Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-14
ECLI:NL:GHARL:2026:5154
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/159 uitspraakdatum: 14 juli 2026 Uitspraak van de zestiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 28 november 2023, nummer ARN 21/5187, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 16 juni 2021 over het tijdvak 30 augustus 2019 tot en met 13 april 2021 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting ter hoogte van € 2.302 opgelegd. Bij beschikking is tevens een verzuimboete van € 2.302 opgelegd. 1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover deze ziet op de boetebeschikking en de boete verminderd tot 50% van het nageheven bedrag (€ 1.151). Vervolgens heeft zij de boete verder verminderd in verband met een overschrijding van de redelijke termijn tot € 1.035. De Rechtbank heeft aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 837 en voorts bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht moet vergoeden. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. R. Zilver, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende stond gedurende het gehele tijdvak waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft ingeschreven in de Basisregistratie Personen in Nederland. 2.2. Op 14 april 2021 om 22.19 uur is tijdens een politiecontrole geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van een personenauto gebruik maakte van de weg in Nederland. Het betrof een in het Belgisch kentekenregister ingeschreven personenauto waarvan het kenteken ( [kenteken1] ) op 7 juni 2018 is afgegeven aan [naam3] , de zus van belanghebbende (hierna: de zus). Zij is sinds 3 augustus 2017 woonachtig in België. Zij verkreeg het voertuig op 19 maart 2018 in Nederland. Bij zijn staandehouding heeft belanghebbende volgens het proces-verbaal van de politie verklaard: “Ik leen toevallig de auto vandaag van mijn zus die een dag in Nederland is. U zegt dat ik een jaar geleden hetzelfde verklaarde. Toen leende ik ook toevallig een dag de auto van mijn zus. Ik wist niet dat ik het moet melden als ik als Nederlands ingeschreven persoon in een buitenlands gekentekend voertuig rijdt op de Nederlandse wegen.” 2.3. De zitting bij de Rechtbank heeft op 10 maart 2023 plaatsgevonden. Ter zitting is aan belanghebbende gelegenheid gegeven zijn standpunt dat hij gedurende het naheffingstijdvak niet de houder van de auto was met aanvullend bewijs te onderbouwen. Belanghebbende heeft daarop per e-mail van 24 maart en 7 april 2023 de volgende stukken aangeleverd: - Twee verzekeringskaarten voor de auto voor de periodes 13 juni 2020 tot en met 30 juni 2021 en 9 juni 2021 tot en met 30 juni 2022. De verzekeringskaarten staan op naam van de zus; - Een kentekenbewijs deel II, waaruit volgt dat een Belgische kentekenplaat is toegekend op 7 juni 2018 en als ‘identificatie van de houder bij de inschrijving’ de naam van de zus is vermeld; - Een koopovereenkomst van 26 april 2022 waarin de zus het voertuig aan een derde verkoopt; - Een garagebon van 5 april 2019 van een garage in Leuven (België); - Een factuur van een reparatie door in een Leuven gevestigde garage van 3 juli 2019; - E Het onder 2.9 genoemde verzoek om aanhouding is gedaan omdat de zus van belanghebbende wederom niet als getuige aanwezig kon zijn bij de zitting. Ter zitting heeft de gemachtigde nader verklaard dat de getuige niet kon verschijnen omdat zij een onderneming drijft en degene die haar zou vervangen toch niet beschikbaar was. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht geen reden de zaak verder aan te houden, nu het verzoek daartoe naar het oordeel van het Hof te laat is gedaan en er daarnaast geen gewichtige redenen zijn aangevoerd waarom de getuige niet aanwezig zou kunnen zijn. Het Hof heeft hierbij meegewogen dat de mondelinge behandeling al eenmaal eerder op verzoek van belanghebbende was uitgesteld, omdat de getuige eerst op de dag van de zitting had laten weten niet aanwezig te kunnen zijn. Het Hof heeft – nadat Partijen over de aanhouding van het onderzoek ter zitting waren geïnformeerd - ruimschoots van tevoren een nieuwe zittingsdatum met partijen gecommuniceerd, juist om belanghebbende in staat te stellen de getuige ter zitting te laten horen. In het licht daarvan acht het Hof het door belanghebbende twee werkdagen voor de mondelinge behandeling ingediende verzoek te laat. Door het ontbreken van een nadere toelichting in het verzoek waarom de getuige niet zou kunnen verschijnen, is het Hof daarnaast van oordeel dat gewichtige redenen ontbreken. Hetgeen gemachtigde ter zitting heeft verklaard over het niet beschikbaar zijn van de vervanger brengt het Hof niet tot een ander oordeel, omdat het geen inzicht verschaft in de redenen waarom de vervanger niet beschikbaar was, wanneer belanghebbende daarvan op de hoogte is gebracht en of er andere pogingen zijn ondernomen om de aanwezigheid van de getuige mogelijk te maken. Naheffingsaanslag 4.3. Op grond van artikel 7, lid 1, sub c van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig gehouden door degene die dat motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Het is die houder van wie de MRB wordt geheven op grond van artikel 1, lid 1, in verbinding met artikel 6 Wet MRB. 4.4. Voor een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig vangt het tijdvak waarover de MRB moet worden betaald, op grond van artikel 13, lid 2, Wet MRB en voor zover hier relevant, aan met ingang van de dag waarop de houder als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, genoemd in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen (hierna: BRP) en, zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat, telkenmale drie maanden later, tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan, in welk geval het tijdvak aanvangt met die datum. De houder heeft dus de mogelijkheid aan te tonen dat hij op de dag van inschrijving in het BRP niet over het motorrijtuig beschikte, maar dat het motorrijtuig hem pas op een later tijdstip dan die dag in Nederland feitelijk ter beschikking stond of dat het motorrijtuig hem gedurende een periode na die dag niet ter beschikking heeft gestaan. 4.5. Bij constatering van gebruik van de weg met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig waarvoor de MRB geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de MRB op grond van artikel 34, lid 1, Wet MRB worden nageheven. Op grond van lid 2 van deze bepaling wordt de na te heffen belasting berekend vanaf het begin van de tijdvakken bedoeld in 4.5, waarbij als laatste dag geldt de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. 4.6. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de auto op de dag van de staandehouding door de politie - 14 april 2021 - feitelijk ter beschikking van belanghebbende stond, heeft de Inspecteur belanghebbende terecht aangemerkt als houder van de auto in de zin van artikel 7, lid 1, onderdeel c, Wet MRB. Belanghebbende stond in het gehele tijdvak van de naheffingsaanslag ing In de gegeven omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende alle zorg in acht heeft genomen die in redelijkheid van hem verwacht kan worden om het verweten feit, op grond waarvan te weinig belasting zou zijn geheven, te voorkomen. 4.12. Bij de beoordeling van de vraag of de opgelegde verzuimboete passend en geboden is, moet de rechter rekening houden met alle relevante omstandigheden van het geval. Daartoe behoort ook de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting is komen vast te staan met toepassing van het berekeningsvoorschrift. Het Hof ziet daarin, gelijk de Rechtbank, geen aanleiding tot matiging van de boete. Gelet op de omstandigheden van het geval (zie 4.11) acht het Hof in dit geval een boete van € 1.151 passend en geboden. 4.13. Het Hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van twee jaar – na de uitspraak van de Rechtbank – is overschreden. De dagtekening van de vooraankondiging van de boete is 3 mei 2021. Het Hof doet heden uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn (afgerond) met veertien maanden is overschreden. De Rechtbank had – in verband met een overschrijding op dat moment van (afgerond) zeven maanden – de boete gematigd met 10% tot € 1.035. In hoger beroep is de redelijke termijn opnieuw overschreden, met zeven maanden. Dit heeft een verdere matiging tot gevolg, met 10 %, tot € 931. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof: - vermindert de verzuimboete ambtshalve naar € 931; - bevestigt voor het overige de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier. De beslissing is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De raadsheer, (G.J. van de Lagemaat) (T.H.J. Verhagen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:358. HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:789 Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 3, p. 53. Zie ook HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.2.1, 5.2.2 en 5.3.6 t/m 5.3.9. HR 24 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2777. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:991, r.o. 4.2.2. HR 5 a