Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-04
ECLI:NL:GHARL:2026:663
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002734-25 Uitspraakdatum: 4 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland (locatie Leeuwarden ) van 5 juni 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-004474-25 en 18-338067-24, tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] . Hoger beroep [verdachte] , heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 21 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsvrouw, mr. M.R. Rauwerda, hebben aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 5 juni 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, [verdachte] voor 2 pogingen tot afpersing en een overtreding van de Leerplichtwet 1969 veroordeeld tot 210 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest, waarvan 72 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden houden in dat [verdachte] : zich meldt bij de jeugdreclassering; verblijft in een gesloten jeugdzorginstelling zoals [instelling 1] of een soortgelijke instelling; na de gesloten plaatsing medewerking verleent aan toezicht en begeleiding in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (hierna: ITB Harde Kern) voor de duur van 6 maanden, met elektronische monitoring; zich onder behandeling laat stellen van [instelling 1] of een soortgelijke instelling; meewerkt aan hulp die de jeugdreclassering nodig acht, aansluitend op de gesloten plaatsing; geen alcohol en drugs gebruikt en meewerkt verleent aan urinecontroles, en onderwijs volgt of een andere dagbesteding heeft. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. De bewijsverweren die in hoger beroep zijn gevoerd, zijn in de kern gelijk aan die bij de rechtbank naar voren zijn gebracht. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn uitgewerkt, kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan 2 pogingen tot afpersing en een overtreding van de Leerplichtwet 1969 (spijbelen). Het hof zal dat deel van het vonnis bevestigen. Het hof komt tot een andere straf dan de rechtbank, dat deel van het vonnis zal dan ook worden vernietigd. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot 210 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 72 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), met uitzondering van de gesloten plaatsing in [instelling 1] en de elektronische monitoring. Voor wat betreft de ITB Harde Kern heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze voor de duur van 3 maanden wordt opgelegd. Verder heeft de advocaat-generaal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een straf gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 138 dagen jeugddetentie, en tot een voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van 1 jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, met uitzondering van de ITB Harde Kern. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [verdachte] zich de laatste tijd op een positieve manier heeft ontwikkeld en dat hij een kans verdient om te laten zien dat hij geen begeleiding (in de vorm van een ITB Harde Omdat de kans op een terugval dan groot is en omdat de positieve ontwikkeling van [verdachte] nog maar pril is, adviseert de Raad oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met oplegging van bijzondere voorwaarden, inhoudende dat [verdachte] : zich meldt bij de jeugdreclassering; meewerkt aan toezicht en begeleiding in het kader van ITB Harde Kern voor de duur van 3 maanden, met elektronische monitoring; zich onder behandeling laat stellen van [instelling 1] of een soortgelijke instelling; meewerkt aan hulp die de jeugdreclassering nodig acht, aansluitend op de gesloten plaatsing; geen alcohol en drugs gebruikt en meewerkt aan urinecontroles, en onderwijs volgt of een andere dagbesteding heeft. Daarnaast heeft de Raad geadviseerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden. Tot slot heeft het hof bij het bepalen van de straf gekeken naar welke straffen meestal door rechters worden opgelegd voor soortgelijke strafbare feiten. Dit staat in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Het hof is van oordeel dat vanwege de ernst van de feiten, oplegging van jeugddetentie op zijn plaats is. Vanwege de tijd die [verdachte] al in voorarrest heeft doorgebracht en de LOVS-oriëntatiepunten zal het hof een jeugddetentie van kortere duur opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, namelijk een straf die gelijk is aan het voorarrest, te weten 138 dagen jeugddetentie. Het hof is van oordeel dat dit een passende en noodzakelijke bestraffing is. Daarnaast zal het hof aan [verdachte] een voorwaardelijke werkstraf opleggen voor de duur van 60 uren, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. Deze voorwaardelijke straf is bedoeld om [verdachte] ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Het hof verbindt aan deze voorwaardelijke werkstraf een proeftijd van 2 jaren en de hierna vermelde bijzondere voorwaarden, waaronder de ITB Harde Kern voor de duur van 3 maanden. De reden dat het hof deze bijzondere voorwaarden en (langere) proeftijd oplegt, is omdat de kans op herhaling als hoog wordt ingeschat en de positieve ontwikkeling van [verdachte] nog pril is. Dit maakt ook dat het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden zal bevelen. Het hof vindt het in het belang van [verdachte] en zijn positieve ontwikkeling dat deze voorwaarden meteen ingaan. Het hof acht de ITB Harde Kern noodzakelijk, omdat [verdachte] nog een belangrijke en mogelijk moeilijke stap moet zetten naar meer vrijheden, minder structuur en minder begeleiding. Het is belangrijk dat [verdachte] met zijn begeleiders een vertrouwensband opbouwt en dat iemand anders (de jeugdreclasseringsmedewerker) in de gaten houdt of [verdachte] de regels wel goed nakomt en gemaakte afspraken goed nakomt. Via ITB Harde Kern kan de jeugdreclassering daar meer tijd aan besteden. Als het goed gaat met [verdachte] , hij zich goed laat begeleiden en hij zich goed aan de regels houdt, dan kan het aantal contactmomenten minder worden en zal [verdachte] minder ‘last’ van deze intensieve vorm van toezicht hebben. Wetsartikelen De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 138 (honderdachtendertig) dagen . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden