Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-30
ECLI:NL:GHARL:2026:517
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.356.500/01 CJIB-nummer : 253926492 Uitspraak d.d. : 30 januari 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 18 april 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 907,-. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “R395 - voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 november 2022 om 13.56 uur op het Stadhuisplein in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken] . 2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de motorfiets stuk ging waardoor deze niet verder kon rijden. De betrokkene heeft dit gemeld bij een agent die ter plaatse was. Deze gaf aan dat het goed was als de betrokkene snel heen en weer zou gaan om een onderdeel te kopen en om de motor zo lang te laten staan. Waarschijnlijk is sprake van een miscommunicatie tussen de politie en de parkeerwacht, want bij terugkomst om 14.05 uur zag de betrokkene dat een boete was opgelegd. Daarnaast is feitcode R315b van toepassing, waarbij hinder centraal staat. Daar komt bij dat niet met een grote boog om de motor gelopen hoefde te worden. Te zien is duidelijk dat het spatbord op het achterwiel rust, wat dus niet een normale situatie is. Er is daarnaast ook geen sprake van een trottoir. Er is geen stoeprand en het daadwerkelijk trottoir is aan de andere zijde van de rijbaan. Voor een gemiddelde weggebruiker lijkt het op een parkeervak. 3. De gedraging met feitcode R395 waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd betreft een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), dat luidt: “Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.” 4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Ik zag dat het voertuig op zodanige wijze op de weg stond waardoor hinder werd dan wel kon worden veroorzaakt. De situatie was als volgt: motor op de stoep geparkeerd waar voetgangers moeten lopen. De (mogelijke) hinder bestond uit dat er hierdoor geen invalide gebruikers met een rolstoe