Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-03
ECLI:NL:GHARL:2026:591
GERECHTSHOF ARNHEM- LEEUWARDEN locatie Leeuwarden , afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.355.888 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, Leeuwarden 10869331 arrest van 3 februari 2026 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de kantonrechter optrad als eiser, hierna: [de opdrachtgever] , advocaat: mr. D.D. Senders te Leusden, tegen [geïntimeerde] , die woont in [woonplaats2] , en bij de kantonrechter optrad als gedaagde, hierna: [de aannemer] , niet verschenen. 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [de opdrachtgever] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden , op 2 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de dagvaarding in hoger beroep, zoals hersteld, en de memorie van grieven. [de aannemer] is in hoger beroep niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. 2 De kern van de zaak 2.1 [de aannemer] heeft werkzaamheden verricht aan het dak van [de opdrachtgever] . Volgens [de opdrachtgever] heeft [de aannemer] dit niet goed gedaan. [de opdrachtgever] heeft herstelwerkzaamheden laten verrichten en vordert schadevergoeding. 2.2 [de opdrachtgever] heeft bij de kantonrechter veroordeling van [de aannemer] gevorderd tot betaling van de herstelkosten (€ 13.617,75), expertisekosten (€ 2.351,03) en buitengerechtelijke kosten (€ 1.100,12) met de wettelijke rente daarover. 2.3 De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog gedeeltelijk worden toegewezen. 2.4 Het hof zal de vorderingen echter ook afwijzen en het vonnis van de kantonrechter om die reden bekrachtigen. Hierna wordt uiteengezet hoe het hof tot dit oordeel is gekomen. Maar eerst volgt een opsomming van de voor die beslissing relevante feiten. 3 De relevante feiten 3.1 [de opdrachtgever] is sinds 2019 eigenaar van de woning aan [adres1] . Hij heeft omstreeks augustus 2019 aan [de aannemer] opdracht gegeven om deze woning te verbouwen. 3.2 Tijdens de verbouwingswerkzaamheden is schimmelvorming op de zolder geconstateerd, alsmede lekkage van een dakkapel en van de schoorsteen. De lekkage bestond al voordat [de aannemer] zijn werkzaamheden aanving. [de opdrachtgever] heeft daarop een meerwerkopdracht verstrekt aan [de aannemer] om de lekkage te verhelpen. Onderdeel van de werkzaamheden betrof het verwijderen van dakpannen en panlatten van het dak aan de tuinzijde. Het dak is vervolgens voorzien van tyvek dampopen doek dat over de aanwezige tengels is gelegd, waarna nieuwe panlatten over het doek zijn gelegd en de dakpannen weer zijn teruggeplaatst. De werkzaamheden van [de aannemer] zijn in 2019/2020 uitgevoerd. 3.3 De lekkage is door de werkzaamheden van [de aannemer] niet verholpen, waarna [de opdrachtgever] een derde heeft benaderd om de oorsprong van de lekkage te achterhalen. Ook de derde heeft de lekkage niet weten te verhelpen. Naar aanleiding van de inspectie van het dak door deze derde heeft [de opdrachtgever] te horen gekregen dat het dampopen doek door [de aannemer] niet op een correcte manier is aangebracht en dat daardoor mogelijk de lekkage is ontstaan. [de opdrachtgever] heeft op 18 februari 2023 en op 11 april 2023 een ingebrekestelling gestuurd aan [de aannemer] waarin hij hem sommeert om binnen twee maanden herstelwerkzaamheden te verrichten. 3.4 [de opdrachtgever] heeft vervolgens Expertisebureau Noord (hierna: EBN) opdracht gegeven om een deskundigenrapport op te stellen naar aanleiding van de door [de aannemer] verrichte werkzaamheden. EBN heeft de woning op 22 september 2023 bezocht en op 8 november 2023 haar rapport uitgebracht. Het rapport vermeldt dat het dampopen doek niet correct, want over de bestaande tengels heen, is gelegd, maar dat dit niet de lekkage heeft veroorzaakt. Verder zijn er volgens het rapport panlatten los onder de dakpannen geschoven en ligt het dampopen doek t Op grond van artikel 129 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een eiser zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, te allen tijde zijn eis verminderen. Op basis van artikel 353 lid 1 Rv is de hiervoor genoemde regel ook in hoger beroep van toepassing. Het hof zal daarom op deze verminderde eis beslissen. Eisvermeerdering 4.2 [de opdrachtgever] heeft ten aanzien van de expertisekosten zijn eis vermeerderd. Hij vordert in hoger beroep € 3.095,06 aan expertisekosten, waar dat bij de kantonrechter € 2.351,03 was. Volgens artikel 130 lid 3 Rv is een wijziging of vermeerdering van eis uitgesloten tegen een partij die niet in het geding is verschenen, tenzij de eisende partij de wijziging of vermeerdering van eis tijdig bij exploot aan de niet verschenen partij kenbaar heeft gemaakt. Op basis van artikel 353 lid 1 Rv is de hiervoor genoemde regel ook in hoger beroep van toepassing. [de aannemer] is niet in de procedure verschenen. Uit het procesdossier blijkt niet dat de eisvermeerdering aan [de opdrachtgever] is betekend. [de opdrachtgever] heeft geen verzoek ingediend om alsnog de eisvermeerdering te betekenen en het hof ziet ambtshalve ook geen reden om [de opdrachtgever] daartoe in de gelegenheid te stellen. Het hof zal daarom deze eisvermeerdering weigeren en beslissen op de vordering van € 2.351,03 aan expertisekosten. Geen tekortkoming 4.3 Met zijn eerste grief bestrijdt [de opdrachtgever] het oordeel van de kantonrechter dat [de aannemer] niet aansprakelijk is voor schade die bestaat uit de kosten van het herstel van zijn dak. 4.4 Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof voorop dat [de opdrachtgever] in hoger beroep niet volhardt in de stelling dat de lekkage van de woning is veroorzaakt door werkzaamheden van [de aannemer] . [de opdrachtgever] maakt alleen nog aanspraak op herstelkosten die zien op vervanging van het dampopen doek en de daarmee gepaard gaande expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten. Het hof zal daarom ingaan op de vraag of [de aannemer] ten aanzien van deze werkzaamheden is tekortgeschoten. 4.5 [de opdrachtgever] verwijt [de aannemer] dat zijn werk niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk voldoet. Op [de opdrachtgever] rust daarom op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en zo nodig de bewijslast. 4.6 [de opdrachtgever] stelt met verwijzing naar twee deskundigenrapporten van EBN dat [de aannemer] de werkzaamheden op een slordige en onjuiste manier heeft verricht, waardoor sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [de aannemer] . Door de tengels die al op het dak lagen niet te verwijderen en daarover tyvek te plaatsen, heeft [de aannemer] geen ruimte gelaten tussen het dampopen doek en de panlatten. Die werkwijze is niet volgens de verwerkingsvideo’s. Na meerdere ingebrekestellingen heeft [de aannemer] nagelaten om deze tekortkoming te herstellen, waardoor [de aannemer] in verzuim verkeert. [de opdrachtgever] heeft het dak laten vervangen. [de opdrachtgever] maakt aanspraak op vergoeding van deze herstelkosten. 4.7 [de aannemer] heeft bij de kantonrechter uiteengezet dat hij bepaalde keuzes bewust heeft gemaakt bij het aanleggen van het tyvek. Zo stelt hij dat hij het dampopen doek over de bestaande tengels heeft neergelegd om een luchtlaag te creëren, zodat het in het dak aanwezige vocht niet zou worden opgesloten. Dat was nodig, want het dakhout was ten tijde van de verbouwingswerkzaamheden vochtig, de werkzaamheden vonden plaats in maart (een vochtige maand) en het dak zou aan de binnenzijde worden geïsoleerd. De twee buitenste dakpanlagen heeft [de aannemer] bewust laten liggen omdat deze moeilijk te verwijderen waren en niet meer leverbaar waren, waarbij bovendien door de aanwezigheid van het doek ook geen koudebrug zou ontstaan, zodat deze dakpannen ook niet verwijderd hoefden te worden. Het doek heeft [de aannemer] bewust laten doorlopen tot in de goot voor het tegengaan van inwatering. Op grond van de