Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-09-02
ECLI:NL:GHARL:2026:5600
Verzoeker had rechtsbijstand op basis van een toevoeging. Nu hij in hoger beroep is vrijgesproken, is hij geen eigen bijdrage verschuldigd, ook niet voor de eerste aanleg. Hij heeft dus -uiteindelijk- geen kosten gemaakt in de zin van artikel 530 Sv. De raadsman van verzoeker kan dit bij de einddeclaratie verrekenen bij de raad voor rechtsbijstand. Relevante artikelen: artikelen 37, 38 en 44 van de Wet op de rechtsbijstand en artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004411-24 AV-nummer: 000556-26 Uitspraak d.d.: 2 september 2026 Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedatum] 1990, woonplaats kiezende te [adres] , ten kantore van zijn advocaat mr. J.M. Koppert, hierna te noemen verzoeker. Procesgang Verzoeker vraagt vergoeding uit 's Rijks kas voor gemaakte kosten in een strafzaak tegen hem, zoals nader in het verzoekschrift aangegeven. Daarnaast vraagt hij een vergoeding voor de gemaakte kosten voor de indiening en de behandeling van het verzoekschrift. Het hof heeft het verzoek behandeld in openbare raadkamer van 19 augustus 2026, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en mr. Koppert, voornoemd. Beoordeling van het verzoek Bij onherroepelijk arrest van dit hof van 23 maart 2026, parketnummer 21-004411-24, is de strafzaak tegen verzoeker geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Verzoeker heeft in het verzoekschrift aangevoerd dat hij ten gevolge van de strafzaak kosten heeft gemaakt, te weten: - reiskosten openbaar vervoer naar rechtbank ( Lelystad ) en hof ( Leeuwarden ): € 75,20; - kosten van een raadsman (eigen bijdrage toevoeging): € 165,-; - kosten voor de indiening en de behandeling verzoekschrift: € 825,00. De gevraagde vergoeding komt voor toewijzing in aanmerking voor zover dit betreft de reiskosten en de kosten voor de indiening en de behandeling van het verzoekschrift. Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de eigen bijdrage overweegt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat verzoeker zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft laten bijstaan door een toegevoegde raadsman. Dat betekent dat de raadsman van de raad voor rechtsbijstand een subsidie (“vergoeding”), ontvangt voor de door hem aan verzoeker op basis van de toevoeging verleende rechtsbijstand (artikel 37, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand, hierna: Wrb). Indien de rechtzoekende, in dit geval verzoeker, een eigen bijdrage verschuldigd is, wordt die hierop in mindering gebracht (artikel 37, derde lid, Wrb). De rechtzoekende is de hem opgelegde eigen bijdrage van rechtswege verschuldigd aan degene die hem de rechtsbijstand verleent (artikel 38, eerste lid, Wrb). Ingevolgde artikel 44, tweede lid, van de Wrb is de eigen bijdrage niet verschuldigd, indien een zaak eindigt zonder de toepassing van een straf of maatregel dan wel zonder toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht. De rechtsbijstandverlener restitueert de eigen bijdrage aan de rechtzoekende, tenzij deze de eigen bijdrage nog niet heeft voldaan. Onder het begrip ‘zaak’ moet hier de strafzaak als geheel worden begrepen. Indien de zaak in hoger beroep eindigt zonder de toepassing van een straf of maatregel dan wel zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is de eigen bijdrage evenmin verschuldigd voor de eerste aanleg. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker geen eigen bijdrage verschuldigd is. Aldus heeft hij (uiteindelijk) geen kosten gemaakt in de zin van artikel 530 Sv. Het hof zal het verzoek in zoverre afwijzen. Overigens kan (de raadsman van) verzoeker dit bedrag bij de einddeclaratie van de toevoeging verrekenen bij de raad voor rechtsbijstand. Gelet op het voorgaande zal het hof verzoeker de volgende vergoeding toekennen: - reiskosten bijwonen zittingen € 75,20 - kosten verzoek indiening en behandeling verzoek € 825,00 + Totaal : € 900,20 BESLISSING Het hof: kent toe aan verzoeker [verzoeker] een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 900,20 (negenhonderd euro en twintig cent) ; wijst af het meer of anders verzochte; beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] onder vermelding van: vergoeding art. 530 Sv [verzoeker] . Aldus gegeven door mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter, mr. E. de Witt en mr. O. Anjewierden, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. H.P.G.A. Arntz, griffier, door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 2 september 2026 ter openbare zitting uitgesproken.