Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-22
ECLI:NL:GHARL:2026:4716
Het hof verklaart bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige buurmeisje. Het hof veroordeelt verdachte voor dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof spreekt verdachte vrij van het plegen van seksuele handelingen met zijn buurmeisje in de periode na 1 juli 2024 en het bezit van kinderpornografische afbeeldingen. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005339-25 Uitspraakdatum: 22 juli 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 december 2025 met parketnummer 08-047595-25 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , op dit moment verblijvende in [plaats] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank van 25 november 2025. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.H.J. van Dooijeweert, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. J.J.J. Broekhuizen, hebben aangevoerd. Het vonnis De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van – kort gezegd – het in de periode van 26 augustus 2019 tot en met 30 juni 2024 met de minderjarige [slachtoffer] , die toen nog geen twaalf jaar was, ontuchtige handelingen plegen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen bij [slachtoffer] ( feit 3 primair ) dan wel met de minderjarige [slachtoffer] ontuchtige handelingen plegen ( feit 3 subsidiair ), terwijl [slachtoffer] aan de zorg of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd en hij misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie. Daarnaast heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van het in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 februari 2025 met de minderjarige [slachtoffer] , die toen nog geen twaalf jaar was, seksuele handelingen verrichten die mede bestonden uit het seksueel binnendringen bij [slachtoffer] ( feit 4 primair ) dan wel het met de minderjarige [slachtoffer] seksuele handelingen verrichten ( feit 4 subsidiair ), terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a en/of b, van het Wetboek van Strafrecht, omschreven omstandigheden. Verder heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van het in de periode van 21 maart 2022 tot en met 30 juni 2024 ( feit 1 primair ) en in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 februari 2025 ( feit 2 primair ) met de minderjarige [slachtoffer 2] , die toen nog geen twaalf jaar was, ontuchtige handelingen plegen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen bij [slachtoffer 2] . De rechtbank heeft – kort gezegd – bewezenverklaard dat verdachte in de periode van 21 maart 2022 tot en met 30 juni 2024 met de minderjarige [slachtoffer 2] , die toen nog geen twaalf jaar was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, terwijl [slachtoffer 2] aan de zorg of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd en hij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer 2] ( feit 1 subsidiair ). Daarnaast heeft de rechtbank bewezenverklaard dat verdachte zich in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 februari 2025 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met de minderjarige [slachtoffer 2] , die toen nog geen twaalf jaar was, terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a en/of b, van het Wetboek van Strafrecht, omschreven omstandigheden ( feit 2 subsidiair ). Ten slotte heeft de rechtbank bewezenverklaard dat verdachte in de periode van 16 oktober 2024 tot en met 11 februari 2025 kinderporno heeft verworven en in zijn bezit heeft gehad ( feit 5 ). De verdachte is voor de bewezen verklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren. De rechtbank heeft aan deze proeftijd zowel algemene als bijzondere voorwaarden gekoppeld. De vordering van de benadeelde partij is - voor zover deze ziet op de aan [slachtoffer 2] toegebrachte schade - toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De gevorderde materiële schade is afgewezen. De rechtbank heeft de benadeelde partij in haar vordering - voor zover deze ziet op de aan [slachtoffer] toegebrachte schade - niet-ontvankelijk verklaard. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en tot een andere strafoplegging dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis voor zover in hoger beroep nog aan de orde en doet opnieuw recht. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Verdachte is door rechtbank vrijgesproken van wat aan hem onder 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 4 subsidiair is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraken. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart hem daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken voor de feiten 3 en 4. Tenlastelegging Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat: 1. primair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 maart 2022 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, zijnde een minderjarig kind dat aan zijn zorg of waakzaamheid was toevertrouwd, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] te weten - het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of - het houden/duwen van zijn penis tegen de vulva van die [slachtoffer] en/of - het laten vasthouden, althans het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer] en/of - het die [slachtoffer] met een massageapparaat, althans met een voorwerp, laten betasten van haar eigen vulva en/of - het maken van foto's en/of filmpjes van de ontblote vulva, althans van het ontblote onderlijf van die [slachtoffer] en/of van een of meer voornoemde seksuele handelingen, terwijl dat feit werd begaan tegen een persoon bij wie hij, verdachte, misbruik van een kwetsbare positie heeft gemaakt; 1. subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 maart 2022 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, zijnde een minderjarig kind dat aan zijn zorg of waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten - het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of - het houden/duwen van zijn penis tegen de vulva van die [slachtoffer] en/of - het laten vasthouden, althans het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer] en/of - het die [slachtoffer] met een massageapparaat, althans met een voorwerp, laten betasten van haar eigen vulva en/of - het maken van foto's en/of filmpjes van de ontblote vulva, althans van het ontblote onderlijf van die [slachtoffer] en/of van een of meer voornoemde seksuele handelingen, terwijl dat feit werd begaan tegen een persoon bij wie hij, verdachte, misbruik van een kwetsbare positie heeft gemaakt; 2. primair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 februari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of - het houden/duwen van zijn penis tegen de vulva van die [slachtoffer] en/of - het laten vasthouden, althans het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer] en/of - het die [slachtoffer] met een massageapparaat, althans met een voorwerp, laten betasten van haar eigen vulva en/of - het maken van foto's en/of filmpjes van de ontblote vulva, althans van het ontblote onderlijf van die [slachtoffer] en/of van een of meer voornoemde seksuele handelingen, terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a en/of b, omschreven omstandigheden, te weten jegens een kind waarover verdachte het gezag uitoefende en/of jegens een anderszins aan de zorg, waakzaamheid en/of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of jegens een aan verdachte ondergeschikt kind en/of jegens een kind in een bijzonder kwetsbare positie ten gevolge van een psychische stoornis, een verstandelijke en/of lichamelijke handicap een situatie van afhankelijkheid en/of een staat van lichamelijke en/of geestelijke onmacht en/of psychische problematiek/schade en/of trauma; 2. subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 februari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of - het houden/duwen van zijn penis tegen de vulva van die [slachtoffer] en/of - het laten vasthouden, althans het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer] en/of - het die [slachtoffer] met een massageapparaat, althans met een voorwerp, laten betasten van haar eigen vulva en/of - het maken van foto's en/of filmpjes van de ontblote vulva, althans van het ontblote onderlijf van die [slachtoffer] en/of van een of meer voornoemde seksuele handelingen, terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a en/of b, omschreven omstandigheden, te weten jegens een kind waarover verdachte het gezag uitoefende en/of jegens een anderszins aan de zorg, waakzaamheid en/of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of jegens een aan verdachte ondergeschikt kind en/of jegens een kind in een bijzonder kwetsbare positie ten gevolge van een psychische stoornis, een verstandelijke en/of lichamelijke handicap een situatie van afhankelijkheid en/of een staat van lichamelijke en/of geestelijke onmacht en/of psychische problematiek/schade en/of trauma; 5. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 oktober 2024 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (in de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht) een of meer afbeeldingen en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en/of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft en/of (in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 oktober 2024 artikel 252 Wetboek van Strafrecht) een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten een telefoon (Samsung SM-A346B) bevattende afbeeldingen, waarop te zien is dat: die persoon vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een voorwerp en/of het geslachtsdeel van die persoon met een hand/vinger(s) wordt/worden aangeraakt en/of het geslachtsdeel, de billen en/of de borsten van een persoon met een hand/vinger(s) en/of mond/tong wordt/worden aangeraakt door die persoon en/of die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen en/of de eigen borsten met een massageapparaat, althans een voorwerp aanraakt en/of die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of met een massageapparaat, althans een voorwerp en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn/haar leeftijd past en/of - die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of - door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto's/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht en/of bij/naast het gezicht en/of het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsoverweging feit 1 primair en subsidiair Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde en hem te veroordelen voor het subsidiair ten laste gelegde. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Voor wat betreft het subsidiair ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat enkel bewezen kan worden dat de periode waarin de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden beperkt is gebleven tot een korte periode in 2023 (april/mei). Oordeel van het hof De rechtbank heeft in haar vonnis uitvoerige overwegingen gewijd aan het bewijs. Het hof maakt die overwegingen grotendeels tot de zijne en zal die – voor zover het hof de overwegingen van de rechtbank overneemt – hierna citeren en gecursiveerd weergeven. Waar in de hierna cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld moet ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof worden niet-cursief weergegeven. Inleiding De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van het dossier als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. De zusjes [slachtoffer] en [slachtoffer 2] volgen in september 2024 Zeer Intensieve Traumabehandeling (hierna: ZIT) bij [Instantie] naar aanleiding van seksueel misbruik door een buurtbewoner (niet zijnde verdachte). Tijdens een therapiesessie op 18 september 2024 doet [slachtoffer] voor het eerst uitspraken over seksueel misbruik door een buurman die zij ‘ [verdachte] ’ noemt, oftewel verdachte. Het behandeltraject van de zusjes wordt in verband hiermee tijdelijk stopgezet. Nadat [Slachtoffer 3] , de vader van [slachtoffer] en [slachtoffer 2] , door de betrokken therapeuten op de hoogte is gesteld van de uitspraken van [slachtoffer] , doet hij op 24 september 2024 namens zijn beide dochters aangifte tegen verdachte. [slachtoffer] en [slachtoffer 2] worden vervolgens op 1 oktober 2024 afzonderlijk van elkaar in een kindvriendelijke studio door gecertificeerde zedenrechercheurs verhoord. Beiden verklaren over seksueel misbruik door ‘ [verdachte] ’. Ook zou verdachte foto’s hebben gemaakt van hun geslachtsdelen. Op 16 oktober 2024 vindt een eerste doorzoeking in de woning van verdachte plaats waarbij verschillende gegevensdragers in beslag worden genomen. Op een in beslag genomen telefoon wordt kinderporno aangetroffen. Bij hervatting van de ZIT in januari 2025 verklaart zowel [slachtoffer] als [slachtoffer 2] dat het seksueel misbruik door ‘ [verdachte] ’ nog steeds plaatsvindt. Op 11 februari 2025 wordt verdachte aangehouden. Diezelfde dag vindt een tweede doorzoeking in de woning van verdachte plaats en worden wederom verschillende gegevensdragers in beslag genomen. Op een in beslag genomen laptop wordt kinderporno aangetroffen. Het juridisch kader De rechtbank staat allereerst voor de vraag of er voor de aan verdachte verweten strafbare feiten voldoende wettig bewijs voorhanden is. Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Het steunbewijs hoeft geen betrekking te hebben op de ten laste gelegde gedragingen, maar er moet wel een voldoende duidelijk en geen te ver verwijderd verband zijn tussen de verklaring van het vermeende slachtoffer en het steunbewijs. Met name in zedenzaken – waarin het vaak gaat om feiten waarbij maar twee personen aanwezig zijn geweest en het niet zelden het woord is van een aangever tegen dat van de verdachte – geldt dat het voldoende is wanneer de belastende verklaring van een aangever, maar alleen als deze als voldoende betrouwbaar kan worden beoordeeld, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Tussen die verklaring en het overige bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. Vaststelling van de feiten en omstandigheden De verklaringen van [slachtoffer 2] , de ouders van [slachtoffer 2] en verdachte [slachtoffer 2] [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] , verklaart tijdens het studioverhoor op 1 oktober 2024 onder andere dat ‘ [verdachte] ’, oftewel verdachte, zijn piemel tegen haar muts heeft aangedaan. Op de vraag wat haar muts is, legt [slachtoffer 2] haar hand in haar kruis en op de vraag wat ze met haar muts kan, zegt ze ‘plassen’. Verdachte kon met zijn piemel tegen haar muts aankomen, omdat hij zijn broek en onderbroek en die van [slachtoffer 2] naar beneden deed. Dit gebeurde in het huis van verdachte, op [huisnummer] en is volgens [slachtoffer 2] drie keer gebeurd. De piemel stond dan naar voren. De piemel van verdachte had dezelfde kleur als de hand van [slachtoffer 2] , maar dan zonder vlekje. Voordat verdachte zijn piemel tegen haar muts aandeed, pakte hij een spray uit een kastje en deed hij deze spray op zijn piemel. Deze spray was wit en zat in een wit-oranje gekleurde fles met een doorzichtige dop. [slachtoffer 2] verklaart dat het gebeurde in de slaapkamer van verdachte, deze was boven aan de rechterkant. [slachtoffer 2] lag dan op het bed en verdachte stond tegen het bed aan. Zij had haar benen dan een beetje uit elkaar en ze voelde dit bij haar kruis. De piemel ging er dan ‘half tegen aan’. Het voelde niet fijn bij haar muts als verdachte dit deed. Het stopte doordat verdachte zijn piemel weer in zijn onderbroek deed en zijn broek omhoog deed. Daarna deed verdachte de onderbroek en broek van [slachtoffer 2] omhoog. [slachtoffer 2] vond het niet leuk als verdachte dit bij haar deed. Verdachte zei niets als [slachtoffer 2] en hij naar de slaapkamer gingen. [slachtoffer 2] ‘wist gewoon’ dat zij op bed moest gaan liggen. Dit wist zij omdat verdachte er beneden in de woonkamer ook al aan zat, als zij haar broek en onderbroek nog aan had. Er was niemand thuis als het gebeurde. Verdachte woont samen met [de vrouw] en als [de vrouw] naar haar werk was, deed verdachte het altijd. [slachtoffer 2] verklaart verder dat verdachte met zijn telefoon een foto heeft gemaakt van haar muts. Ze droeg alleen een T-shirt. Haar broek en onderbroek waren naar beneden. [slachtoffer 2] weet dat verdachte een foto maakte, omdat ze erbij was en zij de camera zag. [slachtoffer 2] verklaart dat ze altijd naar verdachte toeging omdat hij haar snoep gaf. Ze kreeg ronde balletjes met verschillende kleurtjes van verdachte. [slachtoffer 2] verklaart dat zij heel vaak naar verdachte toe ging, maar nu niet meer. Volgens [slachtoffer 2] is het al heel lang geleden dat zij verdachte heeft gezien en dat hij zijn piemel bij haar muts deed. Uit informatie over de traumabehandeling van [slachtoffer 2] in januari 2025 volgt dat [slachtoffer 2] over ‘ [verdachte] ’ heeft verteld. Zo vertelt [slachtoffer 2] tijdens de therapiesessie op 6 januari 2025 dat verdachte met zijn hand tegen haar muts (vagina) aanging. Dit is volgens [slachtoffer 2] twaalf keer gebeurd en gebeurde voor en na de therapiesessies. Twee weken geleden, rond kerst, gebeurde het ook. Op de vraag of het rond kerst of rond Sinterklaas is gebeurd, antwoordt [slachtoffer 2] ‘eerder dan Sinterklaas’. Tijdens de (ochtend)therapiesessie op 8 januari 2025 speelt [slachtoffer 2] een scenario met een poppenhuis en poppen na. Zij ligt als poppetje op het bed en verdachte staat als poppetje naast het bed, met zijn kruis tegen haar kruis aan. [slachtoffer 2] wil hier liever niet over vertellen. De dingen die in het huis gebeuren bewaart [slachtoffer 2] in plaats daarvan in zogenaamde schatkistjes. [slachtoffer 2] komt met vier geheimpjes die bij de situatie passen. Tijdens de (middag)therapiesessie op 8 januari 2025 lopen ze de schatkistjes langs en schrijft [slachtoffer 2] de geheimpjes (herinneringen) op. De eerste herinnering is ‘ [verdachte] ging met zijn piemel tegen mijn muts aan’, waarbij ze wijst naar haar vagina. De tweede herinnering betreft ‘Elke keer als ik bij hem kwam moest ik hem een kusje geven’. De derde herinnering is ‘Ik ging op mijn telefoon (fijne filmpjes kijken) toen ging hij met zijn hand tegen mijn muts aan’, waarbij [slachtoffer 2] naar haar vagina wijst. De vierde herinnering weet [slachtoffer 2] niet meer. Wel schetst [slachtoffer 2] door middel van twee duplopoppen het scenario dat [slachtoffer 2] op bed ligt met haar benen een klein beetje wijd en dat verdachte voor [slachtoffer 2] bij het bed staat. [slachtoffer 2] vertelt daarbij ‘toen deed hij zijn piemel tegen mijn muts’. [slachtoffer 2] vertelt desgevraagd dat de ‘piemel niet in de kleren zat’. Ze heeft de piemel gezien, maar weet niet hoe die eruitzag. De vader van [slachtoffer 2] De heer [Slachtoffer 3] (hierna: de vader van [slachtoffer 2] ) doet op 24 september 2024 aangifte tegen verdachte van onder andere het misbruik van [slachtoffer 2] . Hij verklaart dat hij en zijn gezin in 2018 bij verdachte in de straat zijn komen te wonen en dat hij in datzelfde jaar bevriend is geraakt met verdachte. Zijn kinderen, waaronder zijn dochter [slachtoffer 2] , gingen dagelijks naar het huis van verdachte toe om snoepjes te halen. Ook speelden ze bij verdachte thuis en paste verdachte wel eens op. Zijn kinderen noemden verdachte ‘ [verdachte] ’. Op 4 oktober 2024 verklaart de vader van [slachtoffer 2] dat het regelmatig voorkwam dat [slachtoffer 2] alleen bij verdachte thuis was. In 2022 of 2023 vertelde [slachtoffer 2] voor het eerst aan hem dat verdachte aan haar zou hebben gezeten. Hij is vervolgens verhaal gaan halen bij verdachte en verdachte ontkende aan [slachtoffer 2] te hebben gezeten. [slachtoffer 2] bleef aanvankelijk volhouden dat het wel gebeurd was. In een aanvullend verhoor op 31 maart 2025 verklaart de vader van [slachtoffer 2] dat de hierboven bedoelde eerste uitlatingen van [slachtoffer 2] over verdachte inhielden dat [slachtoffer 2] bij verdachte op de keukentafel zat en dat verdachte met zijn piemel bij haar muts had gezeten. Zij vertelde dit voordat het verhaal van het seksueel misbruik door een andere buurtbewoner naar buiten kwam. [slachtoffer 2] mocht van haar ouders naar het huis van verdachte toe blijven gaan. Zij geloofden verdachte en vertrouwden hem met [slachtoffer 2] . Nadat zijn dochter [slachtoffer] in september 2024 tijdens haar therapie uitspraken deed over verdachte, mochten zijn kinderen niet meer bij verdachte thuis komen. De moeder van [slachtoffer 2] Op 18 april 2025 is mevrouw [slachtoffer 4] (hierna: de moeder van [slachtoffer 2] ) (aanvullend) als getuige gehoord. Zij verklaart dat [slachtoffer 2] op 7 mei 2023 aan haar en haar vader vertelde dat zij een geheimpje had met verdachte. [slachtoffer 2] vertelde aan hen dat verdachte zijn piemel in haar muts had gedaan. [slachtoffer 2] vertelde dat het in keuken van verdachte was gebeurd, dat zij op de tafel stond en dat verdachte haar onderbroek omlaag had gedaan. De moeder van [slachtoffer 2] heeft hiervan een notitie gemaakt in haar telefoon. Het tijdstip van deze notitie is 7 mei 2023 16:00 uur. De vader van [slachtoffer 2] heeft verdachte daarna geconfronteerd, maar verdachte ontkende alles. De moeder van [slachtoffer 2] verklaart verder dat [slachtoffer 2] , na de laatste therapiesessie, had verteld dat verdachte hetzelfde had gedaan als [verdachte 2] (zijnde de andere buurtbewoner waartegen de verdenking van seksueel misbruik van [slachtoffer 2] op dat moment bestond). [slachtoffer 2] vertelde dat dit zowel beneden als boven in het bed van verdachte gebeurde. De moeder van [slachtoffer 2] verklaart verder dat zij (voor 7 mei 2023) niet weet hoe vaak [slachtoffer 2] bij verdachte thuis kwam. Ze had vaak geen flauw idee waar haar kinderen waren. Vaak kreeg ze dan een berichtje of een foto van verdachte dat haar dochters bij hem waren. Ook vertelden haar dochters dat ze naar verdachte gingen of gingen ze stiekem naar hem toe. Na 7 mei 2023 kwamen haar dochters nog zeker twee of drie keer per week bij verdachte thuis. De verdachte Verdachte verklaart dat [slachtoffer 2] af en toe bij hem aan de deur kwam om een snoepje of drinken te halen. [slachtoffer 2] was daarbij zelden alleen en meestal met één of twee anderen, zoals haar zus [slachtoffer] . Hij paste ook wel eens bij hen thuis op. Ze noemde hem ‘ [verdachte] ’. Verdachte verklaart dat de thuissituatie van [slachtoffer 2] zorgelijk was. [slachtoffer 2] zou thuis fysiek en mentaal worden mishandeld en zou niet goed worden verzorgd door haar ouders. Zo verklaart verdachte dat [slachtoffer 2] een keer zonder onderbroekje bij hem thuis was gekomen, omdat zij geen schone onderbroek meer had. Vanwege deze moeilijke situatie ‘vluchtte’ [slachtoffer 2] naar verdachte toe en kwam zij bij hem liefde halen, aldus verdachte. Verdachte verklaart dat [slachtoffer 2] op een dag ineens bij hem naar boven ging en op het bed in de logeerkamer ging liggen. [slachtoffer 2] deed vervolgens haar rokje omhoog. Ze had geen onderbroekje aan. Verdachte verklaart dat er op dat moment iets bij hem is ‘geknapt’ en dat hij foto’s van haar ontblote onderlijf heeft gemaakt. Hij heeft ook een foto gemaakt van [slachtoffer 2] terwijl zij zijn massage-apparaat tegen haar plasser aanhield. Dit gebeurde ook in de logeerkamer. Verdachte verklaart verder dat [slachtoffer 2] zijn penis heeft vastgepakt en dat hij vervolgens zijn ontblote penis tegen de ontblote vagina (de schaamlippen) van [slachtoffer 2] heeft aangedaan. Verdachte deed daarvoor zijn sportbroekje een beetje naar beneden, zodat zijn penis boven de broeksband zichtbaar was. Zijn piemel was op dat moment niet keihard maar hij voelde wel een ‘prikkel’. Verdachte heeft hier vervolgens een foto van gemaakt. Het houden van zijn penis tegen de vagina van [slachtoffer 2] duurde in totaal ongeveer tien tot vijftien seconden. Verdachte verklaart dat hij dit twee keer met [slachtoffer 2] heeft gedaan; dit gebeurde kort na elkaar. In totaal heeft verdachte twee of drie keer foto’s gemaakt van een half-blote [slachtoffer 2] . De betreffende foto’s van [slachtoffer 2] heeft hij weggegooid en heeft hij nooit aan iemand laten zien. Verdachte verklaart verder dat het wel eens is gebeurd dat [slachtoffer 2] hem kort op de mond kuste. Verdachte verklaart dat de ontucht met [slachtoffer 2] gedurende een korte periode in 2023 plaatsvond. In diezelfde periode vertelden [slachtoffer 2] en haar zus [slachtoffer] aan verdachte over de verdenking van seksueel misbruik van hun tweeën door een buurtbewoner. In die periode is de vader van [slachtoffer 2] één keer bij verdachte aan de deur geweest omdat [slachtoffer 2] had gezegd dat verdachte zijn piemel tegen haar vagina had aangedaan. Dat was op dat moment ook gebeurd, aldus verdachte. Betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en daarmee bruikbaar is voor het bewijs. De rechtbank stelt daarbij voorop dat dergelijke verklaringen moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid, bezien in het licht van de leeftijd en mogelijke kwetsbaarheid van minderjarigen. De rechtbank stelt vast dat de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring tijdens het studioverhoor op 1 oktober 2024 grotendeels en op essentiële onderdelen gelijkluidend is aan hetgeen zij tijdens haar therapiesessies op 6 januari 2025 en 8 januari 2025 heeft verteld. Zij heeft consistent, uitgebreid en gedetailleerd verklaard. Zo beschrijft [slachtoffer 2] in haar verklaringen de door verdachte verrichte seksuele handelingen steeds op dezelfde wijze. Dit geldt ook voor de omstandigheden waaronder de handelingen zich hebben voorgedaan. Zo benoemt zij bij herhaling de wijze waarop verdachte zijn penis tegen haar muts (vagina) heeft aangedaan en hoe verdachte en zij op dat moment ten opzichte van elkaar gepositioneerd waren: zij op het bed met haar benen iets uit elkaar en verdachte staand tegen het bed aan met de piemel ‘half tegen’ haar muts. Ook beeldt ze dit scenario op verschillende momenten met (duplo)poppen uit. De verklaring van [slachtoffer 2] dat verdachte met zijn piemel bij haar muts heeft gezeten, vindt daarnaast bevestiging in de verklaringen van de ouders van [slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte zelf. Zij verklaren alle drie dat de vader van [slachtoffer 2] verhaal ging halen bij verdachte, nadat [slachtoffer 2] aan haar ouders had verteld dat verdachte zijn piemel bij haar muts had gedaan. Uit de verklaring van de vader van [slachtoffer 2] volgt dat verdachte het verhaal van [slachtoffer 2] ontkende, maar dat [slachtoffer 2] aanvankelijk bleef volhouden dat het wel was gebeurd. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat er op dat moment inderdaad al ontucht had plaatsgevonden met [slachtoffer 2] . Ook dit gegeven ondersteunt de verklaring van [slachtoffer 2] . Tot slot verklaart [slachtoffer 2] dat het betasten van haar muts zowel in de woonkamer als boven bij verdachte in de slaapkamer gebeurde. Dit vindt bevestiging in de verklaring van de moeder van [slachtoffer 2] , inhoudende dat [slachtoffer 2] had verteld dat het zowel beneden als boven in het bed van verdachte gebeurde. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] te twijfelen, ook niet ten aanzien van de handeling (het betasten van de vulva) die verdachte heeft ontkend. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is. De rechtbank zal deze verklaring daarom gebruiken voor het bewijs. Vrijspraak seksueel binnendringen Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs is voor het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2] . De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Ontuchtige handelingen De rechtbank dient vervolgens te bepalen of voldoende wettig bewijs voorhanden is voor de ontucht met [slachtoffer 2] , zoals ten laste gelegd onder feit 1 subsidiair. Daartoe dient de rechtbank te beoordelen of de verklaring van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Verdachte heeft de ten laste gelegde ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] grotendeels bekend, zodat de verklaring van verdachte steunbewijs vormt voor de verklaring van [slachtoffer 2] . Het gaat daarbij om het houden van zijn (ontblote) penis tegen de vulva van [slachtoffer 2] , het laten vasthouden van zijn penis door [slachtoffer 2] , het door [slachtoffer 2] laten betasten van haar eigen vulva met een massage-apparaat, het kussen van [slachtoffer 2] en het maken van foto’s van de ontblote vulva van [slachtoffer 2] . Verdachte heeft ontkend dat hij de vulva van [slachtoffer 2] heeft betast. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] over het betasten van haar vulva door verdachte. De rechtbank acht deze verklaring voldoende voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging, vooral ook omdat haar verklaring over de overige seksuele handelingen van verdachte steun vindt in de verklaring van verdachte. Periode [slachtoffer 2] heeft tijdens het studioverhoor op 1 oktober 2024 verklaard dat zij heel vaak naar het huis van verdachte ging en dat het ‘al heel lang geleden’ is geweest sinds verdachte zijn piemel tegen haar muts aan deed. Uit de verklaring van de ouders van [slachtoffer 2] , de verklaring van verdachte zelf en de telefoonnotitie van de moeder van [slachtoffer 2] , volgt dat dit in ieder geval één keer voor 7 mei 2023 is gebeurd. Verdachte heeft zelf verklaard dat de ontucht met [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden gedurende een korte periode in 2023. Uit de verklaring van de ouders van [slachtoffer 2] volgt dat [slachtoffer 2] in de periode na 7 mei 2023 tot en met de ZIT in september 2024 nog regelmatig bij verdachte thuis kwam. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de ontucht heeft plaatsgevonden binnen de ten laste gelegde periode van 21 maart 2022 tot en met 30 juni 2024. Aan de zorg of waakzaamheid toevertrouwd In onderhavige zaak heeft de ontucht plaatsgevonden in het huis en in de slaapkamer van verdachte. [slachtoffer 2] was in de ten laste gelegde periode het minderjarige buurmeisje, vier jaar oud, van de ruim zestig jaar oudere verdachte. [slachtoffer 2] noemde verdachte ‘ [verdachte] ’ en ging regelmatig naar hem toe voor snoepjes of om te spelen. Ook paste verdachte wel eens op [slachtoffer 2] . De ouders van [slachtoffer 2] wisten dat [slachtoffer 2] regelmatig bij verdachte over de vloer kwam en zij vertrouwde verdachte met [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat [slachtoffer 2] in de ten laste gelegde periode aan de zorg of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd. Misbruik van kwetsbare positie De rechtbank stelt vast dat verdachte uitvoerig heeft verklaard over de zorgelijke thuissituatie van [slachtoffer 2] . Verdachte en zijn huis fungeerde naar eigen zeggen als een veilige haven voor [slachtoffer 2] , waar zij haar thuissituatie even kon ontvluchten. Ook heeft verdachte verklaard dat hij op enig moment in 2023 op de hoogte is geraakt van het feit dat [slachtoffer 2] vermoedelijk slachtoffer was geworden van seksueel misbruik door een buurtbewoner. Deze omstandigheden, in combinatie met de destijds zeer jonge leeftijd van [slachtoffer 2] , maken dat [slachtoffer 2] gedurende de ten laste gelegde periode in een (bijzonder) kwetsbare positie verkeerde. Verdachte wist daarvan en heeft hier misbruik van gemaakt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de (bijzonder) kwetsbare positie van [slachtoffer 2] , zoals ten laste gelegd onder feit 1 subsidiair. Concluderend Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 21 maart 2022 tot en met 30 juni 2024 ontuchtige handelingen heeft verricht met de aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] en dat verdachte daarbij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer 2] , zoals ten laste gelegd onder feit 1 subsidiair. Vrijspraak feit 2 primair en subsidiair Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde en hem te veroordelen voor het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 2] over de periode waarin de seksuele handelingen zijn verricht betrouwbaar is. De verklaring van verdachte is naar het oordeel van de advocaat-generaal ongeloofwaardig. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met [slachtoffer 2] . Uit het dossier volgt weliswaar dat [slachtoffer 2] tijdens een therapiesessie in januari 2025 heeft verklaard dat het misbruik “twee weken geleden, rond kerst en eerder dan Sinterklaas” nog plaatsvond, maar het dossier bevat daarvoor geen andere, objectieve, bewijsmiddelen. Verdachte heeft enkel verklaard over een korte periode in 2023 en ook de moeder van [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] na 7 mei 2023 niets meer heeft verteld over (misbruik door) verdachte. Verdachte heeft zelf enkel verklaard over een korte periode in 2023 en heeft stellig ontkend zich in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 februari 2025 schuldig gemaakt te hebben aan het ten laste gelegde. Oordeel van het hof Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij. Het hof zal deze beslissing hieronder toelichten. Uit het verslag van de traumabehandeling door de ZIT op 6 januari 2025 (’s middags) volgt dat [slachtoffer 2] tijdens haar behandeling het volgende heeft geschreven: “ [verdachte] . ging met zijn hand tegen mijn muts (= vagina) aan. Dit is 12x gebeurd. En gebeurde voor en na de ZIT. 2 weken geleden (rond kerst) gebeurde dit ook.” Verder schreef zij: “ [verdachte] . ging met zijn piemo tegen mijn muts aan.” Op de vraag van de therapeut of dit ook na de ZIT was gebeurd (het hof begrijpt: na het stopzetten van de behandeling in september 2024) antwoordde [slachtoffer 2] met “ja”. Op de vraag of het rond Kerst was gebeurd of rond Sinterklaas, antwoordde [slachtoffer 2] dat het eerder dan Sinterklaas was. [slachtoffer 2] is op 1 oktober 2024, dus vóór haar verklaring tijdens de therapiesessie op 6 januari 2025, in een kindvriendelijke studio door de politie gehoord. Zij is naar aanleiding van deze nieuwe informatie niet nogmaals door de politie gehoord. De door [slachtoffer 2] geschreven tekst, inhoudende dat het misbruik ook “na de ZIT” en “twee weken geleden (rond Kerst)” nog plaatsvond, bevindt zich niet in het dossier. Het voorgaande betekent dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om dit specifieke onderdeel van de (door de therapeut opgeschreven) verklaring van [slachtoffer 2] te toetsen op betrouwbaarheid. Daar komt bij dat het dossier voor wat betreft dit onderdeel (de ten laste gelegde periode) onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Verdachte heeft stellig ontkend zich in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 februari 2025 schuldig gemaakt te hebben aan het verrichten van seksuele handelingen met [slachtoffer 2] . Ook de verklaringen van de vader en de moeder van [slachtoffer 2] bieden op dit punt onvoldoende steun voor haar verklaring. De vader van [slachtoffer 2] heeft immers enkel verklaard dat [slachtoffer] , de zus van [slachtoffer 2] , op 7 januari 2025 aan hem vertelde dat “ [verdachte] nog steeds bezig is” en “het” in december nog gebeurd was. Op de vraag in hoeverre hij hier nog met [slachtoffer 2] over gesproken heeft, antwoordde hij dat hij enkel met haar en [slachtoffer] heeft besproken dat zij niets fout hebben gedaan. [slachtoffer 2] heeft over het ‘recente’ misbruik zelf geen uitlatingen gedaan tegenover haar vader. De moeder van [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] ook tegenover haar na 7 mei 2023 geen uitspraken meer heeft gedaan over verdachte. Het hof kan gelet op het voorgaande niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat verdachte zich ook in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 februari 2025 schuldig heeft gemaakt aan het verrichten van seksuele handelingen met [slachtoffer 2] . De enkele verklaring van [slachtoffer 2] , afgelegd tegenover haar therapeut, tijdens haar therapiesessie is daarvoor onvoldoende. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Vrijspraak feit 5 Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat uit het dossier niet volgt of de op de laptop en de telefoon van verdachte aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen voor de verdachte toegankelijk waren. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat niet bewezenverklaard kan worden dat verdachte opzet had op het aanwezig hebben van kinderpornografische afbeeldingen. De op de telefoon en de laptop van verdachte aangetroffen bestanden betreffen zogenaamde cache- bestanden en door de politie is niet beschreven of deze bestanden voor verdachte toegankelijk waren, zoals door de advocaat-generaal ook is opgemerkt. Oordeel van het hof Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij. Het hof zal deze beslissing hieronder toelichten. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk in bezit hebben van kinderporno is vereist dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust is van de aanwezigheid van dergelijke afbeeldingen op een of meer van zijn gegevensdragers, hij dient daar beschikkingsmacht over te hebben en hij moet de bedoeling hebben die afbeeldingen te bewaren dan wel onvoldoende maatregelen nemen om ze na ontvangst te verwijderen. Uit het dossier volgt dat op de onder verdachte op 16 oktober 2024 in beslag genomen Samsung A34 zestien afbeeldingen van naakte personen (zowel kinderen als volwassenen) zijn aangetroffen. Drie van deze afbeeldingen zijn door een gecertificeerd zedenrechercheur als kinderpornografisch gekwalificeerd. Uit de bevindingen van de politie volgt verder dat de afbeeldingen zogenaamde cache- en/of carved bestanden betreffen (dat wil zeggen: tijdelijke gegevens zoals afbeeldingen, video’s of scripts die apps, browsers en systemen opslaan om sneller te laten werken respectievelijk bestanden die ooit op de harde schijf hebben gestaan, daarvan zijn gewist en hierna alleen weer toegankelijk kunnen worden gemaakt met speciale software). Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 11 februari 2025 is zijn laptop (een HP 650) in beslag genomen. Op de laptop van verdachte zijn vijftien afbeeldingen met daarop minderjarigen aangetroffen, waarvan een deel van de afbeeldingen als kinderpornografisch is gekwalificeerd. Uit de bestandnamen leidt het hof af dat ook deze bestanden cachebestanden dan wel carved bestanden betreffen. Verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van kinderpornografische afbeeldingen op zijn laptop en telefoon. Hoewel het aantreffen van de kinderpornografische afbeeldingen mede in het licht van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte vragen oproept, is het hof van oordeel dat op basis van het dossier niet met een voor een bewezenverklaarde mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte zich bewust is geweest van en heeft kunnen beschikken over de op zijn gegevensdragers aangetroffen en in de tenlastelegging beschreven kinderpornografische afbeeldingen. Uit het dossier volgt immers niet of de (cache- en/of carved) bestanden in de tenlastegelegde periode voor verdachte toegankelijk waren. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 5 ten laste gelegde. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1.subsidiair hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 maart 2022 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland , met [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, zijnde een minderjarig kind dat aan zijn zorg of waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten - het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of - het houden /duwen van zijn penis tegen de vulva van die [slachtoffer] en /of - het laten vasthouden, althans het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer] en /of - het die [slachtoffer] met een massageapparaat, althans met een voorwerp , laten betasten van haar eigen vulva en /of - het maken van foto's en/of filmpjes van de ontblote vulva, althans van het ontblote onderlijf van die [slachtoffer] en /of van een of meer voornoemde seksuele handelingen, terwijl dat feit werd begaan tegen een persoon bij wie hij, verdachte, misbruik van een kwetsbare positie heeft gemaakt. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en terwijl de schuldige het feit begaat tegen een persoon bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zesenveertig maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd zowel algemene als bijzondere voorwaarden aan de proeftijd te koppelen. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft – onder verwijzing naar uitspraken van de rechtbank Gelderland en de rechtbank Amsterdam – verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de vierentwintig en dertig maanden op te leggen. Daarnaast heeft zij verzocht aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Oordeel van het hof Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof verenigt zich met (een deel van) de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de strafoplegging en neemt deze overwegingen hieronder cursief over. Waar in de hierna cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld moet ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof worden niet-cursief weergegeven. De aard en ernst van het feit Verdachte heeft zich, als man van (bijna) zeventig jaar, gedurende een periode schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn minderjarige buurmeisje, [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] was vier jaar oud toen de ontucht begon. [slachtoffer 2] bevond zich ten tijde van de ontucht in een zorgelijke thuissituatie en zij kwam regelmatig bij verdachte, die zij ‘ [verdachte] ’ noemde, over de vloer voor een snoepje of om te spelen. Verdachte heeft met zijn handelen misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van [slachtoffer 2] en van het overwicht dat hij als volwassene op de nog zeer jonge [slachtoffer 2] had. Verdachte heeft verschillende seksuele handelingen met [slachtoffer 2] verricht, waaronder het door [slachtoffer 2] laten vasthouden van zijn penis, het houden van zijn penis tegen de schaamlippen van [slachtoffer 2] en het betasten van de vulva van [slachtoffer 2] . Ook heeft verdachte foto’s gemaakt van de vagina van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] had nooit met dit gedrag van verdachte geconfronteerd mogen worden. Verdachte heeft hiermee een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 2] . Verdachte heeft hier geen oog voor gehad, maar is enkel gericht geweest op het bevredigen van zijn eigen lustgevoelens. Verdachte heeft met zijn handelen enorm veel leed toegebracht aan [slachtoffer 2] . De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk. De persoon van verdachte Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 21 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, zodat dit niet van invloed is op de strafmaat. Het hof heeft kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 11 november 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker. De reclassering beschrijft dat sprake is van verschillende delictgerelateerde factoren. Zo lijkt verdachte zijn eigen aandeel in het gebeuren te bagatelliseren, lijkt hij gebruik te willen van maken van zogenaamde ‘goedpraters’ en legt hij een aanzienlijk deel van de verantwoordelijkheid bij het slachtoffer. Verdachte lijkt zich onvoldoende bewust te zijn van de ernst en de impact van zijn handelen op het slachtoffer en neemt zelf geen verantwoordelijkheid. De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod ten aanzien van het slachtoffer en haar gezin, een locatieverbod ten aanzien van [plaats] , [plaats] en [plaats] , het vermijden van contact met minderjarigen en het vermijden van digitale omgevingen waarin verdachte in aanraking kan komen met kinderporno. Er zijn volgens de reclassering geen contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf. De reclassering heeft ten behoeve van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep aanvullend gerapporteerd. Uit het advies van 3 juli 2026 volgt dat nog altijd onduidelijk is wat ervoor gezorgd heeft dat verdachte op latere leeftijd tot het plegen van het bewezenverklaarde feit is gekomen. Verdachte heeft tijdens de zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij zich niet seksueel aangetrokken voelt tot minderjarigen en sprake was van een “duister moment” toen hij de handelingen verrichte. Uit het reclasseringsrapport volgt verder dat de omstandigheden binnen het gezinssysteem van verdachte na de behandeling van de zaak bij de rechtbank zijn veranderd. Waar zijn directe gezinsleden en leefomgeving hem aanvankelijk volledig steunden, is dat draagvlak inmiddels minder geworden. Verdachte heeft daarover zelf verklaard dat hij nog wel af en toe bezoek krijgt, maar hij niet al zijn kinderen meer ziet. Ook heeft zijn vrouw een echtscheiding aangevraagd. Dit betekent dat verdachte na zijn detentie niet kan terugkeren naar zijn voormalige echtelijke woning. De reclassering verbindt hieraan de conclusie dat daarmee een belangrijke beschermende factor is verdwenen. De reclassering blijft echter achter het eerder geformuleerde advies van 11 november 2025 staan en ziet geen noodzaak om een aanvullende bijzondere voorwaarde in de vorm van begeleid wonen te adviseren. De eerder geadviseerde voorwaarden worden nog steeds als passend en toereikend beschouwd. De op te leggen straf Het hof is gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof acht deze straf passend en geboden. Het hof ziet anders dan de rechtbank geen aanleiding daarbij ook nog een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Daarbij heeft het hof enerzijds gelet op de omstandigheid dat verdachte wordt vrijgesproken van het seksueel misbruik van [slachtoffer 2] in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 februari 2025 en het bezit van kinderpornografische afbeeldingen. Anderzijds ziet het hof op dit moment geen aanleiding de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Daarbij weegt het hof mee dat bij verdachte geen aanwijzingen zijn gevonden voor psychiatrische problematiek, een ontwikkelingsstoornis of een persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast geldt dat verdachte geen openheid van zaken geeft over zijn beweegredenen voor het plegen van het onderhavige feit, anders dan door te zeggen dat sprake was van “een duister moment” en hij geen (pedo)seksuele gevoelens heeft, zodat voor het hof onduidelijk is waar een eventuele behandeling zich op moet richten. Met betrekking tot de geadviseerde contact- en locatieverboden geldt dat op dit moment (te veel) belemmeringen in de praktische uitvoerbaarheid van het toezicht op deze verboden bestaat. Zo verblijven [slachtoffer 2] , [slachtoffer] en [slachtoffer 5] op verschillende locaties en volgen zij ook op verschillende locaties onderwijs. Ook de toekomstige woonplaats van de moeder van [slachtoffer 2] , [slachtoffer] en [slachtoffer 5] is nog onzeker, aldus de advocaat van de benadeelde partij tijdens de zitting in hoger beroep. Ten slotte geldt dat verdachte voorlopig nog gedetineerd is en voor de tijd daarna ook (nog) niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats. Nu het hof verdachte heeft vrijgesproken van het bezit van kinderpornografische afbeeldingen ziet het hof ook geen aanleiding (meer) verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde te gebieden digitale omgevingen te vermijden waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal en waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd dan wel hem te verbieden gebruik te maken van virtuele machines, versleutelprogramma’s of applicaties die helpen de identiteit te verbergen. Het voorgaande neemt niet weg dat in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling opnieuw kan worden beoordeeld of en, zo ja welke, voorwaarden passend zijn gelet op de dan geldende omstandigheden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.204,57 ingediend, bestaande uit € 20.000,00 aan immateriële schade en € 204,57 aan materiële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00, bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en neemt deze overwegingen hieronder cursief over. Waar in de hierna cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld moet ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof worden niet-cursief weergegeven. Materiële schade De gevorderde reis- en verletkosten (€ 204,57) die door de ouders van [slachtoffer 2] gemaakt zijn ten behoeve van het doen van aangifte, het studioverhoor van [slachtoffer 2] en de getuigenverhoren worden afgewezen, omdat dit geen rechtstreekse schade betreft (ECLI:NL:HR:2018:2338). Nu de benadeelde partij wordt bijgestaan door een raadsvrouw zijn deze kosten ook niet te kwalificeren als proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Immateriële schade Immateriële schade komt op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking indien – onder andere – sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met het bewezen verklaarde handelen een ernstige inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 2] . De aard en ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen daarvan voor [slachtoffer 2] zijn zodanig dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ ook zonder verdere onderbouwing kan worden aangenomen. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval een vergoeding van € 10.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van [slachtoffer 2] daarom tot dat bedrag toe. Voor het overige is onvoldoende duidelijk of er causaal verband is tussen de bewezenverklaarde feiten en een hogere schadevergoeding. Onderbouwing daarvan is een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank verklaart [slachtoffer 2] daarom in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht. Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 75 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. BEM-clausule Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. [slachtoffer 2] en haar wettelijke vertegenwoordiger(s) kunnen – tot zij achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken. Wetsartikelen De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 247 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 204,57 (tweehonderdvier euro en zevenenvijftig cent) aan materiële schade af. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 juni 2024. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf. Aldus gewezen door mr. A.J. Smit, voorzitter, mr. K.J.C. Geeve en mr. R.W.E. van Leuken, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Maris, griffier, en op 22 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, team Zeden, met nummer KAZOO / ONRBC24063. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Het proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer] van 8 oktober 2024 met bijlage ‘Verslag verbatim studioverhoor van 1 oktober 2024’, pagina 23 tot en met 36. Het proces-verbaal van bevindingen ‘Verslagen Ambiq’ met bijlage ‘Info [slachtoffer 2] voor de zedenpolitie jan 2025’, pagina 75 en pagina’s 120 tot en met 130.