Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-08-11
ECLI:NL:GHARL:2026:5302
MRB. Tarief GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer BK-ARN 24/1582 uitspraakdatum: 11 augustus 2026 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juli 2024, nummer LEE 22/3022, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1 De Inspecteur heeft met dagtekening 14 juli 2022 aan belanghebbende een Mededeling Motorrijtuigenbelasting Bevestiging automatisch betalen (hierna: de mededeling) gestuurd. Hierin is belanghebbende geïnformeerd dat per tijdvak van 3 maanden een bedrag van € 131 aan motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) is verschuldigd en dat dit in maandelijkse termijnen van respectievelijk € 43, € 44 en € 44 automatisch zal worden geïncasseerd. 1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen. 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 18 juli 2024 gegrond verklaard uitsluitend voor zover deze ziet op de schending van de hoorplicht, de uitspraak op bezwaar vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven, bepaald dat de Inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en de Inspecteur veroordeeld tot betaling van € 26,33 aan proceskosten aan belanghebbende. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door haar gemachtigde, J.T. Wielinga, alsmede [naam1] namens de Inspecteur. 1.6 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 De vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende is vanaf 25 juni 2022 tot heden houder van een motorrijtuig van het merk Toyota, type Yaris Hybrid met kenteken [kentekennummer1] (hierna: de auto). De auto is een zogenoemde hybride auto. De datum eerste toelating is 3 oktober 2013. De CO₂-uitstoot van de auto bedraagt volgens het kentekenregister 79 gram per kilometer. De “massa ledig voertuig” van de auto bedraagt 1.060 kg. Deze gegevens blijken uit de tot de stukken van het geding behorende kentekencheck van de auto. 2.2 In het kentekenregister staat voorts vermeld bij Motor & Milieu onder uitstoot P.3 Brandstof dat er zowel sprake is van Benzine en Elektriciteit opgesomd in twee kolommen. In dezelfde kolommen onder V.7 (co2-uitstoot NEDC) staat bij Benzine 79 g/km en bij Elektriciteit Niet geregistreerd. De Emissieklasse is bij Benzine 5 en bij Elektriciteit Z. 2.3 Op de mededeling is vermeld dat het tarief MRB over een periode van drie maanden € 131 bedraagt. 2.4 Door middel van automatische incasso heeft belanghebbende op 27 juli 2022 € 11 voldaan voor het verkorte tijdvak 25 juni tot en met 2 juli 2022. Voor het tijdvak 3 juli 2022 tot en met 2 oktober 2022 is middels automatische incasso op 27 juli 2022 € 43, op 29 augustus 2022 € 44 en op 27 september 2022 € 44 voldaan. 3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is het antwoord op de volgende vragen: a. of de Inspecteur ten onrechte het tarief van de MRB heeft berekend op basis van alleen de benzinemotor en niet de elektrische motor met de daar bijbehorende CO2-uitstoot van 79 gram per kilometer en het ledig gewicht van 1.060 kg, b. of belanghebbende daartegen in rechte kan opkomen, c. of wijziging van de tariefstelling voor hybride auto’s in 2017 in strijd is met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel en d. of de Inspecteur ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. 3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de in de mededeling genoemde MRB. 3.3 De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het bij deze uitspraak gevoegde proces-verbaal van de zitting. 4 Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid van het bezwaar 4.1 Artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luidt: 1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft: a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of b. een voor bezwaar vatbare beschikking. 2. De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de inhouding zich daartegen niet verzet. Dit is het zogenoemde ‘gesloten stelsel’ van rechtsbescherming. Vooraf over de ontvankelijkheid van het bezwaar 4.2 De mededeling is geen belastingaanslag. Het is ook geen voor bezwaar vatbare beschikking, omdat het geen wettelijke grondslag heeft en ook geen betekenis heeft als het gaat om de wijze van heffen van MRB. Het verschuldigd worden van MRB vloeit rechtstreeks voort uit de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) en niet uit de mededeling. De mededeling heeft dus, anders dan belanghebbende meent, geen rechtsgevolg. Tegen de mededeling kan dus geen bezwaar en beroep worden ingesteld. De belastingplichtige kan wel op grond van artikel 26, tweede lid, van de AWR bezwaar maken tegen het bedrag aan MRB dat hij heeft betaald. 4.3 In eerste aanleg heeft de Rechtbank de Inspecteur gevolgd in diens stelling dat het bezwaar van belanghebbende toch ontvankelijk is, omdat het kan worden aangemerkt als een – prematuur, maar desondanks ontvankelijk – bezwaar tegen de voldoening op aangifte van de MRB. Het Hof ziet geen redenen de Rechtbank daarin niet te volgen. Op deze wijze kunnen de grieven van belanghebbende tegen de hoogte van de MRB dus toch volledig worden beoordeeld door de rechter. Op de zaak betrekking hebbende stukken 4.4 Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. 4.5 Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan (hier: de Inspecteur) binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift, de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt en een verweerschrift kan indienen. 4.6 Tot de op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die de inspecteur heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Stukken die de inspecteur wel heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit, maar die voor de beoordeling van de zaak door de rechter niet (langer) van belang zijn, behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672). 4.7 Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, moet het verzoek tot overlegging van dat stuk worden gehonoreerd. Dit is slechts anders als de inspecteur zich met succes kan beroepen op art. 8:29 Awb (geheimhouding) of als sprake is van misbruik van procesrecht (vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823). 4.8 Belanghebbende heeft in eerste aanleg verzocht om de mededeling MRB van de eerste houder van de auto uit 2013 als gedingstuk in te brengen, maar heeft niet voldoende gemotiveerd aangegeven waarom dat een stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in de onderhavige zaak, mede gelet op de – hierna te bespreken – wijziging van de Wet in 2017. 4.9 Voorts heeft belanghebbende gesteld dat zij ten onrechte geen afschrift van de mededeling heeft ontvangen. 4.10 De verplichting van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb gaat niet zo ver dat de inspecteur ook is gehouden een stuk in het geding te brengen wanneer hij daarover niet meer beschikt en ook niet meer kan beschikken omdat dit stuk is verzonden of uitgereikt aan de belastingschuldige. Verder strekt artikel 8:42, eerste lid, van de Awb niet zover dat niet-bestaande stukken alsnog moeten worden vervaardigd en in het geding moeten worden gebracht. De inspecteur is dus niet verplicht om van de mededeling een kopie te maken teneinde die kopie in een eventuele latere procedure in het geding te kunnen brengen (vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492). De Inspecteur kon in het onderhavige geval daarom volstaan met het inbrengen van een systeemprint van de mededeling. 4.11 Voor het overige heeft belanghebbende niet aangegeven welke op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur niet zijn ingebracht. Verschuldigde MRB 4.12 Belanghebbende stelt dat de Inspecteur de verschuldigde MRB tot een te hoog bedrag heeft berekend, omdat de auto een hybride voertuig is en daarom niet uitsluitend kan worden uitgegaan van een ledig gewicht van 1.060 kg (behorend bij de benzinemotor van de auto) en van een CO2-uitstoot van 79 g/km (behorend bij de benzinemotor van de auto). Er moet, aldus nog steeds belanghebbende, bij de bepaling van het tarief van de MRB rekening mee worden gehouden dat de auto ook beschikt over een elektrische aandrijving, waarbij een ledig gewicht van 935 kg hoort en een CO2-uitstoot van (…) 0. 4.13 Op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 1˚ van de Wet (tekst 2022) wordt voor de toepassing van de tariefbepalingen de eigen massa van het motorrijtuig afgerond tot het naaste honderdtal kilogrammen, met dien verstande dat 50 kg naar beneden wordt afgerond. In artikel 2, sub k, van de Wet wordt “eigen massa” omschreven als “de massa van het voertuig in bedrijfsvaardige staat met inbegrip van de bedrijfsstoffen, reservedelen en gereedschappen die behoren tot de normale uitrusting”. Zoals hiervoor – onder 2.1 – is vastgesteld bedraagt de eigen massa van de auto 1.060 kg. 4.14 Artikel 23, eerste lid, van de Wet bepaalt dat voor een personenauto de MRB bij een eigen massa in kilogrammen van 1.100 kg over een tijdvak van drie maanden € 52,80 vermeerderd met € 14,20 per 100 kg eigen massa boven 900 kg bedraagt, in totaal derhalve € 81,20 per tijdvak van drie maanden. 4.15 Artikel 22, derde lid, van de Wet luidde tot 31 december 2016: Voor een personenauto of een bestelauto die is ingericht en bestemd om mede te worden aangedreven door een elektromotor wordt, mits de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste 24 km aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel kan worden geleverd, of mits het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximum vermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, de eigen massa van het motorrijtuig verminderd met 125 kg. Deze bepaling is per 1 januari 2017 vervallen. Het hybride karakter van de auto speelt derhalve in het onderhavige jaar in zoverre geen rol meer. 4.16 De belasting wordt verhoogd met een brandstoftoeslag en provinciale opcenten. Brandstoftoeslag is voor de auto niet verschuldigd, de provinciale opcenten zijn in het onderhavige jaar vastgesteld op € 50,02. De totaal verschuldigde MRB per tijdvak van drie maanden bedraagt derhalve (afgerond) € 131. 4.17 In afwijking van de artikelen 23 en 23a bedraagt de belasting: a. voor een personenauto met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer: nihil, en b. voor een personenauto, niet zijnde een personenauto in de zin van artikel 23a, met een CO2-uitstoot van meer dan 0 gram per kilometer maar niet meer dan 50 gram per kilometer: de helft van de ingevolge artikel 23 verschuldigde belasting (artikel 23b van de Wet). 4.18 Zoals hiervoor – onder 2.1 – is vastgesteld is voor de auto een CO2-uitstoot van 79 g/km geregistreerd in het kentekenregister. Deze uitstoot is maatgevend (artikel 23b, tweede lid, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 9, twaalfde lid, van de Wet op belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 en artikel 6a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992). Anders dan belanghebbende meent, is daarbij het hybride karakter van de auto verdisconteerd in de meetmethode. Voor een vermindering van MRB op grond van artikel 23b van de Wet is in het onderhavige geval dus geen ruimte. Ook voor het overige biedt de Wet geen ruimte om rekening te houden met het gewicht van de elektrische motor. 4.19 Gelet op het vorenoverwogene, heeft de Inspecteur de verschuldigde MRB juist berekend. Gelijkheidsbeginsel 4.20 Belanghebbende heeft gesteld dat de wijziging van artikel 22, derde lid, van de Wet, zoals die luidde op 31 december 2016, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en beroept zich in dat kader, naar het Hof begrijpt, op de internationale verdragen. 4.21 Anders dan belanghebbende stelt is een hybride auto niet gelijk aan een volledig elektrisch aangedreven auto. In zoverre is er geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Ook in de regeling van vóór 2017 werd een hybride auto niet gelijk behandeld ten opzichte van een volledig elektrisch aangedreven auto, nu de eerst bedoelde een korting op het gewicht kreeg van 125 kg, terwijl de tweede volledig was vrijgesteld. Naar het oordeel van het Hof, stond het de wetgever vrij om de tot 1 januari 2017 geldende gewichtskorting te laten vervallen. Die keuze is, gelet op de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt, niet evident van redelijke grond ontbloot. 4.22 Ook de omstandigheid dat de CO2-uitstoot van 0 g/km van de elektrische motor van de auto niet leidt tot een vermindering van MRB is niet in strijd met het discriminatieverbod in de internationale verdragen, nu een hybride auto, anders dan een volledig elektrisch aangedreven auto, ook over een benzinemotor beschikt die wel CO2-uitstoot veroorzaakt. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5 Proceskosten en griffierecht Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten of de vergoeding van het griffierecht. 6 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is op 11 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (P. van der Wal) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.