Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-21
ECLI:NL:GHARL:2026:4764
Bboor. Een afvalstof op de bodem brengen, waardoor hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu wordt veroorzaakt. Het bewijsvermoeden dat degene tot wie de afvalstoffen kunnen worden herleid ook de overtreder is, is niet door eiser weerlegd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : GEMW 200.365.283/01 Uitspraak d.d. : 21 juli 2026 Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 7 oktober 2025, betreffende [Eisende partij] (hierna: eiser), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van eiser is [gemachtigde] , werkzaam bij Strafrechtswinkel Tilburg, kantoorhoudende te Tilburg. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet (hierna: Gemw) met kenmerk 2072410312040614200. Het verloop van de procedure De gemachtigde van eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van eiser heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Verweerder heeft daarop gereageerd. De beoordeling 1. De gemachtigde van eiser voert aan dat de organisatie waarbinnen zij werkzaam is, de Strafrechtswinkel Tilburg, geen oproep voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen. 2. Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank van 8 september 2025, waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 7 oktober 2025. Deze brief is gericht aan de Strafrechtswinkel Tilburg op het door de gemachtigde opgegeven adres. In het dossier bevindt zich een kopie van de envelop met daarop een track & trace-code. 3. Als een stuk aangetekend is verzonden en de geadresseerde de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of dat stuk door PostNL op regelmatige wijze op het adres van de geadresseerde is aangeboden. 4. Uit een kopie van de envelop met daarop een track & trace-code blijkt niet zonder meer dat het poststuk ook aan de postdienst is aangeboden en vervolgens aan het adres van de gemachtigde is aangeboden. De verzendgegevens behorend bij de track & trace-code op de envelop zijn (door de griffier van de rechtbank) niet aan het dossier toegevoegd en zijn inmiddels niet meer te achterhalen. Niet kan worden vastgesteld dat de brief op regelmatige wijze op het adres van de gemachtigde is aangeboden en de gemachtigde is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en het beroep tegen de beslissing van verweerder op bezwaar beoordelen. 5. Aan eiser is een bestuurlijke boete opgelegd van € 410,- voor overtreding van artikel 14, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Breda 2016 (hierna: de ASV). De overtreding zou zijn begaan op 22 juli 2024 op de Fagelstraat in Breda. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard door verweerder. 6. De gemachtigde voert aan dat eiser een afspraak had gemaakt met de gemeente om houten planken, afkomstig van een kast, op te halen. Omdat eiser slecht ter been is, heeft hij de planken door een ander buiten laten zetten. Vervolgens hebben andere bewoners hier vuil bij geplaatst. 7. In artikel 14 van de ASV is het volgende bepaald: “1. Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders buiten het milieustation en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de wet, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.” 8. In een door of onder verantwoordelijkheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar opgesteld overtredingsrapport is door deze ambtenaar de volgende verklaring opgenomen: “Op bovengenoemde dag, datum en tijdstip zag ik een illegale storting aan de openbare weg. Na controle met de afvalservice van gemeente Breda blijkt het volgende. In de omgeving zijn er GEEN inwoners, die een afspraak hebben gemaakt voor het ophalen van grofvuil door de afvalservice van de gemeente Breda. Na controle wist ik te achterhalen waar het afval vandaan kwam. Na de controle van deze gegevens blijkt dat de gevonden gegevens overeenkomen met de gegevens van de bovengenoemde betrokkene. De gegevens zijn ook gecontroleerd met de gegevens vanuit het gemeenteregister. Ik zag dat de illegale stort bestond uit: grofvuil.” 9. Het overtredingsrapport bevat verder een aantal foto’s. Hierop is het door de ambtenaar genoemde grofvuil te zien, waaronder een aantal planken, stoelen en afvalzakken. Achter de planken ligt een kartonnen doos. Deze doos bevat een brief gericht aan eiser. 10. Niet in geding is dat op genoemde datum, tijd en plaats, op de bodem afval is aangetroffen, waaronder houten planken en een kartonnen doos met een brief gericht aan eiser. Dit afval veroorzaakt hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu. 11. Eiser heeft verklaard dat de planken in zijn opdracht ter plaatse zijn neergezet. Eiser kan daarvoor verantwoordelijk worden gehouden. De stelling dat eiser een afspraak had met de gemeente om houten planken op te halen wordt weersproken door de verklaring van de ambtenaar, die verklaart dat uit navraag bij de afvalservice van de gemeente Breda is gebleken dat er geen inwoners waren die een afspraak hadden gemaakt voor het ophalen van grofvuil. In zoverre is de bestuurlijke boete terecht opgelegd. 12. Gelet op wat is aangevoerd ziet het hof zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiser met betrekking tot de overige afvalstoffen ook als overtreder kan worden aangemerkt. In dat verband is van belang dat, zoals in vaste jurisprudentie ook is uitgemaakt, in het derde lid van artikel 14 van de ASV is opgenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, geacht wordt te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Dit bewijsvermoeden wijkt indien die persoon aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. 13. Van eiser wordt in dit verband niet verwacht dat hij onomstotelijk aantoont dat hij de overtreding met betrekking tot de kartonnen doos en de overige afvalstoffen niet heeft begaan. Het bewijsvermoeden dat degene tot wie de afvalstoffen kunnen worden herleid ook de overtreder is, kan worden weerlegd door het aannemelijk maken van het tegendeel. Dat kan bijvoorbeeld door het geven van een concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring voor het, zonder toedoen van de beboete persoon, belanden van de aangetroffen afvalstoffen op die plek. Ook zou met objectieve omstandigheden aannemelijk kunnen worden gemaakt dat hij of zij niet in de gelegenheid was om de aangetroffen afvalstoffen op die plek achter te laten.