Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-08-27
ECLI:NL:GHARL:2026:5561
Het hof heeft verdachte ter zake van (winkel)diefstallen met geweld en bedreiging met geweld, mishandeling van zijn (toenmalige) partner en diefstal van haar telefoon, en openlijk in vereniging plegen van geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daaraan heeft het hof de bijzondere voorwaarden verbonden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Het hof heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tenuitvoerlegging, nu niet is gebleken dat die vordering tijdig is gedaan. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000638-26 Uitspraakdatum: 27 augustus 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden , van 13 februari 2026 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-284371-25 en 18-281236-25, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-016767-23, tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] , ingeschreven te [adres] , volgens eigen opgave zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 13 augustus 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden in overeenstemming met het reclasseringsadvies van 4 juni 2026, waaronder een klinische behandeling van maximaal 12 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. van Rooijen en dhr. [naam] (toezichthouder Reclassering Nederland), hebben aangevoerd. Omvang van het hoger beroep Verdachte is door rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van wat aan hem in de zaak met parketnummer 18-284371-25 onder 3 en 6 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraken. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken in de zaak met parketnummer 18-284371-25 onder 3 en 6. Het vonnis De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte ter zake van twee keer (winkel)diefstal met geweld, mishandeling, diefstal, heling en openlijk geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden enkele bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging, inhoudende een gevangenisstraf van 1 maand, toegewezen. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over (een deel van) de bewezenverklaring en de strafoplegging dan de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat: Zaak met parketnummer 18-284371-25: 1. hij op of omstreeks 17 september 2025 te [plaats 1] vlees en/of snoep en/of broodbeleg, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van die Albert Heijn, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - een medewerker van de Albert Heijn bij de keel te pakken en/of - een medewerker van de Albert Heijn weg te duwen en/of - tegen een medewerker van de Albert Heijn te zeggen dat hij deze in elkaar zou slaan; 2. primair hij op of omstreeks 17 september 2025 te [plaats 1] vlees, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Poiesz, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van de Poiesz, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - tegen medewerker(s) van de Poiesz te zeggen dat hij ze gaat neersteken en/of - een medewerker te duwen; 2. subsidiair hij op of omstreeks 17 september 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om vlees, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Poiesz, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, vlees in een tas heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; welke poging tot diefstal werd vergezeld of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van de Poiesz gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - tegen medewerker(s) van de Poiesz te zeggen dat hij ze gaat neersteken en/of - een medewerker te duwen; 4. hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door [slachtoffer 1] bij de keel te pakken en deze dicht te knijpen en/of op haar te zitten en/of in het gezicht te slaan; 5. primair hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te [plaats 2] een fiets en een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 5. subsidiair hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te [plaats 2] en/of [plaats 1] , een fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Zaak met parketnummer 18-281236-25: hij, op of omstreeks 15 juli 2025 te [plaats 1] , openlijk, te weten, op/aan [straatnaam 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door hem - meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen, en/of - meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen, en/of - met een bierflesje, althans een voorwerp, tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Zaak met parketnummer 18-284371-25: Feit 1, feit 2 primair en feit 4 Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat deze feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, zoals de rechtbank dit ook heeft gedaan. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft in hoger beroep aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van deze feiten. Oordeel van het hof Gelet op de bewijsmiddelen, zoals die hieronder uitgewerkt zijn opgenomen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem tenlastegelegde diefstallen met geweld en bedreiging met geweld en de mishandeling heeft begaan. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Feit 5 primair en subsidiair Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, zoals de rechtbank dit ook heeft gedaan. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft in hoger beroep aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring. Verdachte heeft in eerste aanleg bekend de telefoon van aangeefster te hebben gestolen en heeft aangegeven dat hij de fiets alleen wilde lenen. Oordeel van het hof Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte zoals die zich in het dossier bevindt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de mobiele telefoon van aangeefster heeft gestolen. Het hof acht niet bewezen dat verdachte zich de fiets wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het hof spreekt verdachte vrij van de diefstal en heling van de fiets. Het hof heeft de bewijsmiddelen hieronder uitgewerkt. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Zaak met parketnummer 18-281236-25: Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, zoals de rechtbank dit ook heeft gedaan. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft in hoger beroep aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring. Het verweer van de verdediging dat met betrekking tot het tenlastegelegde plegen van openlijk geweld in vereniging sprake was van noodweer beoordeelt het hof onder het kopje Strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Oordeel van het hof Gelet op de bewijsmiddelen, zoals die hieronder uitgewerkt zijn opgenomen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van openlijk geweld. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen Zaak met parketnummer 18-284371-25 Feit 1 1. De door verdachte ter zitting bij de politierechter van 30 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Op 17 september 2025 bij de Albert Heijn in [plaats 1] heb ik goederen in mijn rugtas gestopt. Dit waren onder andere zakken snoep. Ik wilde deze goederen stelen. Ik liep met de goederen in mijn tas naar de uitgang van de winkel. Ik was het toegangspoortje gepasseerd en werd toen door een medewerker van de Albert Heijn aangesproken. Ik heb deze medewerker geduwd en ik ben uiteindelijk met de goederen in mijn rugtas weggelopen. 2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2025, nummer PL0100-2025252658-2, opgenomen op pagina 33 tot en met 36 van het dossier met nummer PL0100-2025253568, voor zover inhoudende: als verklaring van [slachtoffer 3] Op 17 september 2025, was ik werkzaam bij de Albert Heijn in [plaats 1] . Ik zag dat een man vleeswaren in zijn rugtas stopte. Ik zag dat de man het toegangspoortje opentrok en erdoorheen liep richting de in- en uitgang van de winkel. Ik liep naar de man toe en ging voor hem staan. Om afstand met de man te houden, stak ik mijn arm gebogen uit richting de man. Ik voelde dat de man tegen mijn uitgestoken linkerarm aanliep. Ik voelde dat dit met kracht ging, waardoor de man mij uit balans bracht. Ik zag dat de man zijn arm uitstak richting mijn hals. Ik voelde dat zijn hand rondom mijn hals ging. Ik voelde dat de man daarbij mijn keel stevig vastpakte. Ik voelde dat de man mij wegduwde met de hand die hij om mijn hals had. Dit ging met kracht, waardoor hij mij wederom uit balans bracht. Ik zag dat de man de winkel verliet. Ik zag dat de man op zijn fiets stapte met de rugtas. Ik zag dat deze rugtas vol zat met boodschappen. Ik zag dat de man naar mij omkeek. Ik hoorde de man zeggen: “Ik sla je in elkaar.” Ik bekeek de camerabeelden terug en zag dat de man meerdere goederen had meegenomen in zijn tas. Het gaat om de volgende goederen: - lx Lotus speculoos crunchy; - lx Nutella hazelnootpasta; - lx kip cordon bleu; - lx Haribo tangfastics; - lx Haribo bubbel fizz. 3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2025, nummer PL0100-2025253568-67, opgenomen op pagina 43 en 44 van het onder 2 genoemde dossier, voor zover inhoudende: als relaas van [verbalisant 1] Na het bekijken van de beelden heb ik de volgende bevindingen opgedaan. De verdachte verlaat de winkel middels de toegangspoortjes. Op het moment dat de verdachte de poortjes passeert wordt hij aangesproken door een medewerker van de Albert Heijn. Deze medewerker is gekleed in een witte trui. Wanneer de verdachte de toegangspoortjes is gepasseerd grijpt hij de medewerker door middel van zijn linkerhand bij de keel. De verdachte duwt vervolgens met kracht de medewerker van hem af. De medewerker wordt enkele meters weggeduwd. Vervolgens begint de verdachte te rennen in de richting van de uitgang. Dit betreft enkele meters. Bij het verlaten van de winkel wordt de medewerker nog geduwd door de linkerhand van de verdachte. Gedurende het voorval houdt de verdachte een tas in zijn rechterhand. Feit 2 primair 1. De door verdachte ter zitting bij de politierechter van 30 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Op 17 september 2025 was ik in de Poeisz in [plaats 1] . Ik heb daar vlees in mijn tas gestopt. Het was de bedoeling om dit vlees mee te nemen zonder hiervoor te betalen. Toen ik de winkel wilde verlaten werd ik tegengehouden door een winkelmedewerker en ik moest meekomen naar het kantoor. Ik heb de medewerker met twee handen van mij afgeduwd en ik heb de winkel verlaten. 2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 september 2025, nummer PL0100-2025252959-2, opgenomen op pagina 64 en 65 van het dossier met nummer PL0100-2025253568, voor zover inhoudende: als verklaring van [slachtoffer 4] Ik doe aangifte namens Poiesz Supermarkt [plaats 1] . Verdachte is met een tas vol vlees tegen de richting van de poortjes in gelopen en zo probeerde hij door te lopen naar buiten. Daar heb ik hem met een aantal collega’s aangehouden. Hij dreigde mij met de tekst “raak me niet aan, ik steek je neer”. Daarna heeft hij mij tegen de deur aangeduwd en is hij gevlucht. 3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 oktober 2025, nummer PL0100-2025252854-5, opgenomen op pagina 45 tot en met 47 van het onder 2 genoemde dossier, voor zover inhoudende: als verklaring van [slachtoffer 5] Ik ben werkzaam als assistent-bedrijfsleider bij de supermarkt Poiesz in [plaats 1] . Ik was 17 september 2025 aan het werk in de supermarkt en ik had mijn Poiesz-dienstkleding aan. Ik zat in het kantoor van de winkel en via de camera zag ik een man in een gele trui vanuit dat gangpad naar de vleesafdeling lopen. Ik zag toen, dat de man drie grote stukken vlees uit de diepvries pakte en dat hij die drie pakken in een tas stopte. Het betrof entrecote en rib-eye. Ik zag dat hij daarna verder de winkel inliep. Ik zag dat hij zijn trui uittrok en dat hij die trui in de tas stopte die hij bij zich had. Ik zag dat hij naar de ingang van de winkel liep en dat hij over de entreepoortjes heen stapte, richting uitgang van de winkel. Ik ben toen de winkel ingelopen en mijn collega [slachtoffer 4] en ik zijn toen voor die man gaan staan. Ik zei tegen hem: “Jij hebt diefstal gepleegd, je mag meekomen naar kantoor”. Ik hoorde dat de man direct zei: “Raak me niet aan of ik steek je neer”. Precies dat zei hij. Hij stond toen voor mijn collega [slachtoffer 4] en ik zag dat hij [slachtoffer 4] ineens wegduwde en dat hij wilde vluchten naar de uitgang. Ik zou toen proberen om de tas met gestolen spullen van hem af te pakken, maar dat had [slachtoffer 4] al gedaan. De man rende via de tochtsluis verder naar de uitgang van de winkel. De automatische deuren van de uitgang gingen niet zo snel open en de man draaide zich toen weer om naar ons. Ik hoorde dat hij toen weer zei: “ik steek jullie neer”. Ik voelde me hierdoor bedreigd en ik ben een meter achteruitgegaan om niet te dicht bij die man te komen op dat moment. Feit 4 en 5 primair 1. De door verdachte ter zitting van 30 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Op 25 oktober 2025 was ik in de woning van [slachtoffer 1] in [plaats 2] . We kregen ruzie en ik heb haar toen bij haar hals beetgepakt. Ik heb haar mobiele telefoon gepakt (…). Vervolgens ben ik met de telefoon (…) weggegaan. (…). Ik ben later die dag door de politie aangehouden en ik (…) had de telefoon bij mij. 2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 oktober 2025, nummer 251025-234-307, opgenomen op pagina 104 tot en met 106 van het dossier met nummer PL0100-2025253568, voor zover inhoudende: als verklaring van [slachtoffer 1] [verdachte] heeft mij vannacht mishandeld en heeft een (…) mobiele telefoon weggenomen. Op 25 oktober in mijn woning te [plaats 2] duwde [verdachte] mij naar achteren en hij greep mij bij de keel. Ik hoor u vertellen dat u foto’s wilt maken van het letsel in mijn nek en daar geef ik toestemming voor. Hij greep mij zo hard bij de keel dat ik niet eens antwoord kon geven. Hij bleef mij maar achteruit duwen richting de bank en daar plofte ik neer, op mijn rug. Ik voelde en ik zag dat [verdachte] mee viel en boven op mij terecht kwam. Ik voelde ook zijn volle gewicht bovenop mij. Ik voelde dat hij met zijn knieën bovenop mij zat en mijn keel nog steeds dichtdrukte. Ik voelde dat [verdachte] kracht in zijn vingers en hand zette en daarmee mijn keel dichtkneep. Ik stribbelde tegen en op een gegeven moment voelde ik dat [verdachte] los liet, mij vervolgens op mijn rechter oog/jukbeen sloeg, en mij weer met diezelfde hand bij mijn keel greep en weer dichtkneep. Ik voelde dat [verdachte] zijn kracht in zijn hand op een gegeven moment minder werd en mijn keel los liet. Ik zag dat [verdachte] op stond en aangaf dat hij weg moest (…) en hij pakte ook mijn mobiele telefoon van mij af. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij de telefoon mee nam. Ik zag dat [verdachte] met mijn mobiele telefoon naar de hal liep en (…) vervolgens naar buiten liep. Zaak met parketnummer 18-281236-25: 1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juli 2025, nummer 250715-1699-345, opgenomen op pagina 11 tot en met 13 van het dossier met nummer 2025189557, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] Ik zat vandaag bij [coffeeshop] in [plaats 1] . Ik werd aangevallen door een Marokkaanse man en nog een man van Nederlandse komaf. De beide mannen waren intimiderend naar mij toe. De Marokkaanse man gaf mij een klap op de achterzijde van mijn hoofd, met zijn vuist. Daarna gaf de Marokkaanse man mij een trap tegen mijn benen. Ik zag dat de Nederlandse man naar mij toe kwam. Ik voelde dat ik een klap op mijn gezicht kreeg van de Nederlandse man. De beide mannen hebben mij ook getrapt in mijn rug en op mijn ribben. Dit alles gebeurde, terwijl wij vanaf [straatnaam 5] naar de spoorwegovergang liepen. 2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 juli 2025, nummer PL0100-2025189557-22, opgenomen op pagina 15 tot en met 18 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende: als verklaring van [getuige 1] Ik ben getuige geweest van een mishandeling die heeft plaats gevonden ter hoogte van het spoor aan [straatnaam 2] te [plaats 1] . Ik heb drie mannen gezien. Voor mij bestaat dit uit een (1) slachtoffer en twee (2) aanvallers. Aanvaller 1: een blanke man. Aanvaller 2: een man van Turks of Marokkaanse afkomst. Het slachtoffer stond eerst op de weg met de aanvallers ter hoogte van het spoor aan [straatnaam 2] . Het slachtoffer wilde weglopen richting het fietspad, richting [straatnaam 3] . Toen zag ik dat aanvaller 2 het slachtoffer sloeg en dat het slachtoffer viel. Dit was bij de bankjes bij het standbeeld bij [straatnaam 2] . Ik zag toen dat aanvaller 2 het slachtoffer extreem hard op zijn achterhoofd schopte. Het slachtoffer bedekte zijn hoofd maar dat was niet voldoende. Het leek een beetje alsof aanvaller 2 een voetbal wilde wegtrappen. Dus niet een schoppende beweging naar beneden, maar meer voorwaarts. Ik zag dat het slachtoffer op stond. Ik zag dat het slachtoffer weg wilde lopen van de aanvaller. Ik zag dat aanvaller 2 achter hem aan bleef lopen. Toen zag ik dat aanvaller 2 het slachtoffer nog een paar keer sloeg. Ik zag dat het op het lichaam en schouder was van het slachtoffer. Toen ben ik doorgereden. 3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 juli 2025, nummer PL0100-2025189557-16, opgenomen op pagina 19 tot en met 21 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende: als verklaring van [getuige 2] Op 15 juli 2025 reed ik als bestuurder in mijn auto. Ik stond stil voor het verkeerslicht. Ik zag daar toen dat twee mannen iemand in elkaar sloegen. Dit gebeurde vlak voor mij. Ik zag dat die twee mannen de andere man echt kapotsloegen. Ik zag namelijk dat ze hem wel drie keer oppakten en weer op de grond gooiden. Ik zag dat de beide mannen hem sloegen en schopten. Ze raakten hem overal, zijn lichaam, hoofd en gezicht. Ik ben uit mijn auto gestapt en heb geroepen dat ze moesten stoppen. Ik zag dat de beide mannen wegrenden. Ik zag toen dat er een politieauto aan kwam. Ik heb gelijk de mannen aangewezen die het hadden gedaan. De politie is er toen achteraan gegaan. Ik kan de mannen omschrijven. De ene man was een Marokkaan. De andere man was een blanke man. Ik kan met zekerheid zeggen dat beide mannen die andere man aan het mishandelen waren. Ze hebben beiden geslagen en geschopt. 4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2025, nummer PL0100-2025189557-14, opgenomen op pagina 27 en 28 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende: als relaas van [verbalisant 2] Op 15 juli 2025 kreeg ik melding van een vechtpartij nabij [straatnaam 1] in [plaats 1] . Ik ben hier ter plaatse gegaan. Op de kruising [straatnaam 2] - [straatnaam 4] zag ik een man op het wegdek liggen, naar later bleek [slachtoffer 2] . Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat hij pijn had en hoorde een man die naast hem stond zeggen dat [slachtoffer 2] in elkaar was geslagen door twee mannen. Ik hoorde hem zeggen dat deze twee mannen verderop liepen en ik zag dat hij twee mannen aanwees, welke verderop liepen op [straatnaam 5] . Hierop ben ik naar [straatnaam 5] gereden om deze mannen staande te houden. Ik hield een man staande. De persoon gaf mij mondeling op te zijn: [verdachte] . Terwijl ik [verdachte] staande hield, zag ik ook de andere man die als verdachte werd aangewezen nog op [straatnaam 5] lopen. Ik zag dat [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] hem op mijn verzoek staande hielden en hem later ook aanhielden. Later bleek dit te zijn: [medeverdachte] . 5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 juli 2025, nummer PL0100-2025189557-28, opgenomen op pagina 49 tot en met 54 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende: als verklaring van verdachte Ik gaf hem een duw, toen viel hij over dat muurtje waar hij op zat. Toen stond hij op en was er een vriend van mij. Hij is ook meegenomen, die dag als verdachte. Hij pakte hem vast. Wij liepen naar hem toe en toen ging hij weer wat naar achteren. Dit ging steeds zo door, totdat we bij de stoplichten kwamen. Toen heeft die jongen, die bij mij was, hem getrokken, aan zijn T-shirt. Hij kwam op de grond terecht en kon even niet opstaan. V: Wat heb jij bij hem gedaan? A: Eerst geslagen, toen getrapt op het laatst. Hoofd. Met de vuist. V: Waar heb je hem geschopt? A: Op zijn schouder. Hij stond niet, hij lag. Op het moment dat hij viel, heb ik hem op zijn schouder geraakt. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-284371-25 onder 1, 2 primair, 4 en 5 primair en in de zaak met parketnummer 18-281236-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: Zaak met parketnummer 18-284371-25: 1. hij op 17 september 2025 te [plaats 1] vlees en snoep en broodbeleg die aan Albert Heijn toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen medewerkers van die Albert Heijn, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - een medewerker van de Albert Heijn bij de keel te pakken en - een medewerker van de Albert Heijn weg te duwen en - tegen een medewerker van de Albert Heijn te zeggen dat hij deze in elkaar zou slaan; 2. primair hij op 17 september 2025 te [plaats 1] vlees, dat aan de Poiesz toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen medewerkers van de Poiesz, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - tegen medewerkers van de Poiesz te zeggen dat hij ze gaat neersteken en - een medewerker te duwen; 4. hij op 25 oktober 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door [slachtoffer 1] bij de keel te pakken en deze dicht te knijpen en op haar te zitten en in het gezicht te slaan; 5. primair hij op 25 oktober 2025 te [plaats 2] een telefoon, die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Zaak met parketnummer 18-281236-25: hij op 15 juli 2025 te [plaats 1] , openlijk, aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door hem - meermalen tegen het hoofd en het lichaam te stompen en - meermalen tegen het hoofd en het lichaam te schoppen. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het hof overweegt met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 18-281236-25 tenlastegelegde feit als volgt. In hoger beroep heeft verdachte zijn standpunt herhaald, inhoudende dat aangever een mesje had en, zo begrijpt het hof, hij uit noodweer heeft gehandeld. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank hierover en neemt deze over. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Uit zowel de verklaring van verdachte als de verklaring van aangever [slachtoffer 2] blijkt dat de confrontatie is begonnen bij een muurtje bij [straatnaam 5] in [plaats 1] . Vervolgens hebben aangever, verdachte en de medeverdachte zich verplaatst naar de spoorwegovergang op [straatnaam 2] nabij de stoplichten. Verdachte heeft verklaard dat hij en de medeverdachte steeds naar aangever toeliepen en dat aangever dan weer iets naar achteren ging. Dit ging steeds zo door. Dit past bij de verklaringen van de [getuige 1] en [getuige 2] . Die verklaren over twee duidelijke aanvallers en een slachtoffer. Volgens [getuige 1] wilde het slachtoffer weglopen toen hij werd aangevallen en viel. Hij is daarna weggereden. De [getuige 2] is met de auto blijven staan tot het einde en zag dat de beide aanvallers fors geweld tegen het slachtoffer uitoefenden. Uit de getuigenverklaringen blijkt niet dat het slachtoffer een mesje had of dat hij zich dreigend opstelde richting verdachte en zijn medeverdachte. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in ( het hof begrijpt: op ) een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Dat aangever mogelijk in het begin van de confrontatie een mesje heeft getoond, doet daaraan niet af, hij (het hof begrijpt: verdachte) heeft immers gelegenheid gehad daarna zich aan de situatie te onttrekken. Het hof overweegt daarbij dat verdachte ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet ging wegrennen voor aangever, dat hij niet bekend wilde staan als mietje en niet voor schut wilde staan. Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt dat verdachte één van de agressoren is geweest. Het verweer wordt verworpen. Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het in de zaak met parketnummer 18-284371-25 onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde levert telkens op: diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Het in de zaak met parketnummer 18-284371-25 onder 4 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Het in de zaak met parketnummer 18-284371-25 onder 5 primair bewezenverklaarde levert op: diefstal. Het in de zaak met parketnummer 18-281236-25 bewezenverklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee (winkel)diefstallen met geweld en bedreiging met geweld. Door zo te handelen heeft verdachte laten zien zich niets aan te trekken van het eigendomsrecht van derden en heeft hij overlast bezorgd bij de betreffende supermarkten. Doordat de diefstallen werden gevolgd door geweld en bedreiging met geweld, heeft verdachte ook een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van anderen getoond. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn (toenmalige) partner, waarbij hij onder meer haar keel heeft dichtgedrukt. Hij heeft daarmee ernstig inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Ook heeft hij haar telefoon gestolen, hetgeen opnieuw een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht toont. Het bewezenverklaarde vond bovendien plaats in/vanuit de woning van aangeefster, een plek waar zij zich juist veilig zou moeten kunnen voelen. Verder heeft verdachte openlijk in vereniging geweld gepleegd. Daarbij is het slachtoffer meerdere malen geslagen en geschopt, onder meer tegen zijn hoofd. Algemeen bekend is dat slachtoffers van dergelijke feiten lange tijd last kunnen ervaren van gevoelens van onveiligheid. Daarnaast veroorzaakt in het openbaar gepleegd geweld ook gevoelens van onrust en onveiligheid bij omstanders en de samenleving in het algemeen. Uit het strafblad van verdachte van 17 juli 2026 volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder voor soortgelijke feiten. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee. Gelet op het voorgaande doet enkel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur recht aan de ernst van de feiten. Het hof houdt echter ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals onder andere omschreven in het reclasseringsrapport van 4 juni 2026. Daarin staat onder meer vermeld dat het risico op recidive en ook op letsel hoog is. Verdachte leeft op dit moment op straat en verblijft voornamelijk bij bekenden van hem die (ook) drugs gebruiken. Verdachte kan bij zijn zus terecht, maar heeft aangegeven haar liever niet teveel te willen belasten. Verdachte heeft ter zitting aangegeven graag een tweede kans te willen en open te staan voor een klinische opname bij de [zorginstelling] . Ter zitting in hoger beroep is gehoord [naam] van de reclassering. Hij heeft naar voren gebracht dat verdachte zich aan zijn meldplicht houdt en dat hij zijn afspraken nakomt. Verdachte heeft een intakegesprek gevoerd bij [zorginstelling] en staat daar op de wachtlijst. Na een definitieve uitspraak in onderhavige zaak wordt gekeken naar een startdatum. [zorginstelling] kan geen indicatie geven hoe lang de wachttijd ongeveer zal zijn. De heer [naam] heeft voorts aangegeven dat de verwachting vanuit de reclassering is dat een klinische opname van maximaal 12 maanden aangewezen zal zijn, en dat het van belang is om bij eventuele bijzondere voorwaarden op te nemen dat verdachte ter overbrugging, als de wachttijden oplopen, in een andere kliniek dan [zorginstelling] in [plaats 3] kan worden opgenomen. Daarbij is ook belangrijk dat de overbruggingsperiode niet ten koste gaat van de vermoedelijk noodzakelijke 12 maanden klinische opname in [zorginstelling] . Alles afwegend, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en noodzakelijk. Het hof legt daarbij de bijzondere voorwaarden op zoals die door de reclassering zijn geadviseerd (en zoals ze onderaan het arrest uitgewerkt zijn opgenomen), te weten een: Meldplicht bij de reclassering; Opname in een zorginstelling (inclusief een eventuele overbruggingsplek); Ambulante behandeling; Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang; Dagbesteding; Beheersing middelengebruik. Het hof beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde bijzondere voorwaarden. Hierbij is van belang dat de onder 1, 2 primair en 4 en het in de zaak met parketnummer 18-281236-25 bewezenverklaarde misdrijven zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarnaast overweegt het hof dat er, onder meer gelet op de ernst van de in korte tijd gepleegde geweldsfeiten, de verslavingsproblematiek van verdachte en de inschattingen van de reclassering over het recidiverisico ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom zulke misdrijven zal begaan. Daarnaast is verdachte erbij geholpen als het reclasseringstoezicht ononderbroken door zal lopen. Vordering tenuitvoerlegging parketnummer 18-016767-23 Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 19 juni 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde. De advocaat-generaal heeft zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat niet is gebleken dat de vordering tenuitvoerlegging binnen drie maanden voor het einde van de aan de voorwaardelijk opgelegde straf verbonden proeftijd, en dus tijdig, is gedaan. Het hof stelt voorop dat artikel 6:6:21 Sv geen termijn vermeldt waarbinnen de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden ingediend. Zij constateert dat voorheen in de wet (artikel 14g Sv oud) stond vermeld dat een vordering tot tenuitvoerlegging moet worden ingediend binnen drie maanden na het verstrijken van de proeftijd. Het hof ziet in de Memorie van Toelichting bij de Wet usb noch anderszins een aanknopingspunt dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om deze termijn te laten vervallen. Zij gaat daarom uit van een omissie van de wetgever bij de inwerkingtreding van de Wet usb en zal - mede met het oog op de rechtszekerheid - de eerder bij wet geregelde termijn van drie maanden als uitgangspunt nemen. Het hof concludeert, net als de advocaat-generaal, dat niet is gebleken dat de vordering tenuitvoerlegging tijdig is gedaan. Gelet op het voorgaande verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering. Wetsartikelen De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 141, 300, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-284371-25 onder 3 en 6 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-284371-25 onder 1, 2 primair, 4 en 5 primair en in de zaak met parketnummer 18-281236-25 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-284371-25 onder 1, 2 primair, 4 en 5 primair en in de zaak met parketnummer 18-281236-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarden dat: verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak. de verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te weten de [zorginstelling] , dan wel een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De opname duurt maximaal 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing. de verdachte zich, in het geval dat plaatsing in [zorginstelling] in [plaats 3] niet direct mogelijk mocht blijken te zijn, tot het moment waarop plaatsing in [zorginstelling] in [plaats 3] of de beoogde soortgelijke zorginstelling wel mogelijk is, ter overbrugging tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk vindt, zo spoedig mogelijk laat opnemen in een door de reclassering te bepalen overbruggingskliniek. Deze opname duurt maximaal drie maanden. de verdachte zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De behandeling start op indicatie van de reclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat noodzakelijk vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start op indicatie van de reclassering.