Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-08-25
ECLI:NL:GHARL:2026:5483
Verzekeringsrecht; uitleg polis en polisvoorwaarden: na sloop gerealiseerde nieuwbouwwoning valt niet onder de dekking van de opstalverzekering. De assurantietussenpersoon heeft zijn zorgplicht geschonden. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof: 200.351.731 en 200.352.545 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 308385 arrest van 25 augustus 2026 in de zaak met zaaknummer 200.351.731 van [appellant in 200.351.731] ( [de verzekeraar] ) die is gevestigd in [vestigingsplaats1] advocaat: mr. P.M. Leerink tegen [geïntimeerde sub 1 in 200.351.731 en appellant sub 1 in 200.352.545] ( [verzekerde1] ) [geïntimeerde sub 2 in 200.351.731 en appellante sub 2 in 20.352.545] ( [verzekerde2] ) die beiden wonen in [woonplaats] hierna samen: [de verzekerde] in mannelijk enkelvoud advocaat: mr. D.B. Dubach en in de zaak met zaaknummer 200.352.545 van: [geïntimeerde sub 1 in 200.351.731 en appellant sub 1 in 200.352.545] ( [verzekerde1] ) [geïntimeerde sub 2 in 200.351.731 en appellante sub 2 in 20.352.545] ( [verzekerde2] ) die beiden wonen in [woonplaats] hierna samen: [de verzekerde] in mannelijk enkelvoud advocaat: mr. D.B. Dubach tegen [geïntimeerde in 200.352.545] B.V. ( [de verzekeringstussenpersoon] ) die is gevestigd in [vestigingsplaats2] hierna: [de verzekeringstussenpersoon] advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker 1 Het verloop van de procedures in hoger beroep 1.1. In de zaak tussen [de verzekeraar] en [de verzekerde] heeft [de verzekeraar] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) op 29 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken . [de verzekerde] heeft in die zaak op zijn beurt ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld. In de zaak tussen [de verzekerde] en [de verzekeringstussenpersoon] heeft alleen [de verzekerde] hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis en wel enkel voor het geval dat hij in de andere zaak in het ongelijk wordt gesteld. 1.2. Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak tussen [de verzekeraar] en [de verzekerde] blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en vermeerdering van eis de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep een akte van [de verzekeraar] een akte van [de verzekerde] het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 18 mei 2026 is gehouden. 1.3. Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak tussen [de verzekerde] en [de verzekeringstussenpersoon] blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van (voorwaardelijke) grieven de memorie van antwoord een akte van [de verzekerde] het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 18 mei 2026 is gehouden. 1.4. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. [de verzekerde] heeft voor zijn woonhuis een opstalverzekering gesloten met [de verzekeraar] . Hij werd daarin bijgestaan door zijn [de verzekeringstussenpersoon] . In 2023 is de woning gesloopt en heeft [de verzekerde] op dezelfde plek een nieuwbouwwoning gerealiseerd. Kort na de oplevering van de nieuwbouwwoning is deze door brand verloren gegaan. [de verzekeraar] heeft geweigerd om tot uitkering over te gaan omdat [de verzekerde] zijn mededelingsplicht zou hebben geschonden. [de verzekeraar] heeft de verzekeringsovereenkomst vervolgens met terugwerkende kracht tot het moment van de sloop van de oude woning beëindigd. 2.2. [de verzekerde] heeft bij de rechtbank in de zaak tegen [de verzekeraar] gevorderd dat de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst wordt vernietigd, dat de rechtbank voor recht verklaart dat [de verzekeraar] dekking voor de brandschade moet verlenen en dat zij wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op de uitkering ter hoogte van een bedrag van € 183.003,08. Daarnaast heeft [de verzekerde] gevorderd dat [de verzekeraar] wordt veroordeeld tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten. Voor het geval dat [de verzekeraar] in het gelijk wordt gesteld, vorderde [de verzekerde] in de zaak tegen [de verzekeringstussenpersoon] dat zij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 396.810,01 aan schadevergoeding (het bedrag dat [de verzekeraar] bij dekking zou hebben uitgekeerd) omdat [de verzekeringstussenpersoon] haar zorgplicht heeft geschonden door hem niet juist te adviseren. Daarnaast heeft [de verzekerde] gevorderd dat [de verzekeringstussenpersoon] in dat geval wordt veroordeeld tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten. 2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de nieuwbouwwoning onder de dekking van de opstalverzekering valt en dat zich geen weigeringsgrond voordoet. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat [de verzekeraar] niet bevoegd was om de verzekeringsovereenkomst te beëindigen, omdat [de verzekerde] tijdig heeft voldaan aan zijn contractuele mededelingsplicht ten aanzien van risicowijzigingen (namelijk de start van de bouw van de nieuwbouwwoning en de oplevering daarvan). De rechtbank heeft de vorderingen tegen [de verzekeraar] toegewezen, met uitzondering van de ingangsdatum van de wettelijke rente. De vorderingen van [de verzekerde] tegen [de verzekeringstussenpersoon] heeft de rechtbank afgewezen met veroordeling van [de verzekerde] in de proceskosten. 2.4. De bedoeling van het hoger beroep van [de verzekeraar] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. [de verzekerde] heeft in incidenteel hoger beroep in de zaak tegen [de verzekeraar] zijn eis vermeerderd, in die zin dat hij nu ook vordert dat [de verzekeraar] wordt veroordeeld om hem te compenseren voor de proceskostenveroordeling in de zaak tegen [de verzekeringstussenpersoon] , te vermeerderen met wettelijke rente. Daarnaast is zijn hoger beroep erop gericht dat de ingangsdatum van de wettelijke rente over het voorschot op de uitkering wordt toegewezen per de datum waarop die werd geweigerd (en niet per de datum van taxatie van de schade). 2.5. De bedoeling van het hoger beroep van [de verzekerde] in de zaak tegen [de verzekeringstussenpersoon] is dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen als hij in de zaak tegen [de verzekeraar] in hoger beroep alsnog in het ongelijk wordt gesteld. 2.6. Het hof zal de vorderingen van [de verzekerde] tegen [de verzekeraar] afwijzen, omdat de nieuwbouwwoning niet onder de dekking van de opstalverzekering valt. De vorderingen van [de verzekerde] tegen [de verzekeringstussenpersoon] zullen worden toegewezen, omdat [de verzekeringstussenpersoon] haar zorgplicht als assurantietussenpersoon heeft geschonden. Het hof licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof De feiten 3.1. De rechtbank heeft in haar vonnis de feiten vastgesteld. Het hof neemt de feiten uit rechtsoverweging 3.2 tot en met 3.14 over. De nieuwbouwwoning is niet verzekerd 3.2. [de verzekerde] beroept zich op nakoming van de verzekeringsovereenkomst. Volgens hem valt ook de nieuwbouwwoning onder de verzekeringsdekking en heeft zich een verzekerd risico (schade door brand) voorgedaan met een uitkeringsplicht voor [de verzekeraar] . [de verzekeraar] betwist allereerst dat de nieuwbouwwoning onder de lopende woonhuisverzekering verzekerd was. Volgens haar is enkel de woning die gesloopt is om ruimte te maken voor de nieuwbouwwoning door haar in dekking genomen. De nieuwbouwwoning is nimmer ter verzekering aangemeld en zou na melding van de sloop van de oude woning ook niet zijn geaccepteerd omdat [de verzekeraar] geen bouwprojecten verzekert. De nieuwbouwwoning valt volgens [de verzekeraar] ook niet onder de dekkingsomschrijving in de polis(voorwaarden) omdat deze nimmer bewoond is geweest en bijna twee keer zo groot is als de oude woning. 3.3. In artikel 1 van de toepasselijke bijzondere polisvoorwaarden is het verzekerd object als volgt beschreven: “1. Wat is verzekerd? Verzekerd is het woonhuis dat op het polisblad staat.” 3.4. Het polisblad vermeldt [adres1] . Verder is daarop, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “Bestemming: Particuliere bewoning Bewoning: Bewoond Bouwaard: Steen/hard Bouwaard dak: Harde dekking Bouwaard muren: (Grotendeels) Steen Fundering: Meeverzekerd” 3.5. Het hof constateert dat partijen van mening verschillen over de inhoud van de verzekeringsovereenkomst, in het bijzonder over de reikwijdte van de dekkingsomschrijving. Eerst dienen het polisblad en de polisvoorwaarden dan ook te worden uitgelegd. Daarbij gaat het om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Omdat tussen partijen niet is onderhandeld over die bepalingen, is de uitleg met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de gekozen bewoordingen, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. 3.6. In feite komt de betekenis die [de verzekerde] aan de dekkingsomschrijving geeft erop neer dat het verzekerde object uitwisselbaar is, zolang het maar aan de omschrijving als vermeld op het polisblad (zie hierboven in rechtsoverweging 3.4) voldoet. Het hof is van oordeel dat [de verzekerde] dat mede gelet op de aard van het verzekerde object redelijkerwijs zo niet heeft kunnen opvatten. Het had voor [de verzekerde] duidelijk moeten zijn dat [de verzekeraar] enkel de wil heeft gehad om de ter verzekering aangeboden woning in dekking te nemen. [de verzekeraar] heeft gemotiveerd gesteld dat bij het sluiten van een opstalverzekering een risicoanalyse wordt gemaakt en dat de premie en de polisvoorwaarden daarop worden afgestemd. Dit moest ook voor [de verzekerde] , bijgestaan door een assurantietussenpersoon, duidelijk zijn. Een grotere, luxere woning kan immers nopen tot een ander verzekerd bedrag en een andere premie en mogelijk ook tot andere polisvoorwaarden. [de verzekerde] erkent ook dat de grootte van de nieuwe woning mogelijk nog tot een aanpassing van de premie had geleid. [de verzekerde] kon op grond van de dekkingsomschrijving dus niet zonder meer verwachten dat elke stenen woning op [adres1] onder deze verzekering viel. Dat bij een eerdere verhuizing van [de verzekerde] enkel het adres en de hoogte van de premie op de polis is gewijzigd maar de dekkingsomschrijving en de polisvoorwaarden ongewijzigd zijn gebleven, doet daar, anders dan [de verzekerde] meent, niet aan af. Nog afgezien van het feit dat uit de door [de verzekeraar] overgelegde polisbladen blijkt dat de eerdere verhuizing heeft geleid tot afgifte van een nieuwe polis met een nieuw polisnummer (van [nummer1] naar [nummer2] ), gaat het erom dat [de verzekeraar] de afweging of en, zo ja, onder welke voorwaarden zij een woning in dekking wil nemen actief maakt. Die afweging heeft zij bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst enkel gemaakt met betrekking tot de oude woning. Nergens uit blijkt dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst andersluidende afspraken hebben gemaakt. Voor uitwisselbaarheid van woningen zijn ook geen aanknopingspunten voorhanden in de polisvoorwaarden. Wel zijn daarin mogelijke risicowijzigingen ten aanzien van het verzekerde object geregeld, maar niet de volledige vervanging daarvan. [de verzekerde] heeft dus redelijkerwijs niet kunnen begrijpen dat de verzekeringsovereenkomst ook betrekking heeft op de nieuwbouwwoning. 3.7. Daar is ook geen verandering in gekomen door het contact tussen [de verzekeringstussenpersoon] en de gevolmachtigde van [de verzekeraar] in september 2019 met betrekking tot de verzekering van de paardenstal. In de mailwisseling (zie rechtsoverweging 3.4 van het bestreden vonnis) is aangegeven dat [de verzekerde] er misschien te zijner tijd even in willen wonen in verband met een nieuw te bouwen huis. De voorgenomen sloop van de verzekerde woning is daarin niet met zoveel woorden genoemd, maar is volgens [de verzekeringstussenpersoon] wel telefonisch tussen hen ter sprake gekomen. Wat daar ook van zij, ten tijde van deze e-mailwisseling was er nog geen concreet zicht op de sloop. Dat de verzekeringsovereenkomst met betrekking tot de oude woning toen onverkort is voortgezet, zegt dan ook niets over bedoeling van [de verzekeraar] na de sloop. Vast staat dat de daadwerkelijke aanvang van de sloop van de oude woning in februari 2023 niet meer aan [de verzekeraar] is gemeld. Aan de feitelijke invulling die partijen in de loop der tijd hebben gegeven aan hun contractuele verhouding, heeft [de verzekerde] dan ook redelijkerwijs geen andere verwachtingen kunnen ontlenen. 3.8. Daar komt nog bij dat de nieuwbouwwoning nimmer bewoond is geweest en ook daarom niet aan de dekkingsomschrijving voldoet. 3.9. Dit betekent dat de schade door brand aan de nieuwbouwwoning niet onder de woonhuisverzekering is gedekt. [de verzekeraar] is dan ook niet gehouden om tot uitkering over te gaan. Of het niet melden van de sloop van de oude woning als een beëindigingsgrond (met terugwerkende kracht) kan worden aangemerkt en of een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, kan daarom in het midden blijven. [de verzekerde] heeft niet gesteld dat zij ook in de situatie dat de nieuwbouwwoning niet onder de dekking valt belang heeft bij vernietiging van de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst, zodat aan de beoordeling daarvan niet wordt toegekomen. 3.10. Omdat [de verzekerde] geen concrete feiten heeft gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het bewijsaanbod van [de verzekerde] wordt daarom gepasseerd. Conclusie in de zaak tussen [de verzekeraar] en [de verzekerde] 3.11. Het (principaal) hoger beroep van [de verzekeraar] slaagt en het (incidenteel) hoger beroep van [de verzekerde] slaagt niet. Het hof zal de beslissingen in rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.6 van het bestreden vonnis dan ook vernietigen en de vorderingen van [de verzekerde] alsnog afwijzen. 3.12. Vaststaat dat [de verzekeraar] ter uitvoering van die beslissingen in het vonnis is overgegaan tot uitkering van het door de taxateurs van [de verzekeraar] en [de verzekerde] vastgestelde schadebedrag van € 396.821,01. Als gevolg van de vernietiging van het vonnis is dat bedrag onverschuldigd betaald. De vordering van [de verzekeraar] tot terugbetaling van dat bedrag is dan ook toewijsbaar, met dien verstande dat de wettelijke rente over € 367.339,06 toewijsbaar is per 26 maart 2025 en het restant van de onverschuldigd betaalde verzekeringsuitkering van € 29.481,95 per 26 september 2025. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de verzekeraar] haar vordering in zoverre verminderd. [de verzekerde] heeft niet betwist dat die bedragen op die data aan [de verzekerde] zijn overgemaakt. 3.13. Omdat [de verzekerde] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof [de verzekerde] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.14. Deze veroordelingen kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). [de verzekerde] is ontvankelijk in hoger beroep in de zaak tussen [de verzekerde] en [de verzekeringstussenpersoon] 3.15. heeft betoogd dat [de verzekerde] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het vonnis zou kwalificeren als tussenvonnis en [de verzekerde] niet het in artikel 337 lid 2 Rv vereiste verlof voor tussentijds appel heeft gevraagd laat staan verkregen. In rechtsoverweging 5.26 van het vonnis heeft de rechtbank overwogen dat, omdat de primaire vorderingen van [de verzekerde] jegens [de verzekeraar] worden toegewezen, zij niet toekomt aan een beoordeling van de subsidiaire vorderingen van [de verzekerde] jegens [de verzekeringstussenpersoon] . Volgens [de verzekeringstussenpersoon] is er dus “in het geschil tussen [de verzekerde] en [de verzekeringstussenpersoon] geen einde gemaakt aan hetgeen partijen verdeeld houdt”. 3.16. Het hof volgt [de verzekeringstussenpersoon] niet in dit verweer. Het vonnis is ook ten opzichte van [de verzekeringstussenpersoon] een eindvonnis. Met de overweging in het dictum “wijst het meer of anders gevorderde af” heeft de rechtbank evident ook een einde aan het geschil tussen [de verzekerde] en [de verzekeringstussenpersoon] gemaakt. Dat volgt ook rechtsoverweging 5.28 van het vonnis waarin staat dat “de vorderingen van [de verzekerde] jegens [de verzekeringstussenpersoon] niet zijn toegewezen” en uit de door de rechtbank ten laste van [de verzekerde] en ten behoeve van [de verzekeringstussenpersoon] uitgesproken proceskostenveroordeling. Dat de rechtbank geen inhoudelijke beoordeling heeft gegeven ten aanzien van de door [de verzekerde] aan [de verzekeringstussenpersoon] gemaakte verwijten maakt dit niet anders, omdat de rechter niet altijd een inhoudelijk oordeel hoeft te geven om een vordering af te kunnen wijzen. Ten overvloede merkt het hof op dat ook overigens uit het vonnis op geen enkele wijze blijkt dat de rechtbank nog verdere processuele stappen in het geding in eerste aanleg tussen [de verzekerde] en [de verzekeringstussenpersoon] heeft voorzien, en [de verzekeringstussenpersoon] noemt die ook niet. Ook daaruit volgt dat de rechtbank haar vonnis ook voor zover gewezen tussen [de verzekerde] en [de verzekeringstussenpersoon] als eindvonnis heeft bedoeld. [de verzekerde] is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep. 3.17. Dat het hof nu als enige feitelijke instantie inhoudelijk oordeelt over deze voorwaardelijke vordering, is geen reden om de zaak niet zelf af te doen en terug te wijzen naar de rechtbank. Het hof mag een zaak immers enkel terugwijzen indien de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen, hetgeen aan de orde is wanneer de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen of ten onrechte ontslag van de instantie heeft verleend. Die situatie doet zich hier niet voor. [de verzekeringstussenpersoon] heeft als assurantietussenpersoon zijn zorgplicht geschonden en is schadeplichtig 3.18. [de verzekerde] stelt dat [de verzekeringstussenpersoon] niet heeft voldaan aan haar zorgplicht en informatieplicht als assurantietussenpersoon door, terwijl zij al vanaf 2019 bekend was met de sloop- en bouwplannen van [de verzekerde] , hem er niet op te wijzen dat in verband met die plannen de woonhuisverzekering moest worden aangepast. Het gevolg daarvan is dat de woonhuisverzekering van [de verzekerde] geen dekking biedt voor zijn schade. [de verzekeringstussenpersoon] moet daarom instaan voor de door hem geleden schade, aldus [de verzekerde] [de verzekeringstussenpersoon] betwist aansprakelijkheid. Zij stelt zich allereerst op het standpunt dat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat sloop van de woning tot beëindiging van de lopende opstalverzekering zou leiden. Verder voert [de verzekeringstussenpersoon] aan dat doordat [de verzekerde] haar – ondanks haar verzoek daartoe – niet heeft geïnformeerd over het daadwerkelijke moment van sloop en van aanvang en afronding van de nieuwbouwwoning, zij [de verzekeraar] daarover niet heeft kunnen informeren. 3.19. Het hof stelt voorop dat een assurantietussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken over de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. 3.20. Vaststaat dat er geen verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen met de nieuwbouwwoning als verzekerd object (zie rechtsoverwegingen 3.6 tot en met 3.9). Als onbetwist staat ook vast dat [de verzekeringstussenpersoon] kennis had van de sloop- en nieuwbouwplannen van [de verzekerde] Die waren in 2019 aan de orde geweest (zie rechtsoverweging 3.4 van het vonnis) en [de verzekeringstussenpersoon] erkent dat zij in 2021 een opzet heeft gemaakt voor de financiering van de nieuwbouw waarbij [de verzekerde] heeft gezegd dat de nieuwbouw wellicht in 2023 zou plaatsvinden. 3.21. Naar het oordeel van het hof had [de verzekeringstussenpersoon] als professioneel assurantietussenpersoon moeten onderkennen dat de sloop van de oude woning en bouw van een nieuwe woning relevant was voor de vraag of de nieuwbouwwoning onder de dekking van de bestaande woonhuisverzekering zou vallen, ook zonder dat [de verzekeraar] haar daarop had gewezen. Juist [de verzekeringstussenpersoon] had zonder meer moeten begrijpen dat [de verzekeraar] een afweging zou moeten maken of en, zo ja, onder welke voorwaarden zij de nieuwbouwwoning in dekking zou willen nemen. Dat geldt temeer nu, zoals [de verzekeringstussenpersoon] in haar conclusie van antwoord heeft opgemerkt, de eerdere verhuizing naar [adres1] ook tot aanpassing van de woonhuisverzekering en een nieuw polisnummer heeft geleid. Voor zover [de verzekeringstussenpersoon] op grond van de dekkingsomschrijving op het polisblad en de polisvoorwaarden bij de verzekering twijfelde over de vraag of een nieuw te bouwen woning onder de bestaande verzekering zou vallen, rustte op haar de plicht om daarover uitsluitsel te krijgen van [de verzekeraar] . Dat heeft zij nagelaten. Omdat [de verzekeringstussenpersoon] had behoren te begrijpen dat sloop en nieuwbouw zouden (kunnen) leiden tot het onverzekerd zijn van de nieuwbouwwoning, had zij [de verzekerde] tijdig opmerkzaam moeten maken op dat risico. Dat heeft zij niet gedaan. Daarmee heeft zij in strijd met de op haar rustende zorgplicht gehandeld. 3.22. [de verzekeringstussenpersoon] heeft nog aangevoerd dat, omdat [de verzekerde] haar nooit op de hoogte heeft gesteld van de aanvang van de (sloop)werkzaamheden, zij ervan mocht uitgaan dat de plannen niet zouden worden verwezenlijkt. Volgens [de verzekerde] was [de verzekeringstussenpersoon] wel degelijk op de hoogte van het feit dat de plannen door zouden gaan. Zij wijst er in dat kader op dat [de verzekeringstussenpersoon] in 2021 nog een financieringsopzet voor de nieuwbouw maakte en [de verzekerde] toen verwees naar [bank1] om na te gaan of [bank1] bereid zou zijn tot verstrekking van een hogere hypothecaire geldlening, en dat [de verzekerde] in 2022 via [de verzekeringstussenpersoon] nieuwe levensverzekeringen heeft afgesloten. Het hof oordeelt dat [de verzekeringstussenpersoon] in het licht van deze contacten met [de verzekerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij redelijkerwijze mocht aannemen dat de bouwplannen geen doorgang zouden vinden. [de verzekeringstussenpersoon] heeft zich er, zoals zij ter zitting bij het hof heeft erkend, ook niet van vergewist dat die veronderstelling juist was. Dit had wel op haar weg gelegen als deze veronderstelling de reden was van het niet informeren van [de verzekerde] en/of [de verzekeraar] . Uit de stellingen van [de verzekeringstussenpersoon] blijkt echter dat het niet waarschuwen van [de verzekerde] is gelegen in het feit dat [de verzekeringstussenpersoon] het gevaar van het onverzekerd raken niet heeft onderkend. Omdat [de verzekeringstussenpersoon] [de verzekerde] er nooit op heeft gewezen dat vernieuwing dan wel aanpassing van de woonhuisverzekering nodig was, kan het [de verzekerde] ook niet worden aangerekend dat zij de aanvang van de sloop, nieuwbouw en oplevering niet aan [de verzekeringstussenpersoon] heeft doorgegeven. [de verzekerde] was door het ontbreken van een waarschuwing immers niet doordrongen van het belang van die mededelingen. Daarom kan in het midden blijven of [de verzekeringstussenpersoon] (zoals zij stelt en [de verzekerde] betwist) aan [de verzekerde] heeft gevraagd die aanvangsdata door te geven. De stelling van [de verzekeringstussenpersoon] dat [bank1] , als extra financier en hypotheekhouder, [de verzekerde] had moeten wijzen op het verzekeren van de nieuwe woning, doet niet af aan haar eigen zorgplicht. 3.23. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [de verzekeringstussenpersoon] toerekenbaar tekort is geschoten en dus schadeplichtig is jegens [de verzekerde] Causaal verband tussen de schade en de beroepsfout 3.24. [de verzekerde] stelt dat hij, als [de verzekeringstussenpersoon] hem wel zou hebben verteld dat de bestaande verzekering geen dekking zou bieden voor de nieuw te bouwen woning, tijdig een nieuwe verzekering zou hebben afgesloten waardoor ook de nieuwbouwwoning verzekerd zou zijn tegen (onder andere) brandschade. [de verzekeringstussenpersoon] betwist dat haar beroepsfout tot schade heeft geleid. Zij wijst erop dat [de verzekerde] ook in het bestek en door [bank1] is gewezen op de noodzaak om voor het nieuwe pand zorg te dragen voor een opstalverzekering en dat hij desondanks heeft nagelaten [de verzekeringstussenpersoon] op de hoogte te stellen van de oplevering. Daardoor heeft [de verzekeringstussenpersoon] niet de mogelijkheid gehad om de nieuwe woning onder de bestaande of een nieuwe opstalverzekering te brengen, aldus [de verzekeringstussenpersoon] . Verder stelt [de verzekeringstussenpersoon] zich op het standpunt dat ook bij tijdige melding van de oplevering geen verzekeringsovereenkomst voor een nieuwe woning tot stand zou zijn gekomen in verband met het zelf (laten) uitvoeren van een rookgasafvoerkanaal en houtkachel. Bovendien heeft [de verzekeraar] de elektrische installatie laten aansluiten door een niet erkend installateur en is de installatie te vroeg in gebruik genomen. Daarbij zijn naar de overtuiging van [de verzekeringstussenpersoon] de installatievoorschriften niet nageleefd. Om die reden had [de verzekeraar] volgens [de verzekeringstussenpersoon] een beroep kunnen doen op artikel 2.1 onder b, derde liggende streepje, van de bijzondere polisvoorwaarden, waarin staat: “Niet verzekerd is schade door een bouw- of een installatiefout. Hiervan is sprake als op het moment van bouwen of installeren geldende bouw- of installatievoorschriften niet zijn nageleefd.” 3.25. Zoals hiervoor is overwogen betreft de beroepsfout van [de verzekeringstussenpersoon] het niet tijdig wijzen van [de verzekerde] op het risico dat de nieuwbouwwoning niet onder de dekking van de bestaande woonhuisverzekering zou vallen. Als [de verzekeringstussenpersoon] dat wel had gedaan, zou [de verzekerde] in de gelegenheid zijn geweest om bij [de verzekeraar] dan wel een andere verzekeraar een verzekering te sluiten die onder andere dekking zou verlenen voor brandschade in de nieuwbouwwoning. Er is niets dat erop wijst dat [de verzekerde] daarvoor niet zou hebben gezorgd, ook niet als hij daarvoor wijzigingen in de bouwplannen had moeten doorvoeren, in het geval [de verzekeraar] en andere verzekeraars hadden laten weten geen woonhuisverzekering te willen afsluiten als hij het rookgasafvoerkanaal en de houtkachel zelf zou (laten) installeren. Het hof zal daarom in het midden laten of die eigen installatie een woning (in alle gevallen, zelfs na inspectie) onverzekerbaar maakt. Wat betreft het niet doorgeven van de opleverdatum merkt het hof, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.21, op dat dit [de verzekerde] niet kan worden aangerekend en dat dit dus niet betekent dat het causaal verband tussen de al eerder gemaakte beroepsfout en de schade wordt verbroken. Bovendien is maar zeer de vraag of [de verzekeringstussenpersoon] – terwijl zij zich niet bewust was van het ontbreken van dekking voor de nieuwbouwwoning onder de bestaande verzekering – binnen de twee dagen tussen oplevering en de brand voor een passende verzekering zou hebben gezorgd. 3.26. Wat betreft de stelling van [de verzekeringstussenpersoon] dat [de verzekeraar] zich had kunnen beroepen op verval van het recht op uitkering omdat de brandschade het gevolg is van een bouw- of installatiefout, geldt dat [de verzekerde] gemotiveerd heeft betwist dat sprake was van een installatiefout of een te vroege ingebruikname van de meterkast. Hij heeft daarbij onder meer verwezen naar een in opdracht van de verzekeraar van de installateur op 2 december 2024 opgesteld onderzoeksrapport van [naam1] BV. Daarin wordt geconcludeerd dat de oorsprong van de brand ligt in een technische oorzaak in de meterkast maar dat er geen onregelmatigheden zijn aangetroffen in de elektrische installatie (voor zover afgebouwd is de elektrische installatie correct en professioneel geïnstalleerd). [de verzekeringstussenpersoon] betwist deze conclusie, onder meer omdat onderliggende stukken ontbreken. Verder heeft zij opgemerkt dat zij niet voor het onderzoek is uitgenodigd. [de verzekerde] heeft nog toegevoegd dat de verzekeraar zich niet langer beroept op een installatiefout en dat de installateur wel degelijk bevoegd was om de installatie uit te voeren. 3.27. Het hof overweegt als volgt. In de zaak tussen [de verzekeraar] en [de verzekerde] heeft de rechtbank geoordeeld dat [de verzekeraar] – gelet op de gemotiveerde betwisting van [de verzekerde] – onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van een fout bij de bouw of een installatiefout op grond waarvan zij dekking zou kunnen weigeren (rechtsoverweging 5.23 van het vonnis). [de verzekeraar] heeft bij haar memorie van grieven laten weten al haar verweren in eerste aanleg te handhaven met uitzondering van het verweer dat de schade het gevolg is van een bouw- of installatiefout. Zij heeft daarom geen grief gericht tegen rechtsoverweging 5.23. Ter zitting bij het hof is namens [de verzekeraar] verklaard dat zij dit verweer heeft laten vallen omdat zij naar aanleiding van het vonnis een onderzoek naar de brandoorzaak heeft laten doen, waaruit naar voren kwam dat de brandoorzaak niet met voldoende zekerheid was vast te stellen. Tegen deze achtergrond heeft [de verzekeringstussenpersoon] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [de verzekeraar] vanwege een installatiefout een (succesvol) beroep op de in artikel 2.1 onder b van de bijzondere voorwaarden genoemde uitsluitingsgrond had kunnen doen. Het causaal verband tussen de beroepsfout en de schade is dus voldoende aannemelijk. Geen eigen schuld [de verzekerde] 3.28. [de verzekeringstussenpersoon] beroep zich op tenminste 50% eigen schuld aan de zijde van [de verzekerde] Daaraan legt zij ten grondslag dat [de verzekerde] haar, ondanks haar verzoek daartoe, niet op de hoogte heeft gesteld van de aanvang van de sloop en nieuwbouw, noch van het moment van oplevering van de nieuwbouwwoning. Daarbij speelt volgens [de verzekeringstussenpersoon] een rol dat [de verzekerde] ook zelf gehouden is om het polisblad en de verzekeringsvoorwaarden te bestuderen en in geval van onduidelijkheden daarover vragen te stellen aan [de verzekeringstussenpersoon] . Verder wijst zij ook in dit kader op de keuze van [de verzekerde] om de installatie van de houtkachel, rookgasafvoerkanaal en de elektrische installatie in eigen beheer uit te voeren en op het niet volgen van installatievoorschriften. [de verzekerde] betwist de gestelde eigen schuld. Hij heeft de adviezen van [de verzekeringstussenpersoon] opgevolgd en mocht daar, gezien de kennis over verzekeringen van [de verzekeringstussenpersoon] , ook op vertrouwen. Fouten met betrekking tot de installatie heeft [de verzekerde] eveneens betwist. 3.29. Wat betreft het niet melden van de aanvang van de sloop en nieuwbouw en van het moment van oplevering, verwijst het hof opnieuw naar rechtsoverweging 3.21. Het nalaten van het doen van deze meldingen kan, zelfs als zou komen vast te staan dat [de verzekeringstussenpersoon] dit aan [de verzekerde] had gevraagd, in de gegeven omstandigheden niet worden aangemerkt als een aan [de verzekerde] toe te rekenen oorzaak van het onverzekerd zijn van de nieuwbouwwoning. Doordat [de verzekeringstussenpersoon] , met wie [de verzekerde] zijn sloop- en bouwplannen had besproken, hem niet had gewaarschuwd dat dat zou kunnen leiden tot een verlies van dekking, was het belang van die meldingen [de verzekerde] immers niet duidelijk. Bovendien is het ook maar zeer de vraag of melding van de sloop-, bouw- en opleverdatum zou hebben geleid tot het afsluiten van een nieuwe woonhuisverzekering. [de verzekeringstussenpersoon] ging er immers van uit dat de nieuwbouwwoning gedekt was onder de bestaande polis. Ook de stelling van [de verzekeringstussenpersoon] dat de schade mede een gevolg is van de aan [de verzekerde] toe te rekenen omstandigheid dat hij zelf niet uit het polisblad en de polisvoorwaarden heeft afgeleid dat hij een nieuwe/ aangepaste woonhuisverzekering nodig had, gaat niet op. [de verzekerde] hoefde niet te controleren of zijn assurantietussenpersoon hem juist voorlichtte. Zoals [de verzekerde] heeft aangevoerd mocht hij op de kennis van de door hem ingehuurde professional vertrouwen. Dat de misgelopen verzekeringsuitkering mede een gevolg is van het niet volgen van installatievoorschriften, volgt het hof evenmin. [de verzekeringstussenpersoon] heeft onvoldoende onderbouwd dat [de verzekeraar] om die reden een beroep op de in artikel 2.1 onder b van de bijzondere voorwaarden genoemde uitsluitingsgrond had kunnen doen (zie rechtsoverweging 3.26). Het beroep op eigen schuld overeenkomstig artikel 6:101 BW faalt dan ook. Omvang van de schade 3.30. [de verzekerde] stelt de schade op € 396.810,01. Op dat bedrag hebben een expert van [de verzekeraar] en een expert van [de verzekerde] op 10 oktober 2023 de schade getaxeerd. Dat bedrag is inmiddels door [de verzekeraar] aan [de verzekerde] (onverschuldigd) uitgekeerd (zie rechtsoverweging 3.11). [de verzekeringstussenpersoon] heeft in eerste aanleg de omvang van de gestelde schade betwist omdat zij bij die taxatie geen partij is geweest. Daar heeft [de verzekerde] tegenin gebracht dat het [de verzekeringstussenpersoon] , die wist dat de schade tussen de verzekerde en verzekeraar vastgesteld ging worden, vrijstond om een expert in te schakelen om de schade zelf vast te stellen. Doordat zij dat niet heeft gedaan, heeft [de verzekeringstussenpersoon] de in de akte van taxatie vastgestelde schade onvoldoende gemotiveerd betwist, aldus [de verzekerde] In hoger beroep heeft [de verzekeringstussenpersoon] slechts haar verweer ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente herhaald. 3.31. Naar het oordeel van het hof heeft [de verzekeringstussenpersoon] onvoldoende gemotiveerd betwist dat en waarom niet kan worden uitgegaan van de door de experts getaxeerde schade. Het hof sluit voor de begroting van de schade daarom aan bij de akte van taxatie en de door [de verzekeraar] uitgekeerde schadevergoeding (€ 396.821,01). Wat betreft de ingangsdatum van de rente heeft [de verzekerde] niet (voldoende) betwist dat over 40% van het bij taxatie vastgestelde bedrag (€ 158.724) de wettelijke rente pas aanvangt per 22 november 2023 en dat de resterende bedragen pas verschuldigd zijn dertig dagen nadat [de verzekerde] de nota’s van herbouw aan [de verzekeraar] ter beschikking heeft gesteld. Ook is onbetwist gesteld dat voor een bedrag van € 25.276 de wettelijke rente is aangevangen per 26 oktober 2024 en voor een bedrag van € 46.000 per 17 november 2024. Verder heeft [de verzekerde] niet betwist dat op de schade het eigen risico van € 100 in mindering dient te worden gebracht. Daarin wordt [de verzekeringstussenpersoon] dan ook gevolgd. Geen bewijslevering 3.32. Omdat [de verzekeringstussenpersoon] geen concrete feiten heeft gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het bewijsaanbod van [de verzekeringstussenpersoon] wordt daarom gepasseerd. De conclusie in de zaak tussen [de verzekerde] en [de verzekeringstussenpersoon] 3.33. Het hoger beroep slaagt. Het hof zal de beslissingen in rechtsoverwegingen 6.7 tot en met 6.9 van het vonnis dan ook vernietigen en [de verzekeringstussenpersoon] alsnog veroordelen tot betaling van € 396.721,01 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente. 3.34. Omdat [de verzekeringstussenpersoon] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de verzekeringstussenpersoon] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 3.35. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad. 4 De beslissing Het hof: in beide zaken 4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 29 januari 2025; in de zaak tussen [de verzekeraar] en [de verzekerde] 4.2. wijst de vorderingen van [de verzekerde] af; 4.3. veroordeelt [de verzekerde] tot terugbetaling aan [de verzekeraar] van het bedrag van € 396.821,01 dat [de verzekeraar] op grond van het vonnis aan [de verzekerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag € 367.339,06 per 26 maart 2025 en over een bedrag van € 29.481,95 per 26 september 2025 tot aan de dag van terugbetaling; 4.4. veroordeelt [de verzekerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [de verzekeraar] tot aan de uitspraak van de rechtbank: € 5.737 aan griffierecht € 132,42 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [de verzekerde] € 3.858 aan salaris van de advocaat van [de verzekeraar] (2 procespunten x het toepasselijke tarief V) en tot betaling van de volgende proceskosten van [de verzekeraar] in hoger beroep: € 6.803,00 aan griffierecht € 146,43 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding aan [de verzekerde] € 7.594 aan salaris van de advocaat van [de verzekeraar] (2 procespunten x het toepasselijke tarief V); 4.5. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 4.7. wijst af wat verder is gevorderd; in de zaak tussen [de verzekerde] en [de verzekeringstussenpersoon] 4.8. veroordeelt [de verzekeringstussenpersoon] tot betaling van een bedrag van € 396.721,01, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 158.724 per 22 november 2023, over een bedrag van € 25.276 per 26 oktober 2024, over een bedrag van € 46.000 per 17 november 2024, en over het restant per de data gelegen dertig dagen na de betaaldata van bij [de verzekeraar] ingediende facturen; 4.9. veroordeelt [de verzekeringstussenpersoon] tot betaling van de volgende proceskosten van [de verzekerde] tot aan de uitspraak van de rechtbank: € 2.626 aan griffierecht € 132,42 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding aan [de verzekeringstussenpersoon] € 7.004 aan salaris van de advocaat van [de verzekerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief VII) en tot betaling van de volgende proceskosten van [de verzekerde] in hoger beroep: € 2.129 aan griffierecht € 148,04 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding aan [de verzekeringstussenpersoon] € 11.238 aan salaris van de advocaat van [de verzekerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief VII); 4.10. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; 4.11. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 4.12. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.P. Heijmans, L.J. de Kerpel-van de Poel en W. Heemskerk en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026. ECLI:NL:RBOVE:2025:490 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604 HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1720 Vergelijk HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122