Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-08-25
ECLI:NL:GHARL:2026:5579
BPM. Diverse formeelrechtelijke grieven. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/473 uitspraakdatum: 25 augustus 2026 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 11 januari 2024, nummer ARN 22/5014, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur), en de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) te Den Haag. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 7.803, verhoogd met € 52 aan belastingrente. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 1.000, € 875 en € 365. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft nadere stukken ingebracht. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Namens belanghebbende is verschenen, [naam1] , bijgestaan door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven en de deskundige [deskundige] . Namens de Inspecteur zijn [naam2] en [naam3] verschenen. De zaken met de nummers 23/3057, 23/3058, 24/473, 24/1031, 24/1032 en 24/1033 zijn gelijktijdig en gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feite 2.1. Belanghebbende heeft voor een Mercedes-Benz GLC 300 4MATIC (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 2.718 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin schade is gecalculeerd op € 36.815. Deze schade is voor 90% in mindering gebracht op de op basis van een koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde. 2.2. De datum van eerste toelating van de auto is 27 augustus 2018. 2.3. Volgens de factuur van [bedrijf1] te Neuwied, Duitsland heeft deze op 11 september 2019 aan belanghebbende de auto geleverd als niet gerepareerde schadeauto die niet zelfstandig kan rijden (“fahrbereit”). De kilometerstand bedroeg 4696 km en de koopsom € 28.979. Als vermogen van de motor van de auto is 180 kW vermeld. 2.4. De auto is volgens het taxatierapport van [taxatiebedrijf] getaxeerd op 9 september 2019. De kilometerstand bedroeg volgens het rapport 4859 km en de CO2-uitstoot 179 g/km. Verder is opgemerkt: “Rechter zijschade!! Voorschade!! Wielophanging krom!! Versnellingsbak defect!! 4 velgen krom!! Airbag open!! Autotelex is 190 kw motor i.p.v. 180 kw!! Eurotax is 155 kw motor i.p.v. 180 kw!!” en “Aandrijving is krom!!” 2.5. Nadat de auto APK-waardig is gemaakt om een Wok-melding op het kenteken te voorkomen, is de auto op 22 oktober 2019 door de RDW gekeurd. De RDW heeft verklaard dat voor de auto geen foto’s of opmerkingen over schade zijn aangetroffen. 2.6. De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Dit onderzoek is op 12 november 2019 uitgevoerd. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. DRZ heeft een waardevermindering vastgesteld van € 28.172 (81% van € 34.877) wegens schade, maar heeft in het rapport tevens opgemerkt: “Deze Mercedes GLC 300 is af-fabriek met een 180 kW motor afgeleverd. Deze motor is niet in Nederland op de datum 1e toelating leverbaar geweest. Als passend alternatief hebben wij een 190 kW motor gekozen. De CO2 opgave in Autotelex Pro wijkt af van de CO2 opgave van het aangegeven voertuig. Er zijn geen referentievoertuigen te vinden die vergelijkbaar zijn met het aangeven voertuig.” en “Gezien de kilometer toename lijkt het erop dat alle beschadigde onderdelen zijn terug gezet na de oproep van DRZ. Het is niet aannemelijk dat het voertuig in de aangeboden staat 163 kilometer heeft afgelegd op de openbare weg. 9-9-2019 Taxatie 4.696 KM 22-10-2019 RDW 4.780 KM 6-11-2019 DRZ 4.859 KM Totaal toename 163 KM .” 2.7. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd die als volgt is berekend: Catalogusprijs € 65.915 BPM (CO2-uitstoot 162 gr/km) 13.935 = Consumentenprijs (= historische nieuwprijs) 79.850 Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Xray marge) 44.259 Afschrijving 44,58% Historische BPM (CO2-uitstoot 179 gr/km) 20.379 Afschrijving (44,58%) -/- 9.085 = Verschuldigde BPM 11.294 Extra leeftijdskorting (4,836% * € 5.577) -/- 773 Door belanghebbende is betaald op aangifte -/- 2.718 Naheffingsaanslag € 7.803 2.8. Voordat de naheffingsaanslag BPM is opgelegd, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief in kennis gesteld van zijn voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld te reageren. Hiervan heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt. 2.9. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag gehandhaafd. In dat verband heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat niet aannemelijk is dat de auto een huurverleden heeft zodat daarvoor geen waardevermindering wordt toegepast en dat de auto meer dan normale gebruiksschade had op de aangiftedatum, en dat de formele grieven van belanghebbende niet slagen. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd: De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming. Belanghebbende is voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte niet gehoord, zodat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden. Het opleggen van een naheffingsaanslag BPM ter zake van een naar Nederland overgebracht motorvoertuig is in strijd met artikel 110 VWEU nu binnenlandse voertuigen per definitie zijn uitgesloten van een dergelijke heffingsmodaliteit. De bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering van de verschuldigde BPM rust in het licht van artikel 110 VWEU op de Inspecteur. In zijn geval is artikel 110 VWEU geschonden als gevolg van de transitieregeling die geldt bij de overgang van de NEDC- naar de WLTP-methode. Vanwege schending van de hoorplicht in de bezwaarfase had de Rechtbank de zaken moeten terugwijzen naar de Inspecteur. De onafhankelijkheid van DRZ ten opzichte van de Inspecteur is niet gewaarborgd en aan het door DRZ opgestelde taxatierapport van de Inspecteur worden ten onrechte minder hoge eisen gesteld dan aan een door belanghebbende in te brengen rapport. De handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met 100% van de geraamde herstelkosten. Voor de handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft. Dat voor het berekenen van de afschrijving van artikel 10 lid 2 Wet BPM de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 128 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto (met een onbekende CO2-uitstoot) is verschuldigd. De Inspecteur is bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde niet uitgegaan van een soortgelijke auto. Bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde kan (ook) worden uitgegaan van de koerslijst van Eurotax minus 15% bijstelling markt- en dealersituatie. De regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), waarbij de proceskostenvergoeding in beginsel een forfaitair karakter heeft, is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming. De overschrijding van de redelijke termijn in beroep dient tot een hogere immateriële schadevergoeding te leiden. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht 4.1. De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft. 4.2. Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. 4.3. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Ad b. Vooraf heffen griffierecht 4.4. Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. 4.5. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake. 4.6. Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Ad c. Schending verdedigingsbeginsel 4.7. Belanghebbende heeft gesteld dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, nu belanghebbende niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Zo dit beginsel in het onderhavige geval al van toepassing is – het Hof kan dat in het midden laten – dan nog is van een schending daarvan geen sprake. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Dit betekent dat nu belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgenodigd schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus dat standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat belanghebbende ook wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek. Ad d en e. Naheffing van BPM en bewijslast 4.8. Belanghebbende betoogt dat te weinig geheven BPM niet op grond van artikel 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorrijtuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Dit betoog is niet juist. 4.9. Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Volgens belanghebbende berusten stelplicht en – bij betwisting – bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op haar. Ook dit betoog faalt. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEU verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling. Ad f. NEDC/WLTP 4.10. Indien belanghebbende betoogt dat in haar geval artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van de transitieregeling die geldt bij de overgang van de NEDC- naar de WLTP-methode, kan ook dit betoog niet worden gevolgd. Afgezien van de omstandigheid dat de naheffingsaanslag is berekend op basis van de NEDC-norm, heeft belanghebbende niet het bewijs geleverd als bedoeld in het arrest HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2. Zo is de datum van eerste toelating van de auto 27 augustus 2018, waarmee reeds niet is voldaan aan de voorwaarde dat de te registreren auto in een andere lidstaat tussen 1 september 2018 en 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg. Ad g. Schending hoorplicht in bezwaarfase 4.11. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de gemachtigde is uitgenodigd voor een hoorgesprek en hij vervolgens heeft aangegeven niet te zullen verschijnen, zodat de hoorplicht niet is geschonden. 4.12. Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op verzoek te horen (artikel 7:2, lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 25 AWR. De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt, staat de inspecteur toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en een locatie te kiezen. De vrijheid die de inspecteur in dit verband heeft, wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die beginselen brengen mee dat rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de betrokkene(n) en van de inspecteur. De inspecteur moet die belangen tegen elkaar afwegen. Uitgangspunt daarbij is (a) dat het aan de inspecteur is om tijd en plaats van het hoorgesprek te bepalen, en (b) dat geen regel of beginsel meebrengt dat een hoorgesprek alleen kan worden gehouden op een plaats en tijdstip die de belanghebbende en diens gemachtigde uitkomen, bijvoorbeeld in verband met andere verplichtingen. 4.13. De Inspecteur heeft, nadat de gemachtigde een hoorgesprek op 17 mei 2021 heeft geannuleerd, een nieuw hoorgesprek gepland op 27 mei 2021. Uit de mail van de gemachtigde van belanghebbende van 19 mei 2021 volgt, dat hij de uitnodiging heeft ontvangen. Deze mail heeft de Inspecteur eerst op 2 juli 2021 ontvangen. Dit brengt mee dat de Inspecteur de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld over de bezwaren te worden gehoord en hij bij het plannen van een hoorgesprek de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Dat de gemachtigde vervolgens ervoor heeft gekozen niet te verschijnen, brengt dan niet mee dat de Inspecteur de hoorplicht niet is nagekomen. Ad h. Taxatierapport en betrouwbaarheid DRZ 4.14. Belanghebbende betoogt dat aan belanghebbende hogere eisen worden gesteld wat betreft de bewijsmiddelen dan aan de Inspecteur. Dit betoog is onjuist. De rechter weegt de bewijsmiddelen en stelt aan belanghebbendes bewijsmiddelen geen hogere eisen dan aan die van de Inspecteur. Ook overigens is geen sprake van schending van het beginsel van ‘equality of arms’. Zo is niet gebleken dat de Inspecteur (de taxateur van) DRZ heeft beïnvloed of geïnstrueerd over de wijze van taxeren van de auto’s. 4.15. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is geweest van een aanbesteding die niet volgens de daarvoor toepasselijke regels is verlopen, dan nog heeft een dergelijke schending geen invloed is op de hier aan de orde zijnde vraag inzake de handelsinkoopwaarde. Het Hof moet beoordelen of de door belanghebbende voorgestane handelsinkoopwaarde, in het licht van wat de Inspecteur heeft gesteld, voldoende door belanghebbende is onderbouwd. Het Hof merkt nog op dat het geen reden ziet te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur van DRZ en heeft evenmin aanleiding vanwege de werkwijze van DRZ in algemene zin geen, dan wel minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. Ad i. Schade 4.16. Belanghebbende betoogt voorts dat de Inspecteur ten onrechte de door haar geraamde herstelkosten niet in mindering op de waarde van de auto in onbeschadigde staat heeft toegestaan. 4.17. Belanghebbende wenst de afschrijving te bepalen volgens de regels van artikel 10, lid 7, van de Wet BPM. Het bij de aangifte gebruikte taxatierapport moet zijn opgemaakt met inachtneming van de voorwaarden opgenomen in bijlage I bij artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM en ten hoogste een maand vóór het tijdstip dat de belasting ingevolge artikel 1 van de Wet BPM is verschuldigd, in de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert, door een onafhankelijke, erkende taxateur. 4.18. Het belastbare feit voor de BPM is de inschrijving van de auto in het kentekenregister door de RDW. Bij de RDW is de auto in herstelde staat aangeboden. De Inspecteur is terecht ervan uitgegaan dat de auto in onbeschadigde staat is. Daaraan doet niet af, dat belanghebbende een taxatierapport van de auto heeft overgelegd, waarin deze is getaxeerd in beschadigde staat. Daarmee heeft belanghebbende de auto niet getaxeerd in de staat waarin deze op het voorgeschreven tijdstip verkeerde. Ad j. Ex-rental 4.19. Belanghebbende heeft niet gemotiveerd gesteld dat de onderhavige auto een ‘ex-rental auto’ en/of daarmee vergelijkbare voertuig is. Niettemin stelt belanghebbende zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU voor de bepaling van de afschrijving dient te worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Het betoog van belanghebbende faalt, omdat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ad k. Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot 4.20. Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende. 4.21. Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 162 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 179 gr/km heeft. 4.22. Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot kan immers veroorzaakt worden door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering. 4.23. Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen. Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende. 4.24. Ter onderbouwing van zijn stelling dat een hogere CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, heeft belanghebbende erop gewezen – hetgeen door de Inspecteur niet is betwist – dat de gebruikte koerslijst geen voorzieningen heeft ingebouwd die een koppeling maken tussen opties en de bijbehorende CO2-uitstoot. Dit brengt mee dat in deze koerslijst de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde wel stijgen door het opvoeren van opties, maar dat de CO2-uitstoot daardoor niet meebeweegt. Ook andersom zal een handmatige aanpassing van de CO2-uitstoot op zichzelf geen gevolgen hebben voor de handelsinkoopwaarde, deze blijft namelijk gebaseerd op de ‘norm-uitstoot’ die standaard in het systeem staat, in plaats van de daadwerkelijke uitstoot van de auto, aldus belanghebbende. Dit betekent volgens belanghebbende echter niet, dat de getoonde handelsinkoopwaarde niet is gekoppeld aan de getoonde referentieauto inclusief de waarde van de toegevoegde opties. 4.25. Uit deze toelichting zou kunnen worden afgeleid dat de getoonde handelsinkoopwaarde ook behoort bij een CO2-uitstoot die overeenstemt met de extra opties of andere uitvoering, waardoor de in koerslijst getoonde referentieauto in werkelijkheid dezelfde CO2-uitstoot heeft als de te registreren auto, hoewel een lagere CO2-uitstoot is weergegeven. Bij een dergelijke gevolgtrekking zou belanghebbende kunnen worden gevolgd in zijn standpunt. 4.26. Uit de toelichting van belanghebbende volgt dat de koerslijst geen verband legt tussen de CO2-uitstoot en de daarin opgenomen opties en uitvoering van de referentieauto. Dit maakt het gebruik van de koerslijst in het geval sprake is van een auto met een afwijkende CO2-uitstoot zonder nadere toelichting in wezen onmogelijk. Ad l. Gelijksoortige auto 4.27. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur bij het zoeken van het best vergelijkbare referentievoertuig had moeten kiezen voor een Mercedes GLC 250 4Matic, omdat deze dezelfde motorisering, aandrijving en transmissie heeft, maar een lager vermogen, namelijk 155 kW tegen 180 kW. 4.28. De Inspecteur heeft als referentieauto gekozen voor een Mercedes GLC 300 4Matic Advantage met een vermogen van 190 kW. Deze referentie auto is, net als de auto een Mercedes GLC 300 4Matic en is wat vermogen betreft, beter vergelijkbaar dan de door belanghebbende aangedragen auto. Belanghebbende heeft met de enkele stelling dat sprake is van dezelfde motorisering, aandrijving en transmissie niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur een te hoge handelsinkoopwaarde heeft gehanteerd. Ad m. Koerslijstmethode; bijstelling markt- en dealersituatie 4.29. Gedurende een gerechtelijke procedure kan worden gekozen voor een andere methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan. Belanghebbende wenst te ‘switchen’ van de taxatiemethode naar de koerslijstmethode, waarbij wordt uitgaan van de handelsinkoopwaarde volgens koerslijst Eurotax en 15% bijstelling wegens de markt- en dealersituatie. 4.30. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur uit had moeten gaan van de koerslijst Eurotax. Zij overlegt hiervoor een Eurotax-koerslijst van een Mercedes GLC 250 4Matic. 4.31. De Inspecteur brengt hiertegen in dat de koerslijst van Eurotax niet kan worden gebruikt, omdat het vermogen van de in de Eurotax-koerslijst gehanteerde voertuig fors afwijkt van de auto. 4.32. Tegenover deze gemotiveerde betwisting door de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Eurotaxkoerslijst bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto gebruikt moet worden. Ad n. Forfaitaire proceskostenvergoeding 4.33. Belanghebbende heeft ook gesteld dat de Rechtbank de Inspecteur tot een te laag bedrag ter vergoeding van de proceskosten heeft veroordeeld. 4.34. Bij het bepalen van de proceskostenvergoeding heeft de Rechtbank zich gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. 4.35. Dit geldt ook als een onjuist bevonden standpunt van de inspecteur in strijd is met het Unierecht. Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3 Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding. In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden. Het enkele feit dat eventueel in strijd met het Unierecht te veel belasting is geheven, waarvan in het onderhavige geval overigens geen sprake is, is daartoe onvoldoende. 4.36. Indien en voor zover belanghebbende tevens heeft willen stellen dat de Rechtbank ten onrechte een factor 0,5 heeft gehanteerd in verband met het gewicht van de zaak, slaagt ook deze grief niet. Ad o. Hoogte immateriële schadevergoeding in beroep 4.37. Bij overschrijding van de redelijke termijn worden spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade geldt als uitgangspunt een tarief van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. De mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden is in beginsel niet van belang. Dat is slechts anders in bijzondere gevallen. De omstandigheid dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven of dat meerdere malen artikel 110 VWEU is geschonden, brengt – anders dan belanghebbende kennelijk betoogt – niet mee dat sprake is van een bijzonder geval zoals zojuist bedoeld. Ook overigens is in het onderhavige geval niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden dan door de Rechtbank is toegekend. 4.38. Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten. Ad p. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep 4.39. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar met meer dan zes maanden maar minder dan een jaar is overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 100, te vergoeden door de Staat. Horen medewerkers DRZ 4.40. Belanghebbende verzoekt om de medewerkers van DRZ te horen. Het Hof ziet daartoe geen aanleiding. Belanghebbende heeft de medewerkers van DRZ niet als getuigen opgeroepen voor de zitting. Op deze mogelijkheid is in de uitnodiging voor de zitting gewezen, maar belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Het Hof gaat daarom voorbij aan het verzoek van belanghebbende. Slotsom De uitspraak van Rechtbank wordt gehandhaafd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 23,35 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934, vermenigvuldigingsfactor 0,10 (artikel 19a Wet BPM)). Opmerking verdient dat het Hof, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, niet langer een punt toekent voor de zitting. 5.2. Opmerking verdient dat voornoemd bedrag, alsmede de immateriële schadevergoeding (zie 4.38), op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4 Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dient te worden uitbetaald. 5.3. Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard, wordt geen griffierecht vergoed. 6 Beslissing Het Hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 100; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 23,35; en bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026. De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (R.F.C. Spek) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687; HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2. HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2. HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3. HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4. HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4. Vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917, r.o. 4.2.3. HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1. HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.12. HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.6. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.6; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8. HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1739, r.o. 4.1.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.14. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1728, r.o. 2.3.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.15. Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10322, r.o. 4.8. 15 HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6989, r.o. 4.5. HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703. Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3011, r.o. 4.11. 22 HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.3. 23 Vgl. HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783. HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.28. HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29. HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, r.o. 2.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335, bijlage (richtsnoer proceskosten). Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6945, r.o. 4.11. Artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan sprake, nu het hogerberoepschrift na 1 januari 2024 is ingediend. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1338, r.o. 3.2. Artikel 19a lid 2 Wet BPM (vermenigvuldigingsfactor 0,1 of 0,25) is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op een proceskostenvergoeding in een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die is bekendgemaakt na 1 januari 2024 (artikel IV, aanhef en letter a Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan sprake, nu de rechtbankuitspraak na 1 januari 2024 is bekendgemaakt. Vgl. ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7995, r.o. 5.1. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1.