Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-21
ECLI:NL:GHARL:2026:4879
Aannemingsovereenkomst voor werkzaamheden aan dak manege. Opdrachtgever heeft over gebreken niet op tijd geklaagd. Aannemer heeft geen waarschuwingsplicht ten aanzien van houtworm/boktor aantasting geschonden. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.350.164 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 422867 arrest van 21 juli 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam1] hierna: [appellant] advocaat: mr. F.A.R. van den Berg en [geïntimeerde] B.V. die is gevestigd in [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam2] hierna: [geïntimeerde] advocaat: mr. E. Koekoek 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 10 juli 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven, tevens houdende akte van eisvermeerdering van [appellant] de memorie van antwoord van [geïntimeerde] een akte overlegging producties van [geïntimeerde] een akte houdende overlegging aanvullende productie van [appellant] het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 6 mei 2026 is gehouden 1.2. Hierna heeft het hof arrest bepaald op heden. 2 De kern van de zaak 2.1. Partijen hebben in 2017 een aannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [geïntimeerde] het dak van [appellant] ’ manege inclusief 340m gordingen zou vervangen. [appellant] wil in deze procedure dat [geïntimeerde] schadevergoeding aan hem betaalt, omdat [geïntimeerde] volgens hem het werk gebrekkig heeft uitgevoerd. 2.2. [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van € 123.305,05 aan vervangende schadevergoeding en € 4.234,45 aan buitengerechtelijke incassokosten, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente. 2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen van [appellant] afgewezen. In hoger beroep vraagt [appellant] zijn vorderingen in gewijzigde vorm alsnog toe te wijzen. Hij vordert: betaling van € 181.500,- (incl. BTW) aan vervangende schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag van algehele voldoening, vergoeding van deskundigenkosten ter hoogte van € 2.226,40 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 (Expertiserapport I), vergoeding van deskundigenkosten ter hoogte van € 2.069,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum 16 mei 2025 (Expertiserapport II), vergoeding van deskundigenkosten ter hoogte van € 1.815,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 (Expertiserapport III), vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 2.590,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, vergoeding van proceskosten. [geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer. 2.4. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand. Het hof zal oordelen dat [appellant] onvoldoende heeft aangetoond dat verkeerd aangedraaide/aangebrachte schroeven in de gordingen een gebrek was dat ten tijde van de oplevering in 2017 al bestond en dat [appellant] over de overige gebreken in het werk die volgens [appellant] tot lekkages hebben geleid te laat heeft geklaagd. Het hof oordeelt daarnaast dat [geïntimeerde] ten aanzien van de houtworm- en boktoraantasting geen waarschuwingsplicht heeft geschonden. Het hof licht zijn oordeel hierna toe. De bezwaren (grieven) van [appellant] worden daarbij thematisch behandeld. 3 De feiten waar het hof van uitgaat 3.1. Het hof gaat uit van de feiten zoals deze in rechtsoverweging 3.1. tot en met 3.22. van het vonnis door de rechtbank zijn vastgesteld en stelt de volgende aanvullende feiten vast. 3.2. Op verzoek van [appellant] heeft het Bureau voor Bouwpathologie (hierna: Deskundige II) op 23 oktober 2024 een onderzoek uitgevoerd op het dak van de manage. [geïntimeerde] was hierbij niet aanwezig. Van het onderzoek is een rapport opgesteld door Deskundige II d.d. 22 april 2025. 3.3. [appellant] heeft aanvullend onderzoek laten uitvoeren door SHR, een deskundige op het gebied van houtaantastende insecten (hierna: Deskundige III) naar de houtworm-/ boktoraantasting in de gordingen. Deskundige III heeft een rapport opgesteld van zijn bevindingen op 30 april 2025. 4 De toelichting op de beslissing van het hof Verkeerd aangebrachte/aangedraaide schroeven 4.1. [appellant] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat [geïntimeerde] schroeven in het dak onjuist heeft aangebracht of aangedraaid. [appellant] heeft zijn stelling bij de rechtbank onderbouwd met het deskundigenrapport van Deskundige I. In hoger beroep doet [appellant] mede een beroep op het rapport van Deskundige II, waarin staat dat de schroeven los en scheef zitten en niet in de top van de plaat zijn geschroefd, waardoor de rubberen afsluitingsringen niet voldoende waterdicht afsluiten, wat tot lekkage kan leiden. Deskundige II rapporteert daarnaast dat er inderdaad vochtaftekeningen op de gordingen zichtbaar zijn rondom de schroeven. Dit wordt onderbouwd met bij het rapport gevoegde foto’s van de schroeven en vochtaftekening op de gordingen. 4.2. Het hof oordeelt dat, ook als het hof aanneemt dat in dit geval sprake is van onjuist bevestigde of vastgedraaide schroeven in het dak en dit kwalificeert als een gebrek in het werk, [appellant] onvoldoende heeft aangetoond dat dit gebrek al aanwezig was ten tijde van de oplevering in 2017. [geïntimeerde] heeft als verweer gevoerd dat een golfplaten dak ‘werkt’: doordat wind onder golfplaten kan komen, kunnen golfplaten op en neer bewegen. Dit zorgt ervoor dat een schroef in een golfplaten dak door verloop van jaren los(ser) of scheef kan gaan zitten. Daarnaast heeft de heer [naam] , technisch directeur van [geïntimeerde] , tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat golfplaten bij temperatuurwisselingen uitzetten en krimpen, wat kleine verschuivingen kan veroorzaken, ook bij de schroeven. Schroeven moeten in het kader van onderhoud aan dergelijke daken daarom periodiek worden nagelopen en soms worden aangedraaid. Door [appellant] is dit alles niet betwist, terwijl het onderzoek door Deskundige II 7,5 jaar na oplevering heeft plaatsgevonden. Niet is daarom vast komen te staan dat er in 2017 bij oplevering van het werk al sprake was van onjuist bevestigde of aangedraaide schroeven. [appellant] heeft over andere gebreken niet op tijd geklaagd 4.3. [appellant] stelt dat er naast onjuist bevestigde of vastgedraaide schroeven nog meer gebreken zijn aan het dak die tot lekkage hebben geleid en heeft meerdere grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank over die gebreken. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat [appellant] onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van gebreken en daarnaast dat [appellant] de gebreken bij oplevering al had kunnen ontdekken, zodat [geïntimeerde] hiervoor niet meer aansprakelijk is. Meer subsidiair heeft [geïntimeerde] het verweer gevoerd dat, ook al zou sprake zijn van gebreken die [appellant] niet bij oplevering had moeten ontdekken (verborgen gebreken), [appellant] de klachtplicht in de zin van artikel 6:89 BW heeft geschonden, waardoor hij geen beroep meer kan doen op die vermeende gebreken. [geïntimeerde] heeft dat verweer in hoger beroep niet prijsgegeven, zodat het hof dit verweer in hoger beroep ook moet beoordelen vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof oordeelt dat, ook als de grieven van [appellant] doel treffen, de vorderingen van [appellant] niet kunnen worden toegewezen, omdat het beroep van [geïntimeerde] op de schending van de klachtplicht slaagt. Het hof licht dit hierna toe. 4.4. [geïntimeerde] heeft zijn verweer als volgt onderbouwd. Volgens [appellant] zitten er kieren tussen de golfplaten, zijn de dakplaten en nokplaten op sommige plaatsen niet aansluitend gelegd, is er onvoldoende overlap aanwezig tussen de platen en zijn de platen gestapeld, niet goed afgeschuind en gebrekkig aangesloten op de hemelwaterafvoer. Deze gebreken waren volgens [appellant] bij oplevering al aanwezig en hebben geleid tot ernstige lekkage. [appellant] heeft in mei 2017 echter alleen gemeld dat hij kieren heeft geconstateerd tussen de golfplaten en heeft in oktober 2017 geklaagd over lekkage bij de dakgoot, die [geïntimeerde] vervolgens heeft verholpen. Toen [appellant] in mei 2017 de vermeende gebreken, namelijk kieren (met kans op lekkage) constateerde, had het op zijn weg gelegen om op dat moment een nauwkeurig onderzoek te verrichten aan het dak. Dat heeft [appellant] nagelaten. [geïntimeerde] heeft daarna lange tijd niets van [appellant] gehoord. [appellant] heeft in de jaren 2018 tot en met 2020 niet geklaagd over problemen aan het dak of over lekkages, totdat [appellant] in februari 2021, na sneeuwstorm Darcy, van zich liet horen. Het is echter niet aannemelijk dat de door [appellant] in 2021 genoemde constructieve of uitvoeringsgebreken die tot lekkages leiden een dergelijke lange periode volledig onopgemerkt zouden blijven. [appellant] had deze gebreken redelijkerwijs eerder moeten ontdekken en voor februari 2021 moeten klagen daarover. Dat heeft [appellant] niet gedaan, zodat hij geen beroep meer kan doen op die gebreken. 4.5. Artikel 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser op een gebrek in een prestatie geen beroep meer kan doen als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken daarover bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. Bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geprotesteerd, moet acht worden geslagen op alle relevante omstandigheden, waaronder het nadeel als gevolg van het verstrijken van de tijd totdat tegen het gebrek is geprotesteerd en de waarneembaarheid van het gebrek. 4.6. Er is in deze zaak sprake van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de uitvoering van het werk door [geïntimeerde] en het moment van klagen. [appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij de gebreken, kieren tussen golfplaten, slechte aansluiting op de hemelwaterafvoer en platen die gebrekkig zijn gelegd en afgeschuind, eerder dan in februari 2021 had moeten ontdekken. [appellant] stelt dat, als gevolg van de vermeende gebreken, sprake is van ernstige lekkage. Bij slecht weer komen er volgens [appellant] grote hoeveelheden water door het dak naar binnen, waardoor de gordingen doorweekt raken, zoals hij heeft onderbouwd met meerdere filmpjes. Ook loopt het water op sommige plekken langs de muren. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat de manege van 2017 tot 2019 geëxploiteerd werd en hij daar in die jaren aanwezig was, maar dat de manege vanaf medio 2019 vanwege een door de gemeente opgelegde last onder dwangsommen is gesloten en dat hij sinds de sluiting weinig in de manage is geweest. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven dat hem in de periode van 2017 tot 2019 geen lekkage is opgevallen en dat hij pas na sneeuwstorm Darcy extra is gaan letten op mogelijke lekkage. [appellant] heeft in dat licht onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij de lekkages niet al voor februari 2021 redelijkerwijs had moeten ontdekken. Uit de stellingen van [appellant] volgt immers dat de lekkages vanaf de sluiting of op een later moment mogelijk al aanwezig waren maar niet door [appellant] zijn opgemerkt omdat hij daar weinig kwam. Dat is een omstandigheid die aan [appellant] valt toe te rekenen. [appellant] heeft in mei 2017 geconstateerd dat er een aantal kieren tussen de golfplaten zat en dit gemeld aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft toen aangegeven dat dit een normaal verschijnsel was na de montage van nieuwe golfplaten en dat [appellant] in de gaten moest houden of dit leidde tot lekkage. [appellant] had dus bedacht moeten zijn op lekkage bij de kieren in het dak en van [appellant] had verwacht mogen worden dat hij geregeld het dak zou (blijven) controleren op lekkages. Dat heeft hij vanaf 2019 tot na sneeuwstorm Darcy in februari 2021 niet gedaan. Daarnaast heeft [appellant] niet uitgelegd waarom hij lekkage over 5 à 6 meter van het dak vanwege een slechte aansluiting op de hemelwaterafvoer in oktober 2017 wel heeft ontdekt (vanwege water dat langs de buitenmuur van de manege naar beneden liep), maar lekkage op andere plekken waar er sprake is van een vermeende onjuiste aansluiting op de hemelwaterafvoer niet heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken. [appellant] voert nog aan, met verwijzing naar het rapport van Deskundige II, dat de lekkages langs de schroeven en dakranden zich over langere tijd hebben ontwikkeld of pas zichtbaar werden tijdens extreem weer in 2021 en hij deze daarom niet eerder heeft kunnen melden bij [geïntimeerde] . Het hof oordeelt, met verwijzing naar rechtsoverweging 4.2, dat de klachtplicht op de lekkages bij de schroeven niet van toepassing is, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de schroeven bij oplevering in 2017 gebrekkig waren en daarmee voor rekening van [geïntimeerde] komen. Het hof gaat daarom aan de stelling van [appellant] met betrekking tot de lekkage bij de schroeven voorbij. Voor wat betreft de lekkages bij de dakranden overtuigt [appellant] ’ stelling evenmin. [appellant] ’ eigen stelling dat het water door het dak naar binnen stroomt, de lekkage niet sporadisch voorkomt en ernstig is, is daarmee in strijd. Deskundige II zegt verder specifiek over de dakranden dat deze met onvoldoende overlap zijn aangebracht, waardoor hemelwater aan de binnenzijde van de zijwanden naar binnen kan komen en dat daardoor de gordingen en wanden zijn aangetast door vocht, verwijzend naar twee foto’s van die dakranden. De aantasting van de gordingen door het vocht is volgens [appellant] ernstig, gezien de eerste foto van bijlage 2 bij het rapport van Deskundige II. [appellant] heeft in het licht van zijn eigen stellingen en die foto’s, ook als wordt aangenomen dat de lekkage bij de dakranden zich langzaam heeft geopenbaard, onvoldoende weersproken dat het aannemelijk is dat hij deze gebreken eerder heeft kunnen ontdekken. [geïntimeerde] heeft verder onweersproken gesteld dat hij door het niet tijdig klagen in zijn belangen is geschaad: door het tijdsverloop is onduidelijk geworden wat de precieze oorzaak van de geconstateerde gebreken is en of deze aan [geïntimeerde] zijn toe te rekenen. De conclusie uit het voorgaande is dat, gelet op hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld, [appellant] onvoldoende heeft betwist dat hij de gebreken redelijkerwijs voor februari 2021 had moeten ontdekken en daarom niet tijdig heeft geklaagd. Het beroep van [geïntimeerde] op de klachtplicht slaagt, zodat [appellant] geen beroep meer kan doen op de hiervoor besproken gebreken. Dit geldt niet voor de houtworm/boktor problematiek die hierna besproken wordt. In zoverre faalt het beroep van [geïntimeerde] op de klachtplicht en ook het beroep op verjaring. Houtworm/boktor in gordingen 4.7. [appellant] maakt vervolgens bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is vast komen te staan dat de gordingen van het dak op het moment van het uitvoeren van de werkzaamheden in april en mei 2017 al geïnfecteerd waren met boktor, dat [appellant] niet duidelijk heeft gemaakt dat, en waarom, een aantasting door boktor door het vervangen van de gordingen zou zijn voorkomen en [geïntimeerde] op dit punt niet is tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Het hof stelt voorop dat in de processtukken en de overgelegde rapporten geen voor het hof helder onderscheid wordt gemaakt waaruit het hof kan afleiden op welke plaatsen sprake is van aantasting door houtworm en op welke plaatsen van aantasting door boktor, zodat het hof deze steeds samen zal aanduiden met ‘houtworm/boktor’. 4.8. [appellant] voert het volgende aan. In 2017 was er al sprake van houtworm/boktor in het pand en in de gordingen, wat blijkt uit de door [appellant] overgelegde foto’s die hij dat jaar maakte en uit de rapporten van deskundige I en II, waarin dit wordt geconstateerd. [appellant] heeft [geïntimeerde] destijds zelf gewezen op het gegeven dat er houtworm/boktor aanwezig was in het pand. Dit was ook de reden dat [appellant] bij [geïntimeerde] aangaf dat hij verwachtte dat alle gordingen vervangen moesten worden, zodat het dak minimaal 20 jaar mee zou kunnen gaan. Volgens [geïntimeerde] was het niet nodig om alle gordingen te vervangen, dus zij heeft alleen die gordingen vervangen die zij nodig achtte. [appellant] is daarin afgegaan op de deskundigheid van [geïntimeerde] . Nu, jaren later, zijn alle gordingen, de ‘oude’ en de in 2017 vervangen gordingen, zodanig beschadigd door houtworm/boktor, dat vervanging daarvan nodig is. Vervanging van alle gordingen in 2017 had de problemen met houtworm/boktor verholpen en [geïntimeerde] heeft dus een verkeerde inschatting gemaakt. Ook heeft [geïntimeerde] haar waarschuwingsplicht geschonden: [geïntimeerde] heeft [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst niet gewezen op de noodzaak van een houtworm-/boktorbehandeling, terwijl deze volgens de rapporten van deskundige II en III noodzakelijk was geweest om de verdere verspreiding van de houtworm/boktor en daarmee de schade te voorkomen. Door haar waarschuwingsplicht te schenden, is [geïntimeerde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en aansprakelijk voor de schade die hieruit is voortgekomen. 4.9. Het hof oordeelt dat [appellant] voldoende heeft onderbouwd dat er in 2017 al sprake was van houtworm/boktor in het pand. Deskundige II en deskundige III (gespecialiseerd op het gebied van houtaantastende insecten) trekken deze conclusie op basis van de door [appellant] overgelegde foto’s en hun eigen onderzoek. [geïntimeerde] heeft deze conclusie in de rapporten niet weersproken of weerlegd. Daarnaast stelt [geïntimeerde] zelf dat er over houtworm/boktor gesproken is ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst, zodat daarmee voldoende vaststaat dat deze al aanwezig waren in 2017. 4.10. Het hof gaat niet mee in de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] een verkeerde inschatting heeft gemaakt door slechts een deel van de gordingen in 2017 te vervangen omdat vervanging van alle gordingen de (verdere) aantasting door houtworm/boktor had kunnen voorkomen. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] alle gordingen had moeten vervangen vanwege de aantasting door houtworm/boktor, maar niet blijkt dat het controleren van de gordingen op houtworm/boktor onderdeel was van de opdracht aan [geïntimeerde] . In de offerteaanvraag dd. 26 augustus 2016 schrijft [appellant] slechts dat hij verwacht dat de houten dwarsbalken van het dak vervangen moeten worden en verzoekt hij een aparte prijsopgave voor deze werkzaamheden. De reden hiervoor wordt niet vermeld. [geïntimeerde] schrijft in de begeleidende mail bij de uitgebrachte offerte van 31 augustus 2016 dat vervanging van de gordingen niet is meegenomen in de offerte, omdat hij vanwege de afwezigheid van zichtbare dellen niet denkt dat dit direct nodig is. Partijen zijn vervolgens na een rondgang door de manege met de opdracht van 8 februari 2017 vervanging van 340m1 gordingen overeengekomen. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij slechts opdracht had om de gordingen te controleren op hun constructieve kwaliteit en om aan de hand van die controle waar nodig gordingen te vervangen. Haar opdracht was niet om de gordingen expliciet te controleren op aantasting door houtworm/boktor en zij heeft hiertoe ook niet de expertise. Door [appellant] is dit onvoldoende weersproken. Hij heeft niets aangedragen of overgelegd waaruit een andere uitleg van de overeenkomst volgt. Door [appellant] is verder niet betwist dat [geïntimeerde] de constructief slechte gordingen in 2017 heeft vervangen en dat de gordingen die [geïntimeerde] in 2017 niet heeft vervangen op dat moment constructief nog goed genoeg waren om het dak te kunnen dragen. Dat vervanging van alle gordingen (verdere) aantasting door houtworm/boktor had kunnen voorkomen, blijkt ook niet uit de conclusies van de door [appellant] ingeschakelde deskundigen. Deskundige II concludeert dat het juist was om gordingen die nog goed van kwaliteit en draagkracht waren te laten zitten, maar benadrukt de noodzaak van behandeling tegen houtworm/boktor, ook uit voorzorg, omdat het aannemelijk is dat als een pand boktor heeft ook ander onbewerkt hout in het pand aangetast is en de houtworm/boktor zonder behandeling zich zal verspreiden. Deskundige III oordeelt gelijkluidend. Het is volgens de deskundige begrijpelijk dat [geïntimeerde] gordingen die fysiek gesproken slechts in geringe mate waren aangetast heeft laten zitten, omdat die gordingen op dat moment constructief nog gewoon deden wat ze moesten doen; het dak dragen. Het besluit om gordingen te laten zitten had volgens de deskundige echter vergezeld moeten gaan van een houtworm-/boktorbehandeling, ook voor de nieuwe gordingen. De deskundige overweegt dat met het vervangen van alle gordingen een grote bijdrage zou zijn geleverd aan het tegengaan van de verspreiding van de aantasting door de insecten, maar dat blijkt dat ook in andere delen van het pand houtworm/boktor aanwezig was; door behandeling waren vervangen en niet vervangen gordingen tegen (verdere) aantasting beschermd geweest. Uit het oordeel van de deskundigen blijkt dus dat vervanging van alle gordingen zonder houtworm-/boktorbehandeling de (verdere) aantasting door houtworm/boktor niet had voorkomen. Omdat houtworm/boktor ook in andere delen van het pand aanwezig was, zouden zonder behandeling de nieuwe gordingen uiteindelijk ook zijn aangetast. Gelet hierop heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] een verkeerde inschatting heeft gemaakt door slechts een deel van de gordingen in 2017 te vervangen. 4.11. [appellant] stelt verder dat [geïntimeerde] de op haar rustende waarschuwingsplicht geschonden heeft door [appellant] niet te waarschuwen dat de gordingen behandeld moesten worden tegen houtworm/boktor om (verdere) aantasting en schade te voorkomen. 4.12. Het hof stelt voorop dat artikel 7:754 lid 1 BW bepaalt dat de aannemer verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor (onder meer) gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever. Daarbij is relevant of de aannemer gelet op zijn deskundigheid die gebreken en ongeschiktheid van zaken behoorde te kennen. Naar het oordeel van het hof bracht de waarschuwingsplicht die op grond van artikel 7:754 lid 1 BW op [geïntimeerde] rustte, in dit geval voor haar niet mee dat zij had moeten waarschuwen dat een houtworm-/boktorbehandeling van de gordingen noodzakelijk was. Het volgende is daarvoor voor het hof redengevend. [appellant] was in 2017 op de hoogte van de aanwezigheid van houtworm/boktor in de gordingen. [appellant] heeft onvoldoende weersproken dat de aantasting met houtworm/boktor ook aanwezig was in andere houten delen van de manege waar de opdracht van [geïntimeerde] niet op zag, die (deels) door [appellant] zelf zijn vervangen. Dit blijkt ook uit de door [appellant] overgelegde foto’s die hij zelf in 2017 heeft gemaakt van aantasting door houtworm/boktor in de randen van de paardenbak en de gordingen en zijn stelling daarover in de processtukken. Daarbij stelt [appellant] ook dat hij [geïntimeerde] zelf heeft gewezen op de aanwezigheid van houtworm/boktor in het pand en dat hij ervan uitging dat alle gordingen daarom vervangen moesten worden. Gelet op hetgeen het hof heeft geoordeeld in rechtsoverweging 4.10, staat vast dat de controle van de gordingen op aantasting met houtworm/boktor geen onderdeel was van de opdracht aan [geïntimeerde] . Ook heeft het hof al beslist dat door [appellant] niet is betwist dat [geïntimeerde] de constructief slechte gordingen in 2017 heeft vervangen en dat de gordingen die [geïntimeerde] in 2017 niet heeft vervangen op dat moment constructief nog goed genoeg waren om het dak te kunnen dragen.