Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-08-11
ECLI:NL:GHARL:2026:5235
GI krijgt regie over zorgregeling en kan bepalen of en wanneer er contactherstel komt en hoe dat er qua vorm, duur, frequentie en opbouw uit moet zien. Niet nagekomen periodiek verrekenbeding. Waarde onderneming man hoeft niet te worden verrekend. Hof stelt stappenplan vast voor verdeling woning. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.356.704/01 (zorgregeling) en 200.356.705/01 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 192876 en 194874) beschikking van 11 augustus 2026 in de zaak van [appellant] (de man), die woont in [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. W.J.A. van Es te Steenwijk, en [geïntimeerde] (de vrouw), die woont op een geheim te houden adres, verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. B.M. Speel-van Dijk te Heerenveen. Als overige belanghebbende is in zaaknummer 200.356.704/01 aangemerkt: de gecertificeerde instelling, Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (de GI), gevestigd te Leeuwarden. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 8 juli 2025; - een brief namens de man van 22 juli 2025 met bijlage(n); - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n); - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n); - een journaalbericht namens de man van 24 mei 2026 met bijlage(n); - een e-mailbericht namens de raad van 1 juni 2026 met bijlage(n); - een e-mailbericht namens de man van 2 juni 2026 met bijlage(n). 2.2 De hierna te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben op 8 juni 2026 ieder afzonderlijk met een raadsheer en een griffier van het hof gesproken en hun mening over contactherstel met de man naar voren gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling is een samenvatting van deze gesprekken gegeven en hebben partijen hierop kunnen reageren. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 9 juni 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voor de behandeling van zaaknummer 200.356.704/01 waren tevens aanwezig twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger van de raad. De vertegenwoordigers van de GI hebben ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde spreekaantekeningen. 3 De feiten en de procedure bij de rechtbank 3.1 Partijen hebben samengewoond vanaf december 2005 en zij zijn [in] 2011 na het aangaan van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2011; en - [de minderjarige2] , geboren [in] 2015, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. 3.2 De vrouw is op 19 juli 2023 met de kinderen uit de echtelijke woning vertrokken. Er is vanaf dat moment geen contact meer geweest tussen de man de kinderen. 3.3 Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 20 december 2023 is voorlopig, totdat partijen daarover zelf andere afspraken maken of op dit punt een nadere beslissing van kracht wordt, de zorgregeling tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de man als volgt bepaald: - de kinderen hebben gedurende een half uur tot een uur onder begeleiding van ATN contact met de man, waarbij de verdere voorwaarden, zoals de locatie en de frequentie, in samenspraak met ATN moeten worden afgestemd. 3.4 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 23 oktober 2024 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd bij beschikking van 6 januari 2026 en loopt nu tot 13 januari 2027. 3.5 Partijen hebben de woning aan [adres] in [plaats1] (hierna ook: de woning) in 2009 in eigendom verkregen, ieder voor de onverdeelde helft. 3.6 In de huwelijkse voorwaarden van 9 augustus 2011 zijn partijen, voor zover in deze procedure van belang, het volgende overeengekomen: Gemeenschap van inboedel Artikel 1 Tussen de echtgenoten bestaat een gemeenschap van inboedel. De echtgenoten sluiten elke andere gemeenschap van goederen uit. (…) Vergoedingsrechten Artikel 4 Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten. (…) Inkomen Artikel 6 1. Onder inkomen in deze huwelijkse voorwaarden wordt verstaan het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen. 2. Ingeval een echtgenoot inkomen heeft in de vorm van winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid, dienen de echtgenoten, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst of van het resultaat voor onttrekking in aanmerking komt en aldus inkomen is als hiervoor bedoeld. (…) 5. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. Kosten van de huishouding Artikel 7 1. De kosten van de huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Indien slechts één van de echtgenoten inkomen heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van desbetreffende echtgeno(o)t(e). Zijn beide inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. 2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning. Tevens behoren daartoe de kosten van aanschaf van de inboedel en van de voor het gezin bestemde auto’s. Indien aan die kosten, waaronder begrepen de kosten van een geldlening die in verband met de aanschaf zijn aangegaan, door beide echtgenoten is bijgedragen, komt de eigendom daarvan aan ieder van hen voor de helft toe. 3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald. 4. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen. 5. Indien de vordering overeenkomstig lid 4 is ingesteld, moet deze direct worden voldaan, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten. Overlijdensrisicoverzekeringen Artikel 8 Premies en koopsommen van een levensverzekering (een ongevallenverzekering daaronder begrepen) en al hetgeen in verband hiermee is verschuldigd, behoren niet tot de kosten van de huishouding en worden uitsluitend gedragen door de echtgenoot die deze krachtens de polis is verschuldigd. Deze premies en koopsommen zijn en blijven uitsluitend voor rekening van de premieplichtige, ook in geval van verrekening van inkomsten als bedoeld in artikel 9. Bij een verrekening van betaalde premies en koopsommen wordt degene die recht heeft op verrekening volledig schadeloos gesteld. Verrekening van inkomsten Artikel 9 1. De echtgenoten zijn verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe. 2. De verrekening vindt plaats, doordat de echtgenoot wiens resterende inkomen groter is dan dat van de andere echtgenoot, de helft van het verschil tussen beide resterende inkomens aan de andere echtgenoot uitkeert. 3. De uitkering geschiedt in geld en vindt, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, plaats binnen een jaar na afloop van het kalenderjaar. 4. Indien de in een jaar bespaarde inkomsten niet overeenkomstig lid 3 zijn verrekend, wordt de waarde van hetgeen met die besparingen is verkregen in de verrekening betrokken. 5. Indien tijdens het huwelijk in het geheel niet is verrekend, wordt het vermogen dat ieder van de echtgenoten bij ontbinding van het huwelijk heeft tot op tegenbewijs geacht met de bespaarde inkomsten te zijn verkregen. 6. Indien een goed voor een deel met bespaard inkomen is gefinancierd, wordt het goed voor het deel dat uit de bespaarde inkomsten is betaald in de verrekening betrokken. Indien een goed met behulp van een lening is verkregen, wordt het goed tot het te verrekenen vermogen gerekend naar de mate waarin rente en/of aflossing van de lening uit de bespaarde inkomsten van een echtgenoot of van beide echtgenoten is voldaan. Opheffing verrekenverplichting Artikel 10 Er bestaat geen verplichting tot verrekening van inkomsten als bedoeld in het vorige artikel: a. gedurende de periode dat de echtgenoten niet samenwonen, tenzij dit berust op een uitdrukkelijke onderlinge afspraak of het gevolg is van overmacht; (…) Verval van rechten Artikel 11 (…) 2. Het recht tot het vorderen van de verrekening als bedoeld in artikel 9 vervalt drie jaar na de ontbinding van het huwelijk of in geval van scheiding van tafel en bed drie jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. (…) Slotverklaringen De verschenen personen verklaarden voorts: (…) d. het van groot belang is dat de in artikel 9 opgenomen verrekening daadwerkelijk jaarlijks zal plaatsvinden, in welk verband zij bij deze -uit praktische overwegingen- overeenkomen als volgt: 1. Het inkomen van ieder van de echtgenoten als bedoeld in artikel 6 zal worden gestort op één of meer bank- of girorekeningen, welke ten name zijn gesteld van de echtgenoten gezamenlijk (en/of); 2. Het saldo van de onder 1. bedoelde rekeningen zal de echtgenoten ieder voor de onverdeelde helft toebehoren. Aldus zal met betrekking tot het onder 1. bedoelde inkomen feitelijk de jaarlijkse verrekening als bedoeld in artikel 9 plaatsvinden. 3.7 De vrouw heeft de echtscheidingsprocedure op 12 december 2023 ingeleid en beide partijen hebben verschillende nevenverzoeken ingediend ten aanzien van de financiële afwikkeling van hun huwelijk, en de kinderen. De man heeft onder meer verzocht een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat er herstel en opbouw van het contact tussen de man en de kinderen plaatsvindt, met als vertrekpunt een half uur tot maximaal een uur per week, uit te breiden in onderling overleg tussen partijen en de kinderen. 3.8 In de bestreden beschikking van 9 april 2025 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 5 juni 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank verder, voor zover in hoger beroep van belang, - verstaan dat partijen afspraken hebben gemaakt over de verrekening van de Peugeot van de man, op grond waarvan de man aan de vrouw € 2.000,- moet betalen; - de wijze van verdeling gelast van de woning in [plaats1] en de opbouwspaarrekening bij de Rabobank, met inachtneming van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening als volgt (“spoorboekje”): - de vrouw dient binnen één week na afgifte van de beschikking schriftelijk drie makelaars aan de man te noemen, waarvan de man er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest en dat schriftelijk aan de vrouw meedeelt. Deze makelaar wordt belast met de taxatie van de woning. Indien de vrouw niet binnen de termijn van één week drie makelaars voorstelt, is de man gerechtigd zelf een makelaar te kiezen. Indien omgekeerd de man niet binnen één week uit de drie voorgestelde makelaars een keuze maakt, is de vrouw gerechtigd om zelf een van de drie makelaars uit te kiezen; - partijen geven binnen 14 dagen na bovenvermelde keuze aan deze makelaar de opdracht om de woning te taxeren tegen de actuele vrije verkoopwaarde. Indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht te verstrekken; - ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie; - de man krijgt gedurende twee maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt en aan partijen is gestuurd de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of de man de woning met de spaarrekening kan overnemen, waarbij: - de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening; en - de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de taxatiewaarde plus de waarde van de spaarrekening, na aftrek van de hypothecaire schuld op het moment van de notariële levering, aan de vrouw zal vergoeden; - indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning en de spaarrekening aan de man plaats te vinden binnen één maand nadat de man de vrouw schriftelijk heeft bericht dat de man de woning kan overnemen; - de kosten van de notariële levering van de woning aan de man komen voor rekening van de man; - indien binnen of na verloop van de hiervoor genoemde termijnen blijkt dat de man de woning niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de man, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde; - partijen moeten dan uiterlijk binnen 14 dagen na de mededeling dat overname niet lukt, dan wel binnen 14 dagen nadat de termijn voor levering is verstreken, gezamenlijk opdracht geven aan de makelaar die de taxatie heeft verricht; - indien partijen niet uiterlijk binnen deze termijn gezamenlijk een verkoopopdracht hebben gegeven aan de makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd deze makelaar – mede als vertegenwoordiger van de ander – opdracht tot verkoop te geven; - partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatste en de kwaliteit van de woning, bepalen; - indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs; - partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens de beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen; - als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning; - na verkoop moet met de verkoopopbrengst en de spaarrekening de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald. Het eventuele restant van de verkoopopbrengst en de waarde van de spaarrekening moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen; - de wijze van verrekening van de onderneming van de man als volgt gelast: - de man moet de vrouw inzage geven in de definitieve jaarcijfers van de onderneming over 2010 en 2011 om het eigen vermogen van de onderneming per 10 augustus 2011 te kunnen berekenen zoals in randnummer 2.6.73 door de rechtbank is overwogen; - voor het eigen vermogen van de onderneming per 12 december 2023 moeten partijen de definitieve jaarcijfers van de onderneming per 31 december 2023 hanteren; - partijen moeten het aldus in 2011 en 2023 te berekenen eigen vermogen corrigeren zoals de rechtbank in randnummer 2.6.74 heeft bepaald; - voor zover het gecorrigeerde eigen vermogen van de onderneming tussen 10 augustus 2011 en 31 december 2023 is toegenomen, heeft de vrouw recht op de helft van de toegenomen waarde en moet de man dit in geld aan de vrouw betalen; - de vrouw gelast om aan de man inzage te geven in de datum en de omvang van de door haar ontvangen restitutie inkomstenbelasting over 2021 en, voor zover zij deze restitutie op of na 12 december 2023 heeft ontvangen, om de helft daarvan aan de man te vergoeden. De rechtbank heeft het verzoek van de man om een zorgregeling vast te stellen afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bepaald is dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt. 4.2 De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij heeft tien grieven tegen de bestreden beschikking opgeworpen en heeft zes verzoeken gedaan tot wijziging/aanvulling van de verzoeken uit eerste aanleg. De grieven en de verzoeken van de man hebben betrekking op de zorgregeling en op de financiële afwikkeling van het huwelijk van partijen. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen met inachtneming van de grieven en de gewijzigde verzoeken en opnieuw beschikkende: 1. een zorgregeling vast te stellen voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en voor advies daarover de jeugdbeschermer van de GI uit te nodigen voor de mondelinge behandeling; ter zake de bankrekeningen van de kinderen: 2. de vrouw te veroordelen tot het verstrekken aan de man van de bankrekeningnummers, Digi-D en inlogcodes voor de bankrekeningen op naam van de minderjarige kinderen, zodanig dat de man toegang heeft en behoudt tot die bankrekeningen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat de vrouw weigert aan de te geven beschikking te voldoen, met een maximum van € 5.000,-; ter zake de toedeling van de auto, Peugeot, aan de man: 3. de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 1.439,83 ter zake de schade aan de Peugeot, de wegenbelasting en verzekeringspremie verschuldigd over de periode dat partijen niet hebben samengewoond en toedeling van de auto aan de man; ter zake de woning in [plaats1] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening: 4. - als deskundige voor de taxatie van de woning te benoemen [naam1] Makelaardij te [plaats1] ; - te bepalen dat [naam1] Makelaardij de onderhandse verkoopwaarde van de woning dient te taxeren naar de datum van 19 juli 2023, althans 12 december 2023, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, dan wel een andere door het hof in goede justitie te bepalen datum; - te bepalen dat ieder van partijen de helft van de kosten draagt van de taxatie; - te bepalen dat beide partijen het recht hebben om persoonlijk – niet in het bijzijn van derden – bij de taxatie van de woning aanwezig te zijn, teneinde de taxateur te wijzen op ‘verborgen gebreken’ van de woning; - te bepalen dat de man gedurende zes maanden nadat de in deze te geven beschikking onherroepelijk is geworden, althans binnen drie maanden na ontvangst van het taxatierapport, de gelegenheid heeft om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of de man de woning kan overnemen, waarbij de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening, en de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire schuld op het moment van de notariële levering aan de vrouw zal vergoeden; - te bepalen dat, indien de man de woning overnemen onder genoemde voorwaarden, de levering van de woning aan de man dient plaats te vinden binnen één maand, nadat de man de vrouw schriftelijk heeft bericht dat de man de woning kan overnemen; - te bepalen dat de kosten van de notariële levering door partijen bij helfte worden gedragen; - voor het overige het ‘spoorboekje’ van de bestreden beschikking vast te stellen; ter zake de opbouwspaarrekening bij de Rabobank met bankrekeningnummer [rekeningnummer] ; 5. Primair: 1. het saldo op de opbouwspaarrekening per juli 2023 bij helfte te verdelen; 2. het rentecontract met de Rabobank aan de man toe te delen; Subsidiair: 1. de vrouw te veroordelen om ter zake de opbouwspaarrekening aan de man te vergoeden vanaf 19 juli 2023 tot de datum van toedeling van de woning aan de man of overdracht van de woning aan derden, de helft van de door hem gedane aflossingen te vermeerderen met de helft van het rendement (de helft van de rente), zijnde een bedrag van € 6.063,48 tot 1 juli 2025 te vermeerderen met de helft van de aflossingen en de helft van het rendement, die de man na deze datum heeft betaald; 2. het rentecontract met de Rabobank aan de man toe te delen; ter zake de verbouw en investeringen en kosten voor de schuur: 6. de vrouw te veroordelen om aan de man ter zake een vergoedingsrecht van de man op de vrouw ter grootte van zijn investeringen in de schuur uit eigen middelen van € 12.182,89 en de vrouw te veroordelen dit bedrag aan de man te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de te geven beschikking; ter zake de waarde verdeling van de auto Peugeot en de kosten wegenbelasting en verzekeringspremie die de man na het vertrek van de vrouw heeft betaald: 7. de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.939,83 aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de te geven beschikking; ter zake de vordering voor kosten van gemeenschappelijke goederen, die ten laste van partijen als deelgenoten komen, ieder bij helfte: 8. de vrouw te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 1.850,- te vermeerderen met de helft van de kosten verbonden aan de woning tot de datum van toedeling van de woning aan de man c.q. de verkoop van de woning aan derden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum; 9. de vrouw te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 328,66, te vermeerderen met de helft van de verzekeringskosten verbonden aan de schuur/loods tot de datum van toedeling van de woning aan de man c.q. de verkoop van de woning aan derden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum; 10. de vrouw te veroordelen inzage te verstrekken in de hoogte van de belastingrestituties op haar naam over de jaren 2021, 2022 en 2023 en de vrouw te veroordelen aan de man de helft van die restituties te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de te geven beschikking; 11. de vordering van de man ter zake overgespaard inkomen die de man in eerste aanleg heeft verzocht toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente van de te geven beschikking. 4.3 De vrouw voert verweer en is op haar beurt met vijf grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Die grieven hebben allemaal betrekking op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden/de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van woning. De vrouw verzoekt het hof: I. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en gewijzigde verzoeken, althans zijn hoger beroep en zijn gewijzigde verzoeken als ongegrond te bepalen en geheel en integraal af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking, voor zover de vrouw daartegen geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld; en in incidenteel hoger beroep, het hof begrijpt onder vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, opnieuw beschikkende te bepalen: II. dat de man binnen zeven dagen na betekening van de te geven beschikking alle medewerking dient te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop van de woning, waarbij het advies van de in te schakelen makelaar ter zake de vraag- en laatprijs bindend zal zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft; III. dat het hof de makelaar benoemt die de verkoop van de woning ter hand zal nemen, waarbij de woning binnen een maand na de te geven beschikking in de verkoop dient te staan; IV. dat de man alle benodigde medewerking aan verkoop van de woning dient te verlenen, inhoudende: - het toelaten van de aangewezen makelaar in de woning; - het afgeven van de sleutel van de woning aan de aangewezen makelaar; - het toelaten van bezichtigingen; - de aanwijzingen van de makelaar in verband met (bespoediging) van de verkoop op te volgen; alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft; V. dat wanneer de man weigert om aan verkoop van de woning mee te werken, de te geven beschikking in de plaats treedt van een voor verkoop van de woning benodigde machtiging van de man; VI. dat indien en voor zover voor wat betreft de voor de waardering van de woning te hanteren peildatum de datum van feitelijk uiteengaan wordt gehanteerd, zijnde juli 2023, de woning en de daarbij behorende hypotheek, onder ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid van de man, en het hypotheekrentecontract, aan de vrouw wordt toegedeeld; VII. dat indien en voor zover het hof de man de mogelijkheid biedt de woning over te nemen, het hof een duidelijk stappenplan vaststelt, inhoudende: - dat ieder der partijen binnen twee weken na de te geven beschikking, buiten aanwezigheid van de ander, de woning in bijzijn van een eigen in te schakelen taxateur dient te laten taxeren; - dat de woning tegen de actuele vrije verkoopwaarde dient te worden getaxeerd; - dat het gemiddelde van beide taxaties geldt als waardebepaling van de woning; - dat ieder der partijen zijn of haar eigen kosten van taxatie draagt; - dat de man binnen een maand nadat de taxaties zijn uitgevoerd schriftelijk en onderbouwd met bewijsstukken aan de vrouw dient aan te geven dat hij de woning en de daaraan verbonden hypotheek en opbouwspaarrekening kan overnemen, waarbij de man de hypotheek onder ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw zal overnemen en de man de helft van de overwaarde op het moment van notariële levering van de woning aan hem aan de vrouw dient te voldoen; - dat wat betreft de te berekenen overwaarde in de woning dient te worden gerekend met de actuele stand van de hypotheekschuld en opbouwspaarrekening per datum notariële levering van de woning aan de man; - dat indien de man de woning onder voornoemde voorwaarden kan overnemen de notariële overname binnen een maand na voornoemde kennisgeving aan de vrouw dient plaats te vinden en de man ten tijde van de notariële levering de aan de vrouw toekomende overwaarde dient te voldoen; - dat de kosten van notariële levering van de woning aan de man voor rekening van de man komen; VIII. dat de man ter zake toedeling van de auto van het merk Peugeot binnen zeven dagen na betekening van de te geven beschikking, naast voldoening van een bedrag van € 2.000,-, een bedrag van € 1.733,89 aan de vrouw dient te voldoen vanwege gemaakte kosten aan de auto en ten onrechte behouden kinderbijslag en dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum geven beschikking; IX. dat de man per datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding tot aan datum overdracht van de woning aan de man, vrouw of een derde een bedrag van € 376,- per maand als gebruiksvergoeding aan de vrouw dient te voldoen; X. dat voor de berekening van het te verrekenen ondernemingsvermogen van de man dient te worden uitgegaan van een eigen vermogen per 31 december 2023 van € 51.012,- en dat de man vanwege het niet nagekomen periodiek verrekenbeding binnen 7 dagen na betekening van de te geven beschikking een bedrag van € 25.506,- aan de vrouw dient te voldoen en dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum van de te geven beschikking. 4.4 De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof om het incidenteel hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren. 4.5 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5 De motivering van de beslissing In de zaak met zaaknummer 200.356.704/01 5.1 Het hof heeft de GI aanvankelijk in deze procedure aangemerkt als informant, maar heeft naar aanleiding van de mondelinge behandeling aanleiding gezien om de GI op grond van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in deze procedure aan te merken als belanghebbende en de GI een afschrift te sturen van deze beschikking. 5.2 Namens de man is ter zitting zijn verzoek om de vrouw op straffe van een dwangsom te veroordelen tot het verstrekken aan hem van de bankrekeningnummers van de kinderen en hun DigiD-inlogcodes ingetrokken, zodat het hof aan de behandeling van dat verzoek niet meer toekomt. De man heeft ook zijn grief over het niet uitnodigen van de GI ter zitting bij de rechtbank ingetrokken, zodat het hof ook die niet zal bespreken. De zorgregeling 5.3 De rechtbank heeft het verzoek van de man om een zorgregeling tussen hem en de kinderen te bepalen afgewezen en daarbij overwogen dat met de afwijzing van dit verzoek de voorlopige zorgregeling, zoals in de beschikking van 20 december 2023 is bepaald, vervalt. 5.4 De man is het daar niet mee eens. De man stelt dat hij sinds 19 juli 2023 geen noemenswaardige contacten meer heeft gehad met de kinderen en hij vindt dat het contact weer moet worden hersteld. De ondertoezichtstelling leidt volgens de man niet tot resultaten op dit punt. 5.5 De vrouw stelt dat zij openstaat voor contactherstel tussen de man en de kinderen onder regie van de GI, maar dat dit nog niet van de grond is gekomen omdat de man niet akkoord gaat met het plan van aanpak van de GI. De vrouw stelt dat zij het contact tussen de man en de kinderen niet tegenhoudt. 5.6 Vast staat dat de man al drie jaren geen contact meer heeft gehad met de kinderen. De kinderen staan sinds 23 oktober 2024 onder toezicht van de GI, waarbij een van de doelen is dat de kinderen opgroeien in een situatie waarbij zij (waar mogelijk) onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Het hof is met de GI van oordeel dat goed onderzocht moet worden wat beide (kwetsbare) kinderen nodig hebben om het contact met de man te herstellen, aangezien er al een lange periode geen contact meer is geweest. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het hof echter gebleken dat het contact tussen de man en de GI verstoord is geraakt en dat de man de voor de kinderen noodzakelijke hulpverlening afwijst. Ter zitting is uitgebreid gesproken over de hulpverlening die de kinderen nodig hebben voor de controle en het bijstellen van hun medicatie. De man geeft geen toestemming om de kinderen hiervoor aan te melden bij [naam2] , omdat in zijn optiek alleen ATN de medicatiecontroles voor de kinderen kan doen, ATN eerder betrokken is geweest bij de kinderen en ook de huisarts een voorkeur voor ATN heeft uitgesproken. De GI wijst echter op de noodzaak van diagnostiek door een organisatie die zich niet alleen op autisme richt, maar ook op andere problematiek, zodat goed kan worden beoordeeld waar de kinderen behoefte aan hebben. De man geeft daarnaast ook geen toestemming voor de individuele therapie die [naam3] , waar de kinderen inmiddels naar toe gaan, wenst in te zetten. De man lijkt zo vast te houden aan wat hij denkt dat het beste is voor de kinderen, dat daardoor de voor de kinderen benodigde hulpverlening niet kan worden ingezet en zij het lastig hebben thuis, op school en op de opvang. De man handelt daarmee naar het oordeel van het hof niet in het belang van de kinderen. De GI heeft naar voren gebracht zich zorgen te maken over de patronen die zij ziet bij de man en over in hoeverre hij op dit moment in staat is onbelast contact met de kinderen te hebben en aan te sluiten bij wat zij nodig hebben. Het hof deelt die zorg. De GI heeft een aantal voorwaarden gesteld waar de man aan moet voldoen voordat contactherstel aan de orde kan komen, waarbij het in de eerste plaats gaat om het weer in gesprek komen met de huidige jeugdbeschermers, het inschakelen van persoonlijke hulpverlening door de man en het onderhouden van contact tussen de persoonlijke hulpverlening van de man, de man en de jeugdbeschermers. De man ziet echter geen mogelijkheden om aan deze voorwaarden te voldoen. Het hof is van oordeel dat dat maakt dat op dit moment geen zorgregeling kan worden vastgesteld en dat nog niet naar contactherstel kan worden toegewerkt. Het hof zal echter, mede gelet op de grote inspanningsverplichting die een rechter heeft om omgang tussen ouders en hun kind mogelijk te maken, het verzoek van de man niet afwijzen. Het hof zal beslissen dat de GI de regie heeft/houdt over de zorgregeling, waarbij het aan de GI is om te bepalen of en wanneer met contactherstel tussen de man en de kinderen kan worden gestart, en hoe dit contact er qua vorm (begeleid of onbegeleid), duur, frequentie en opbouw uit moet komen te zien. Daarbij is het nu aan de man om zich ervoor in te spannen om te voldoen aan de voorwaarden die de GI heeft gesteld en waarvan het hof vindt dat de GI die terecht heeft gesteld. Voor zover de man stelt dat hij daartoe medisch niet in staat is, ligt het op zijn weg om daarvoor hulpverlening in te schakelen. In de zaak met zaaknummer 200.356.705 5.7 De man heeft ter zitting zijn negende grief, over het voortgezet gebruik van de woning en inboedel, ingetrokken. Het hof zal die grief daarom niet bespreken. 5.8 Het hof begrijpt verder dat de man het verzoek dat is opgenomen in het petitum onder 3. niet langer handhaaft en dat zijn verzoek ten aanzien van de auto (merk Peugeot) nu luidt zoals is omschreven in het petitum onder 7. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden Het periodiek verrekenbeding * Hebben partijen tijdens het huwelijk jaarlijks verrekend? 5.9 Tussen partijen is in geschil of al dan niet uitvoering is gegeven aan het periodiek verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Volgens de man is dat in elk geval tot het jaar 2020 wel gebeurd doordat partijen conform de slotbepaling in de huwelijkse voorwaarden automatisch hebben verrekend door hun inkomen te storten op hun en/of-betaalrekening. De man erkent dat in de jaren 2020 tot en met 2023 geen verrekening heeft plaatsgevonden. Hij stelt zich op het standpunt dat die verrekening alsnog dient plaats te vinden en dat in hoger beroep alsnog moet worden beslist dat de vrouw in verband daarmee een bedrag van € 17.897,04 aan hem dient te voldoen. 5.10 De rechtbank heeft overwogen dat de jaarlijkse verrekening niet vereist dat partijen jaarlijks schriftelijk hebben vastgelegd of en hoe de verrekening is uitgevoerd. De verrekening kan ook automatisch zijn uitgevoerd overeenkomstig de slotverklaring in de huwelijkse voorwaarden. Die slotverklaring toont naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf echter nog niet aan dat partijen zich daarnaar hebben gedragen. Om vast te kunnen stellen dat partijen jaarlijks automatisch hebben verrekend conform de slotverklaring moet volgens de rechtbank zijn aangetoond: i) wat jaarlijks het te verrekenen inkomen van de man en van de vrouw is geweest in de zin van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden; ii) dat zij dit te verrekenen inkomen jaarlijks volledig op de en/of-rekening hebben gestort; iii) wat jaarlijks de kosten van de huishouding zijn geweest; en vi) dat deze kosten jaarlijks volledig ten laste van de en/of-rekening zijn gekomen, zodat op deze rekening het overgespaarde inkomen resteerde. De man heeft dat alles naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld of aangetoond, ook niet voor bepaalde huwelijksjaren. 5.11 Het hof sluit zich na eigen onderzoek aan bij dit oordeel van de rechtbank. Op grond van de slotverklaring in de huwelijkse voorwaarden zouden partijen ieder hun volledige te verrekenen inkomen op de en/of-rekening hebben moeten storten. Hoewel dat niet met zoveel woorden in deze slotverklaring staat, zouden van deze rekening alleen de kosten van de huishouding moeten worden betaald, omdat uitsluitend die handelswijze aansluit bij artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden. Uit de overgelegde stukken en wat partijen ter zitting hebben verklaard, blijkt niet dat het daadwerkelijk op die manier is gegaan. De vrouw heeft op vragen van het hof ter zitting geantwoord dat zij slechts een deel van haar inkomen op de en/of-rekening stortte, volgens haar omdat partijen het er niet over eens konden worden welk bedrag de man vanuit zijn onderneming op de en/of-rekening zou moeten storten. De man stelt dat hij jaarlijks de (door de boekhouder vastgestelde en volgens hem door beide partijen geaccordeerde) redelijkerwijs voor onttrekking vatbare winst uit zijn onderneming volledig op de en/of-rekening stortte en hij stelt dat hij – naast zijn zakelijke bankrekeningen – niet over een eigen (spaar)rekening beschikte. Uit het als productie 32 in eerste aanleg overgelegde overzicht blijkt echter dat beide partijen over een spaarrekening beschikten en dat daar ook daadwerkelijk op werd gespaard. Zo is bijvoorbeeld in het jaar 2016 het saldo van de spaarrekening van de man toegenomen van een bedrag van € 7.795,92 naar € 12.555,-. De man heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende toegelicht hoe dat kan, in het licht van zijn stelling dat partijen al hun inkomsten op de en/of-betaalrekening stortten en zij de toename van het saldo op de en/of-betaalrekening niet jaarlijks met elkaar verrekenden door overboeking naar hun eigen spaarrekeningen. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de man zijn stelling dat partijen uitvoering hebben gegeven aan hun periodiek verrekenbeding door te handelen zoals overeengekomen in de slotverklaring van de huwelijkse voorwaarden, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover het wel zo zou zijn dat partijen jaarlijks de saldi van hun spaarrekeningen met geld afkomstig van hun en/of-betaalrekening ongeveer op gelijke hoogte brachten, is dat naar het oordeel van het hof niet te beschouwen als voldoening aan hetgeen partijen zijn overeengekomen in de slotverklaring, ook al dacht de man mogelijk zelf van wel. Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat partijen tijdens het huwelijk niet aan de door hen overeengekomen periodieke verrekenplicht hebben voldaan en dat daarom het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijke Wetboek (BW) van toepassing is. * De onderneming van de man 5.12 De man drijft sinds januari 2004 een eenmanszaak genaamd [naam4] . 5.13 Uit artikel 1:141 lid 3 BW volgt dat als bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het dan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Dit bewijsvermoeden brengt mee dat in dit geval de vrouw in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat er op de peildatum vermogensbestanddelen zijn die voor verrekening vatbaar zijn. Het ligt dan op de weg van de man om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. 5.14 Tussen partijen is niet in geschil dat als peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding (12 december 2023) wordt gehanteerd. 5.15 De rechtbank heeft geoordeeld dat de man het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW ten aanzien van het op de peildatum aanwezige ondernemingsvermogen onvoldoende heeft weerlegd en dat daarom de toename van de waarde van het ondernemingsvermogen in de periode tussen het sluiten van het huwelijk [in] 2011 en de peildatum, 12 december 2023, met de vrouw moet worden verrekend. 5.16 De vrouw stelt zich op het standpunt dat de waarde van het ondernemingsvermogen van de man per peildatum op grond van artikel 1:141 lid 3 BW vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend hadden moeten worden en daarom tussen partijen moet worden verrekend. Zij stelt dat moet worden aangesloten bij de waarde van het op 31 december 2023 aanwezige ondernemingsvermogen van € 51.012,-. 5.17 Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de man het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW ten aanzien van het op de peildatum aanwezige ondernemingsvermogen voldoende heeft weerlegd. De man stelt terecht dat de onderneming blijkens de staat van aanbrengsten door hem ten huwelijk is aangebracht. Niet gesteld of gebleken is dat met te verrekenen inkomsten is geïnvesteerd in de onderneming, is afgelost op financieringen ten behoeve van de onderneming of dat er andere betalingen ten behoeve van de onderneming zijn gedaan uit te verrekenen inkomsten. Daarmee heeft de man het vermoeden dat de waarde van de eenmanszaak per de peildatum is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden naar het oordeel van het hof voldoende weerlegd. Voor zover de vrouw zich beroept op de beschikking Hoge Raad van 17 december 2021 ( ECLI:NL:HR:2021:1922) overweegt het hof dat het in die zaak ging om een onderneming die (deels) was gefinancierd en waar op die leningen mogelijk met te verrekenen inkomen was afgelost. Dat is een ander feitencomplex dan in deze zaak. De rechtsregels uit die uitspraak kunnen daarom in deze zaak niet worden toegepast en leiden niet tot een ander oordeel. 5.18 Namen de vrouw is pas ter zitting expliciet naar voren gebracht dat zij zich subsidiair beroept op artikel 1:141 lid 4 en 5 BW. 5.19 Op grond van artikel 1:141 lid 4 BW kunnen niet uitgekeerde winsten uit een onderneming van een echtgenoot, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot, wanneer de echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat. Dit is ingevolge artikel 1:141 lid 5 BW van overeenkomstige toepassing in het ingeval een echtgenoot op eigen naam een onderneming uitoefent. 5.20 Namens de man is bezwaar gemaakt tegen het beroep van de vrouw op artikel 1:141 lid 4 en lid 5 BW, omdat dit te laat is gedaan en hij zich daartegen onvoldoende heeft kunnen verweren. 5.21 Het hof is met de man van oordeel dat het beroep op artikel 1:141 lid 5 in een te laat stadium van de procedure is gedaan en dat een inhoudelijke beoordeling daarvan in beginsel in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Los daarvan heeft de vrouw niet gesteld dat aan de vereisten zoals genoemd in artikel 1:141 lid 4 en 5 is voldaan. Het subsidiaire beroep van de vrouw komt daarom hoe dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. 5.22 Dat betekent dat het hof op grond van het vorenstaande de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover het de beslissingen over de wijze van verrekening van de onderneming van de man betreft, en opnieuw beschikkende de verzoeken van de vrouw op dit punt alsnog zal afwijzen. 5.23 De derde grief van de vrouw in het incidenteel hoger beroep, die gaat over de correctie van € 10.000,- die de rechtbank heeft aangebracht op het te verrekenen ondernemingsvermogen, hoeft gelet op dit oordeel niet meer te worden besproken. De verdeling van de eenvoudige gemeenschappen De auto, merk Peugeot (hierna: de auto) 5.24 Partijen hebben ter zitting in eerste aanleg overeenstemming bereikt over de verdeling van de auto, in die zin dat zij de waarde van de auto hebben vastgesteld op € 4.000,- en afgesproken hebben dat de man de auto binnen een week na de zitting zou ophalen bij de vrouw om te verkopen en dat hij de vrouw een bedrag van € 2.000,- zou voldoen. 5.25 De rechtbank heeft de auto beschouwd als een tussen partijen op grond van het niet-uitgevoerde periodieke verrekenbeding te verrekenen vermogensbestanddeel. Op grond van de huwelijkse voorwaarden van partijen moet de auto echter niet worden beschouwd als een privévermogensbestanddeel van de man, maar als een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel. Partijen zijn daar blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en hun processtukken in hoger beroep zelf ook vanuit gegaan en hebben ook ter zitting in hoger beroep bevestigd dat de auto moet worden verdeeld. Het hof sluit zich daar daarom bij aan. 5.26 De man heeft over de auto – kort samengevat – aangevoerd dat er door toedoen van de vrouw schade aan de auto is ontstaan, dat hij de auto daardoor slechts voor een bedrag van € 3.000,- heeft kunnen verkopen en dat hij vanwege het repareren van de schade een eigen bijdrage verschuldigd is geworden van € 150,-, zodat de vordering van de vrouw met een bedrag van € 1.150, - moet worden verminderd. De man stelt verder dat hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw van € 2.789,83, omdat hij tot maart 2025 de wegenbelasting en de verzekeringspremie voor de auto is blijven betalen. De vrouw betwist dat door haar toedoen schade is ontstaan aan de auto en dat zij gehouden is enig bedrag aan de man te vergoeden. De vrouw stelt op haar beurt – voorwaardelijk, alleen voor zover zij gehouden zou zijn om enig bedrag voor de auto aan de man te voldoen –, dat zij een vergoedingsvordering heeft op de man van € 1.733,89 voor door haar voor de auto gemaakte kosten voor het vervangen van het roetfilter en het bijvullen van adblue van € 462,89 en vanwege de kinderbijslag van € 1.271,- over het derde kwartaal van 2023, die de man volgens haar ten onrechte heeft ontvangen en behouden. 5.27 Partijen hebben ter zitting bij de rechtbank overeenstemming bereikt over wie de auto zou krijgen en tegen welke waarde. Daarmee is de auto verdeeld. Naar het oordeel van het hof heeft de man in hoger beroep onvoldoende gesteld op grond waarvan hij deze ter zitting in eerste aanleg overeengekomen verdeling, en de daaraan ten grondslag liggende waardering van de auto, ongedaan zou kunnen maken. Partijen zijn overeengekomen dat de auto op de peildatum € 4.000,- waard was en als de auto nadien in waarde is gedaald, is dat een omstandigheid die voor rekening en risico komt van de man. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man geen schadevergoedingsvordering heeft ingesteld. Vast staat dat de auto op naam stond van de man, maar dat de vrouw de hoofdbestuurder was van de auto en dat de auto na het uiteengaan van partijen bij haar in bezit is gebleven. Op grond van het dossier is voor het hof onvoldoende vast komen te staan welke afspraken partijen verder hebben gemaakt over de kosten van de auto. Vast staat wel dat beide partijen na het uiteengaan kosten hebben gemaakt voor de (gezamenlijke) auto. Het hof ziet daarom geen aanleiding om één van partijen te veroordelen tot vergoeding van voor de auto gemaakte kosten en gaat ervan uit dat de kosten die de man voor de auto heeft gemaakt wegvallen tegen de kosten die de vrouw voor de auto heeft gemaakt. De woning 5.28 Niet in geschil is dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning [adres] te [plaats1] en bijbehorende opstallen. Partijen hebben een hypothecaire schuld uit geldlening aan de Rabobank en een daaraan gekoppelde Rabo Opbouw Spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] (hierna ook: de opbouwspaarrekening). Partijen zijn het erover eens dat zij in hun onderlinge verhouding gelijkelijk draagplichtig zijn voor de hypothecaire geldlening bij de Rabobank. 5.29 Artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat indien deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van partijen en het algemeen belang. Partijen hebben het hof verzocht de wijze van verdeling te gelasten. * De opbouwspaarrekening 5.30 Ten aanzien van de opbouwspaarrekening staat tussen partijen vast dat de vrouw tot juli 2023 heeft bijgedragen aan de inleg van € 164,55 per maand en dat vanaf juli 2023 de man de inleg volledig voor zijn rekening heeft genomen. De man stelt zich op het standpunt dat het daarom redelijk is om het saldo op de opbouwspaarrekening per 19 juli 2023, zijnde de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen, in de verdeling te betrekken. De vrouw acht het redelijk om uit te gaan van het saldo per de datum van verdeling van de woning. Zij voert daartoe onder meer aan dat de man sinds 19 juli 2023 het alleengebruik van de woning heeft gehad zonder daarvoor een gebruiksvergoeding aan haar te hebben betaald en dat hij geruime tijd niet heeft bijgedragen in de kosten van de kinderen, maar wel de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2023 heeft ontvangen. Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om het saldo van de opbouwspaarrekening tussen partijen te verdelen per de datum van verdeling van de woning. Omdat de man de inleg voor de opbouwspaarrekening vanaf juli 2023 volledig voor zijn rekening heeft genomen, acht het hof het redelijk dat het saldo per 19 juli 2023 bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, zodat wat daarna aan inleg en rente is bijgeschreven op de opbouwspaarrekening toekomt aan de man. Dat het saldo per 19 juli 2023 € 26.495,36 bedroeg is door de vrouw niet betwist en blijkt ook uit de overgelegde bankafschriften van de opbouwspaarrekening. Die waarde moet daarom door partijen in de verdeling worden betrokken. * De investeringen van de man in de schuur en de verzekeringspremie voor de schuur 5.31 Partijen zijn het erover eens dat de woning en de schuur onderdeel vormen van hetzelfde kadastrale perceel, dat door partijen in 2009 ieder voor de onverdeelde helft in eigendom is verkregen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de schuur op de balans van de onderneming van de man is gezet en is gefinancierd met een hypothecaire geldlening van € 15.000,- bij de Rabobank, die ook op de balans van de onderneming van de man staat. 5.32 De rechtbank heeft het primaire verzoek van de man om te bepalen dat de huidige waarde van de schuur volledig toekomt aan hem afgewezen en daartoe overwogen dat partijen ieder voor de helft eigenaar zijn van het perceel met opstallen, waaronder de schuur, en dat zij daarom ieder voor de helft meedelen in de waarde van de schuur. Tegen deze beslissing heeft de man geen grief naar voren gebracht. De man grieft wel tegen de afwijzing van zijn subsidiaire verzoek om te bepalen dat hij een vergoedingsrecht heeft op de vrouw ter grootte van zijn investeringen in de schuur uit eigen middelen in de periode van 2009 tot en met 2023, dus zowel voor als tijdens het huwelijk. In hoger beroep heeft de man dat verzoek verminderd, in die zin dat hij nu vergoeding vraagt van een bedrag van € 12.182,89 en hij heeft daartoe verschillende bonnetjes en facturen overgelegd. De vrouw vindt dat de man de juridische grondslag van zijn vordering niet heeft aangevoerd, dat hij niet heeft aangetoond dat de investeringen met geld uit zijn privévermogen zijn gedaan en niet met te verrekenen inkomsten, en dat hij niet heeft aangetoond dat de opgevoerde bedragen zien op een verbouwing van de schuur. 5.33 De man heeft zijn verzoek ter zitting nog verder verminderd en verzoekt niet langer vergoeding van een bedrag van € 8.207,- dat in de periode voorafgaand aan het huwelijk van partijen zou zijn voldaan. De man heeft naar het oordeel van het hof ten aanzien van de resterende vordering van € 3.975,87, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat hij aanspraak kan maken op vergoeding van dat bedrag. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man ter zitting op vragen van het hof heeft geantwoord dat hij de door hem opgevoerde investeringen en kosten vanuit zijn onderneming heeft betaald. Door de man is niet gesteld dat hij tijdens huwelijk privévermogen heeft verkregen, en dus moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat de investeringen en kosten ten laste zijn gekomen van zijn winst, en daarmee vanuit met de vrouw te verrekenen inkomsten zijn betaald. De vrouw heeft daarom feitelijk al voor de helft meebetaald aan de bedragen die zijn betaald en voor een vergoedingsrecht van de man op de vrouw, nog los van de vraag of het daarbij gaat om het volledige door de man gevorderde (bruto) bedrag of de helft, is geen sprake. 5.34 De man heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vrouw de helft van de verzekeringskosten voor de schuur aan hem dient te voldoen, omdat hij die vanuit privémiddelen heeft betaald, en hij berekent zijn vordering op de vrouw over de jaren 2011 tot en met 2025 op een bedrag van (de helft van € 657,31=) € 328,66 in totaal. 5.35 De vrouw betwist gehouden te zijn om voor de helft bij te dragen in de verzekeringskosten van de schuur, zowel die zien op de periode voorafgaand aan het feitelijk uiteengaan als die zien op de periode daarna. Betaalbewijzen ontbreken volgens de vrouw en zij beroept zich op verjaring voor zover de vordering betrekking heeft op de jaren 2018 en eerder. 5.36 De man heeft ter zitting op vragen van het hof geantwoord dat, anders dan in het beroepschrift is gesteld, de betaling van de verzekeringskosten voor de schuur vanuit zijn onderneming werden betaald. Ook op het door de man als productie 36 overgelegde overzicht blijkt dat deze kosten uit het bedrijf zijn betaald. Het hof is daarom van oordeel dat de man ook voor die kosten geen vergoedingsrecht heeft op de vrouw en verwijst voor de periode tot de peildatum naar de motivering zoals hiervoor opgenomen onder 5.33. Voor zover het gaat om kosten die na de peildatum zijn voldaan, ziet het hof evenmin aanleiding voor vergoeding door de vrouw aan de man. Het hof zal daarop nader ingaan bij de bespreking van de overige door de man verzochte vergoedingen voor door hem betaalde kosten verbonden aan de woning van partijen die voor rekening komen van partijen als deelgenoten, ieder voor de helft. Het hof verwijst voor de motivering daarvan naar 5.54 en verder. * Het stappenplan voor de verdeling van de woning 5.37 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking – kort samengevat – beslist dat de man eerst in de gelegenheid zal worden gesteld om de woning over te nemen en dat als dat financieel niet mogelijk blijkt te zijn de woning zal worden verkocht. De rechtbank heeft geoordeeld dat daarbij uitgegaan moet worden van de waarde van de woning ten tijde van de verdeling, althans ten tijde van de taxatie die nog zal moeten plaatsvinden, zodat beide partijen tot dat moment naar rato van hun aandeel in de woning meedelen in de waardestijging of waardedaling. 5.38 Partijen twistten in de processtukken nog over de vraag aan wie de woning zou moeten worden toegedeeld, waarbij de man vond dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat hem als eerste de mogelijkheid wordt geboden om de woning over te nemen en waarbij de vrouw voorwaardelijk toedeling van de woning aan haar heeft verzocht, uitsluitend voor het geval het hof zou oordelen dat als waardepeildatum wordt uitgegaan van een eerdere datum dan de datum van verdeling, zoals door de man primair is verzocht. Het hof ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd geen aanleiding om van een eerdere waardepeildatum uit te gaan. De woning dient in de verdeling te worden betrokken tegen de waarde ten tijde van de verdeling. De vrouw heeft ter zitting bevestigd dat zij dan niet om toedeling van de woning aan haar verzoekt. Het hof stelt daarom vast dat partijen het erover eens zijn dat de man eerst de gelegenheid wordt geboden om de woning over te nemen en dat de woning moet worden verkocht als dat niet lukt. 5.39 Hoewel de rechtbank een uitgebreid en gedetailleerd stappenplan (‘spoorboekje’) in de beschikking heeft opgenomen waarin de verschillende stappen zijn beschreven waarmee tot verdeling van de woning moet worden gekomen, is het partijen toch niet gelukt om daar uitvoering aan te geven. Het is partijen wel gelukt om gezamenlijk een makelaar aan te wijzen, maar die makelaar heeft de opdracht teruggegeven en partijen vinden over en weer dat dit de andere partij te verwijten valt. Ter zitting bij het hof hebben partijen een nieuwe afspraak over de waardering van de woning gemaakt en het hof gevraagd die afspraak op te nemen in het stappenplan voor het gelasten van de wijze van verdeling van de woning. Partijen hebben afgesproken dat zij de woning ieder door een eigen makelaar/taxateur zullen laten waarderen en dat voor de verdeling zal worden uitgegaan van het gemiddelde van deze beide waarderingen. Het hof zal beslissen overeenkomstig deze afspraak. Voor het overige zal het hof, rekening houdend met de belangen van beide partijen, een zo gedetailleerd mogelijk stappenplan vaststellen zoals hierna vermeld. Voor zover partijen in de door hen voorgestelde stappenplannen meer of andere beslissingen hebben verzocht, gaat het hof daar niet in mee. 5.40 Het hof zal bepalen dat iedere partij een eigen makelaar/taxateur aanwijst, die de woning binnen twee weken na de datum van deze beschikking zal taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer, waarbij zij ieder aanwezig mogen zijn bij de taxatie door de makelaar/taxateur die zij zelf hebben aangewezen, en niet bij de taxatie door de makelaar/taxateur die de wederpartij heeft aangewezen. Zodra beide taxatierapporten zijn opgemaakt en aan partijen zijn gestuurd, zullen partijen binnen één week het gemiddelde van beide taxaties vaststellen. Het gemiddelde van beide getaxeerde waarden is voor partijen bindend de waarde waartegen de man mag proberen de woning over te nemen. 5.41 De man krijgt gedurende drie maanden nadat de waarde van de woning aldus is vastgesteld de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning met de opbouwspaarrekening kan overnemen tegen de vastgestelde waarde, waarbij: - de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de Rabobank geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening; - de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de vastgestelde waarde van de woning plus de waarde van opbouwspaarrekening per 19 juli 2023 van € 26.495,36, na aftrek van de hypothecaire schuld op het moment van de notariële overdracht, aan de vrouw zal vergoeden. 5.42 Indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de (notariële) levering plaats te vinden binnen één maand nadat de man de vrouw binnen de termijn van drie maanden na het vaststellen van de gemiddelde waarde schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen. 5.43 De man mag de notaris uitkiezen. De kosten van de notariële akte van levering van de woning en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw komen voor rekening van de man. 5.44 Partijen nemen ieder de kosten van de eigen taxatie voor hun rekening. 5.45 Indien binnen of na verloop van de hiervoor bedoelde periode blijkt dat de man de woning niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de man, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde. 5.46 Partijen zullen dan uiterlijk binnen 14 dagen na de mededeling dat overname niet lukt, dan wel binnen 14 dagen nadat de termijn voor levering is verstreken, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan een makelaar. Als partijen het niet eens worden over welke makelaar de verkoop moet begeleiden, dan zullen de beide makelaars die partijen ieder eerder hebben aangewezen voor de taxatie van de woning gezamenlijk binnen één week na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van 14 dagen een makelaar aanwijzen die de verkoop zal begeleiden en partijen zullen binnen één week nadat die makelaar is aangewezen gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan de gekozen makelaar. 5.47 Indien partijen niet uiterlijk binnen deze termijn gezamenlijk een verkoopopdracht hebben gegeven aan de makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd deze makelaar - mede als vertegenwoordiger van de ander - opdracht tot verkoop te geven. 5.48 Partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. 5.49 Indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs. 5.50 Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen. 5.51 Als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning. 5.52 Na verkoop moet met de verkoopopbrengst en de uitkering van het saldo op de opbouwspaarrekening de hypothecaire geldlening bij de Rabobank worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald. Het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen. 5.53 Voor zover door de vrouw is verzocht om aan het niet-nakomen van enkele stappen een dwangsom te verbinden, en om te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt van een voor verkoop van de woning benodigde machtiging van de man, wijst het hof die verzoeken af. Het hof is van oordeel dat in het stappenplan zoals hiervoor omschreven voldoende rekening wordt gehouden met het onverhoopt niet meewerken door (één van) partijen en gaat ervan uit dat partijen zich zullen houden aan dit stappenplan om uiteindelijk tot een afronding van de verdeling van de woning te komen, temeer omdat zij beiden ter zitting hebben aangegeven dat de lopende procedures hen emotioneel zwaar belasten. Nieuwe procedures moeten, ook in het belang van de kinderen, worden voorkomen. Kosten verbonden aan de woning van partijen en gebruiksvergoeding 5.54 De man verzoekt om de grondslag van zijn vordering in eerste aanleg tot vergoeding van een aantal kosten die hij voor zijn rekening stelt te hebben genomen te wijzigen, in die zin dat de vordering niet verband houdt met de kosten van de huishouding, maar met kosten verbonden aan de woning van partijen, die voor rekening van partijen als deelgenoten komen, ieder voor de helft. Voor de periode vanaf juli 2023 tot januari 2026 berekent de man deze kosten op een bedrag van tenminste € 1.850,- en hij beperkt zijn vordering tot dat bedrag. Het gaat daarbij volgens de man om kosten betreffende het eigenaarsgedeelte van de onroerende zaakbelasting, het eigenaarsgedeelte van de rioolrechten, de premie voor de opstalverzekering, de premie voor de overlijdensrisicoverzekering, bankkosten van de en/of-rekening waarvan de hypotheekrente wordt betaald, het abonnement van de schoorsteenveger, de premie voor de inboedelverzekering en de verzekeringskosten van de schuur. 5.55 De vrouw betwist bij gebrek aan bewijs de hoogte van deze vordering en zij betwist gehouden te zijn om bij te dragen in de voldoening van deze kosten. De vrouw wijst erop dat de man het genot en gebruik van de woning heeft. 5.56 De vrouw heeft een gebruiksvergoeding verzocht vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift (12 december 2023) tot aan de datum van verdeling van de woning van € 376,- per maand, gebaseerd op 4% van de helft van de overwaarde. 5.57 De man stelt dat een naar redelijkheid te bepalen maandelijkse gebruiksvergoeding zou moeten worden gesteld op 0,5% van de helft van de overwaarde. 5.58 Het hof stelt vast dat de vrouw pas in hoger beroep voor het eerst om een gebruiksvergoeding ten laste van de man heeft verzocht. Hoewel de vrouw inderdaad niet het gebruik van de woning heeft gehad, en de man daarom mogelijk een vergoeding voor het gebruik van de woning aan haar verschuldigd zou kunnen zijn, staat daar naar het oordeel van het hof tegenover dat de man sinds het uiteengaan van partijen de door hem opgevoerde lasten verbonden aan de woning heeft betaald en daarvoor geen vergoeding van de vrouw heeft gekregen. Het hof is van oordeel dat de vrouw tegenover de door de man betaalde aan de woning verbonden kosten recht zou hebben op een gebruiksvergoeding ter grootte van datzelfde bedrag. De door de man opgevoerde kosten en de door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding kunnen naar het oordeel van het hof daarom in redelijkheid tegen elkaar worden weggestreept, en het hof ziet gelet hierop ook geen aanleiding om te bepalen dat de man een gebruiksvergoeding van € 100,- per maand aan de vrouw verschuldigd is, hoewel hij zich daartoe wel bereid heeft verklaard. Het hof zal beide verzoeken afwijzen. Belastingrestituties 2021, 2022 en 2023 5.59 De rechtbank heeft overwogen dat voor zover partijen na de peildatum (12 december 2023) belastingrestituties of belastingaanslagen over de jaren tot en met 2023 hebben ontvangen, deze bij helfte moeten worden verdeeld of gedragen en dat partijen elkaar ter zake inzage moeten geven. Ten aanzien van de restitutie inkomstenbelasting over het jaar 2021 heeft de vrouw niet betwist dat zij die heeft ontvangen. De rechtbank heeft de vrouw opgedragen om de man inzage te geven in de datum van ontvangst van die restitutie en haar, voor het geval dat na 12 december 2023 is, verplicht om de helft van het ontvangen bedrag aan de man te vergoeden. 5.60 De man stelt dat de vrouw geen duidelijkheid heeft verschaft en hij verzoekt het hof om de vrouw te veroordelen inzage te verstrekken in de hoogte van de belastingrestituties op haar naam over jaren 2021, 2022 en 2023 en haar te veroordelen aan de man de helft van die restituties te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de te geven beschikking. Ter zitting heeft de man naar voren gebracht dat hij zijn verzoek intrekt voor zover het gaat over het jaar 2021, omdat dat bedrag inmiddels duidelijk is. 5.61 De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man geen aanspraak kan maken op de helft van de door haar ontvangen belastingrestituties, omdat partijen onder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen waren gehuwd. 5.62 Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan over het bij helfte delen van de belastingrestituties van partijen over de jaren 2021, 2022 en 2023. Partijen moeten de belastingrestituties over die jaren met elkaar delen, omdat deze ook vallen onder hun inkomstenbegrip uit artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft niet betwist dat zij nog geen inzage heeft gegeven in de belastingrestituties over de jaren 2022 en 2023. Het hof zal het verzoek van de man om haar op te dragen hem inzage te geven in de ontvangst van de belastingrestituties over die jaren daarom toewijzen. De slotsom 5.63 Op grond van al het vorenstaande zal het hof beslissen zoals hierna vermeld. 6 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: In zaaknummer 200.356.704/01: vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 april 2025, voor zover daarbij het verzoek van de man om een zorgregeling vast te stellen is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt dat de GI de regie heeft over de zorgregeling tussen de man en de kinderen, waarbij het aan de GI is om te bepalen of, en wanneer met contactherstel tussen de man en de kinderen kan worden gestart, en hoe dit contact er qua vorm (begeleid of onbegeleid), duur, frequentie en opbouw uit moet zien; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; In zaaknummer 200.356.705/01 vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 april 2025, voor zover het de daarbij in het dictum onder 3.8 gelaste wijze van verrekening van de onderneming van de man betreft, en voor zover het de daarbij in het dictum onder 3.5 gelaste wijze van verdeling van de woning betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende: wijst het verzoek van de vrouw tot verrekening van de waarde van de onderneming van de man alsnog af; gelast de wijze van verdeling van de woning als volgt: - iedere partij wijst een eigen makelaar/taxateur aan, die de woning binnen twee weken na de datum van deze beschikking zal taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer, waarbij zij ieder aanwezig mogen zijn bij de taxatie door de makelaar/taxateur die zij zelf hebben aangewezen, en niet bij de taxatie door de makelaar/taxateur die de wederpartij heeft aangewezen; - zodra beide taxatierapporten zijn opgemaakt en aan partijen zijn gestuurd, zullen partijen binnen één week het gemiddelde van beide taxaties vaststellen. Het gemiddelde van beide getaxeerde waarden is voor partijen bindend de waarde waartegen de man de woning mag proberen de woning over te nemen; - de man krijgt gedurende drie maanden nadat de waarde van de woning aldus is vastgesteld de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning met de opbouwspaarrekening kan overnemen tegen de vastgestelde waarde, waarbij: - de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de Rabobank geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening; - de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de vastgestelde waarde van de woning plus de waarde van opbouwspaarrekening per 19 juli 2023 van € 26.495,36, na aftrek van de hypothecaire schuld op het moment van de notariële overdracht, aan de vrouw zal vergoeden; - indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de (notariële) levering plaats te vinden binnen één maand nadat de man de vrouw binnen de termijn van drie maanden na het vaststellen van de gemiddelde waarde schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen; - de man mag de notaris uitkiezen. De kosten van de notariële akte van levering van de woning en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw komen voor rekening van de man; - partijen nemen ieder de kosten van de eigen taxatie voor hun rekening; - indien binnen of na verloop van de hiervoor bedoelde periode blijkt dat de man de woning niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de man, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde; - partijen zullen dan uiterlijk binnen 14 dagen na de mededeling dat overname niet lukt, dan wel binnen 14 dagen nadat de termijn voor levering is verstreken, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan een makelaar.