. Voor zover hier van belang is in deze overeenkomst opgenomen over de vakanties en feestdagen: “Op feestdagen en in de zomervakantie en in de kerstvakantie verblijft [minderjarige] de helft van de tijd bij zijn vader en de helft van de tijd bij zijn moeder. Voor de overige vakanties geldt de gebruikelijke omgangsregeling. Dit in verband met het werk van vader. In de planning wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met Vaderdag en met de verjaardag van vader (bij vader) en met Moederdag en met de verjaardag van moeder (bij moeder). Ook houden de ouders rekening met de verjaardagen en andere belangrijke gebeurtenissen van naaste familieleden van de ouders zodat [minderjarige] deze zoveel mogelijk kan bijwonen”. 3.3 Bij de beschikking van de kinderrechter (van de rechtbank Gelderland, hierna: de kinderrechter) van 17 mei 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de GI), met ingang van 17 mei 2022. Deze ondertoezichtstelling is hierna telkens door de kinderrechter verlengd, voor het laatst tot 17 mei 2025. 3.4 Bij de beschikking van 11 oktober 2022 heeft de kinderrechter op grond van artikel 1:265g BW een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vastgesteld, die inhoudt dat de zorgverdeling zoals opgenomen in het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 17 december 2018 wordt gewijzigd en (...): - er contact is tussen [minderjarige] en de vader gedurende drie weekenden per maand van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur ( [minderjarige] heeft gegeten bij de vader), waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag van school ophaalt en de moeder op zondag [minderjarige] bij de vader ophaalt; - tijdens vakanties de vader [minderjarige] om 10.00 uur bij de moeder ophaalt, en de moeder [minderjarige] op de laatste zorgdag bij de vader om 18.00 uur bij de vader ophaalt ( [minderjarige] heeft gegeten bij de vader). 3.5 Bij het vonnis van 2 april 2024 heeft de voorzieningenrechter aan de moeder een dwangsom opgelegd van € 250,- per keer, tot een maximum van € 10.000,- voor iedere keer dat de moeder in strijd handelt met de vastgestelde zorgregeling. 4 De omvang van het geschil 4.1 De moeder en de vader zijn het niet eens over de zorgregeling voor [minderjarige] . Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder om de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] om de week een weekend van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft, afgewezen. Verder is bij die beschikking de zorgverdeling tijdens de vakantie- en feestdagen gewijzigd waarbij de vader vaker voor [minderjarige] zal zorgen op deze dagen dan eerder het geval was. 4.2 De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de zorgregeling alsnog te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] om het weekend bij de vader verblijft van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur, waarbij de nieuwe vakantie- en feestdagenregeling blijft gelden. 4.3 De advocaat van de vader heeft op de zitting namens de vader mondeling verweer gevoerd. 5 De motivering van de beslissing Wat in de wet staat 5.1 De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] en dat betekent onder andere dat zij samen beslissen over de zorgregeling. Een geschil daarover kan op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd (artikel 1:253a lid 1 BW). De rechter kan een door de ouders gemaakte afspraak over de zorgregeling wijzigen als de omstandigheden daarna zijn gewijzigd (artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377e BW). De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De stellingen van de moeder 5.2 De moeder kan zich niet vinden in de huidige zorgregeling waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden bij de vader is. Volgens de moeder hebben zij en [minderjarige] daardoor te weinig tijd om leuke dingen met elkaar te doen. Daarnaast vindt de moeder deze regeling te belastend voor [minderjarige] omdat de vader en zijn partner veel ruzie hebben met elkaar in het bijzijn van [minderjarige] . De vader betwist dat gemotiveerd. Oordeel van het hof 5.3 Het hof stelt allereerst vast dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds de ouders onderling afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Zo is [minderjarige] ouder geworden en is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] vorig jaar geëindigd. Ook is de zorgregeling tijdens de feestdagen en vakanties gewijzigd. 5.4 Het hof ziet geen aanleiding de zorgregeling te wijzigen zoals de moeder heeft verzocht. Ter onderbouwing van haar standpunt overlegt de moeder een brief van een zogenoemde brugfunctionaris, mevrouw [naam] . In die brief worden zorgen rondom en over [minderjarige] beschreven. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de inhoud en de status van deze brief door de vader is het hof van oordeel dat de moeder haar zorgen over de thuissituatie bij de vader onvoldoende heeft onderbouwd. Voor het hof is onduidelijk wat de status is van deze (ongedateerde) brief, wat de rol is van [naam] ten aanzien van [minderjarige] en hoe de informatie die in de brief staat, is verkregen. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat [minderjarige] de huidige omgangsregeling niet aankan. [minderjarige] schrijft in zijn brief aan het hof dat hij slechts twee van de vier weekenden naar de vader wil omdat hij meer leuke dingen bij en met zijn moeder wil doen en vaker bij zijn (half)broertje wil zijn. Ook de moeder voert dat argument aan.