Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-27
ECLI:NL:GHARL:2026:468
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof: 200.345.898 en 200.353.145 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 562477 en 587912) arrest van 27 januari 2026 200.245.898 in de zaak van ASN bank N.V., (tot 1 juli 2025 geheten de Volksbank N.V.) die is gevestigd in Utrecht advocaat: mr. A.J. Haasjes hierna: de Volksbank en [de maatschap] die is gevestigd in [vestigingsplaats] advocaat: mr. E.J. Bijleveld hierna: [de maatschap] en 200.353.145 in de zaak van [de maatschap] die is gevestigd in [vestigingsplaats] advocaat: mr. E.J. Bijleveld hierna: [de maatschap] en ASN bank N.V., (tot 1 juli 2025 geheten de Volksbank N.V.) die is gevestigd in Utrecht advocaat: mr. M.J.A. Jansen hierna: de Volksbank 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 200.245.898 (bodemzaak) Na het arrest in het incident van dit hof van 15 juli 2025 heeft op 12 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaak 200.353.145. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 200.353.145 (kort geding) [de maatschap] en de Volksbank hebben hoger beroep ingesteld bij het hof tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 5 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het kortgedingvonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding met grieven in hoger beroep; de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep; de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Vervolgens heeft op 12 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaak 200.345.898. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak en de procedures bij de rechtbank 2.1. [de maatschap] is een maatschap van vier maten die activiteiten ontplooit op het gebied van de aan- en verkoop en het beheer van registergoederen als duurzame belegging. Zij is in 2008 met de Volksbank (toen nog SNS Bank N.V. geheten) een renteswap met een looptijd van tien jaar overeengekomen die is vastgelegd in een rentederivatenovereenkomst. 2.2. Na de financiële crisis van 2008 is geconstateerd dat banken in het verleden in veel gevallen de wettelijke eisen bij de advisering over derivaten aan niet-professionele partijen onvoldoende hebben nageleefd. Banken hebben daarom herbeoordelingen uitgevoerd van rentederivatenovereenkomsten. Om te voorkomen dat klanten oplossingen mislopen door onjuiste herbeoordelingen, is door drie onafhankelijke deskundigen (hierna: de Derivatencommissie) in opdracht van de Minister van Financiën het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (hierna: het UHK) opgesteld. In het UHK is opgenomen op welke MKB-klanten het UHK van toepassing is. Zo mag de klant niet deskundig zijn en is onder meer vereist dat de klant niet-professioneel is in de zin van de definitie van professionele belegger als vastgelegd in artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht. Verder is in het UHK beschreven op welke wijze de herbeoordelingen uitgevoerd moeten worden, waarbij het uitgangspunt is dat vier stappen, zoals beschreven in het UHK, moeten worden gevolgd. Rechtbank 2.3. De Volksbank is van mening dat [de maatschap] is aan te merken als een deskundige klant, waardoor het UHK niet van toepassing is en [de maatschap] dus niet in aanmerking komt voor een compensatie op grond van het UHK. [de maatschap] is het daar niet mee eens en heeft bij de rechtbank in de bodemzaak primair gevorderd voor recht te verklaren dat [de maatschap] onder het toepassingsbereik van het UHK valt en de Volksbank verplicht is om het derivaat af te wikkele De bedoeling van het hoger beroep van [de maatschap] tegen het kortgedingvonnis is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. De Volksbank heeft op haar beurt voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld strekkende tot toewijzing van de vordering in kort geding op een andere grond. Kern beslissing hof 2.11. Het hof zal beslissen dat het (normenkader van het) UHK van toepassing is tussen de partijen en dat de civiele rechter kan beoordelen of [de maatschap] binnen het toepassingsbereik van het UHK valt. Verder zal het hof beslissen dat [de maatschap] deskundig is als bedoeld in het UHK en om die reden buiten het toepassingsbereik van het UHK valt, zodat de Volksbank haar terecht geen aanbod heeft gedaan en licht dat hierna toe. Het hof laat het bodemvonnis van de rechtbank dan ook niet in stand. In dat bodemvonnis waren dwangsommen opgelegd. De executie van deze dwangsommen zijn in het kortgedingvonnis terecht geschorst, zodat het hof dit kortgedingvonnis in stand zal laten. 3 De toelichting op de beslissing van het hof in beide zaken Voorgeschiedenis 3.1. [de maatschap] is een maatschap opgericht op 1 januari 2007 bestaande uit vier maten: de heren [maat1] , [maat2] , [maat3] en mevrouw [maat4] . Haar activiteiten bestaan uit de aan- en verkoop en het beheer van registergoederen als duurzame belegging en bemiddeling bij handel, huur of verhuur van onroerend goed. Voor de aankoop van een aantal onroerende zaken in Utrecht heeft [de maatschap] op 29 september 2008 een hypothecaire geldlening van € 17.750.000 afgesloten bij SNS Property Finance B.V. Daaraan gekoppeld was een renteswap die [de maatschap] bij de Volksbank (toen nog SNS Bank N.V. geheten) had afgesloten (hierna: het rentederivaat) met een looptijd van tien jaar, namelijk van 1 oktober 2008 tot 1 oktober 2018. Aanleiding UHK 3.2. De aanleiding voor het UHK was de vaststelling van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat verschillende banken bij het adviseren over en het aangaan van rentederivaten de belangen van MKB-klanten onvoldoende in acht hebben genomen. In maart 2016 heeft toenmalig minister Dijsselbloem van Financiën op advies van de AFM de Derivatencommissie aangesteld om een herstelkader overeen te komen met de banken. Op 19 december 2016 is de definitieve versie van het UHK gepubliceerd. Het UHK bestaat uit twee delen. Deel 1 bestaat uit het herstelkader zelf en deel 2 uit een toelichting hierop, die bestaat uit vragen en antwoorden (hierna: de toelichting op het UHK). In het UHK is bepaald hoe de banken herbeoordelingen moeten uitvoeren en welke eventuele herstelacties moeten worden uitgevoerd om MKB’ers die rentederivatencontracten hebben afgesloten te compenseren. De Volksbank heeft zich net als de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V., F. Van Lanschot Bankiers N.V. en Deutsche Bank AG – Netherlands Branch (hierna: de deelnemende banken) gecommitteerd aan het UHK. Reikwijdte UHK: niet vrijblijvend 3.3. Volgens de Volksbank is het UHK een regeling waarbij de deelnemende banken op vrijwillige basis bepalen of MKB-klanten in aanmerking komen voor een schikking, maar het hof volgt dat niet. In de ‘Brochure’ van de Derivatencommissie (samenvatting van het UHK) is het volgende te lezen: Indien u als kleine ondernemer tussen 1 april 2011 en 1 april 2014 een rentederivaat had, is het herstelkader in principe op u van toepassing en wordt u actief door de bank benaderd (…). Indien u een grotere ondernemer bent of een hoog kennisniveau hebt (…), is het herstelkader niet op u van toepassing en ontvangt u geen compensatie. U wordt dan onder het herstelkader aangemerkt als professioneel en/of deskundig. 3.4. Paragraaf 3.1.1. van het UHK bepaalt over de reikwijdte: “Indien een klant een Rentederivaat met een Bank is aangegaan dat binnen het temporele bereik valt, en voorts als niet-professioneel en niet-deskundig kwalificeert, is op die MKB-Klant het Herstelkader van toepassing.” 3.5. Uit de ontstaansgeschiedenis en de ratio Het UHK voorziet voor een aantal limitatief omschreven gevallen in de mogelijkheid dat de MKB-klant deze gevallen bij wijze van bindend advies aan de Derivatencommissie voorlegt. De beoordeling van een bank of een MKB-klant al dan niet deskundig is, en dus wel of niet aanspraak kan maken op een vergoeding onder het UHK, valt niet onder een van de vier limitatief omschreven gevallen. Al die gevallen zien overigens ook alléén op de situatie dat een bank een aanbod heeft gedaan en de klant dat aanbod (onder voorbehoud) heeft geaccepteerd. Daarvan is in dit geval geen sprake. Buiten de gevallen van bindend advies, moet de klant een verschil van inzicht zelf afwikkelen met de betreffende bank . [de maatschap] kon zich met haar bezwaar dus niet tot de Derivatencommissie wenden, maar alleen tot de Volksbank. Onder deze omstandigheden biedt het UHK op dit punt niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Civiele rechter kan oordelen of klant binnen toepassingsbereik UHK valt 3.8. De Volksbank heeft gewezen op paragraaf 2.1.3. van het UHK op grond waarvan volgens haar vaststaat dat [de maatschap] aan het UHK geen rechten meer kan ontlenen. Het hof is van oordeel dat op die grond niet kan worden gezegd dat [de maatschap] geen rechten (meer) kan ontlenen aan het UHK, omdat aan [de maatschap] (vóór de veroordeling door de rechtbank) geen aanbod is gedaan onder het UHK, laat staan dat [de maatschap] dat aanbod heeft geweigerd. De vraag of [de maatschap] onder het bereik van het UHK valt is daarbij de inzet van de onderhavige procedure. Zoals hiervoor onder 3.5 en 3.6 is overwogen was deelname door de Volksbank aan het UHK niet vrijblijvend, en ziet het woord coulance op het abstraheren van de aansprakelijkheid van de bank en de werkelijke schade van de klant. Het gaat niet (zoals de Volksbank heeft betoogd) om een vrijblijvende keuze van de bank om “coulancehalve” het UHK toe te passen op een klant, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de coulanceregeling met betrekking tot de helpdeskfraude waar de Volksbank naar verwijst. Een ander oordeel zou tot de onaanvaardbare consequentie leiden dat er in de praktijk geen verschil bestaat tussen een bank die zich wel of die zich niet heeft gecommitteerd aan het UHK. 3.9. De rechtbank heeft in het bodemvonnis in de rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.14 overwogen waarom het UHK de weg naar de civiele rechter niet heeft afgesneden. Het hof onderschrijft deze overwegingen. Het hof stelt voorop dat nergens in het UHK de civiele rechter wordt uitgesloten en dat er geen alternatieve, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang binnen het UHK openstaat. De klant die te horen krijgt dat hij volgens de bank niet onder het toepassingsbereik van het UHK valt omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden (bijvoorbeeld deskundig en/of professioneel is) moet daarom de mogelijkheid hebben om een bezwaar tegen de beslissing van de bank aan de civiele rechter voor te leggen. De civiele rechter kan vervolgens beoordelen of het UHK, en in dit geval meer in het bijzonder paragraaf 3.1.12. onder b en g van het UHK, door de Volksbank juist is toegepast, dat wil zeggen of de uitleg van de Volksbank klopt dat [de maatschap] deskundig is volgens de criteria van het UHK , en daarom niet binnen het toepassingsbereik van het UHK valt. Het aanbod zelf ligt niet ter beoordeling voor. 3.10. Daarvoor zijn ook de volgende omstandigheden van belang. De bij het UHK betrokkenen zoals de Derivatencommissie, de Extern Dossier Beoordelaar (EDB) en de AFM zijn niet meer beschikbaar om deze vraag naar de juiste toepassing te toetsen en/of zij gingen/gaan daar niet over. Het UHK voorzag wel in een herbeoordeling van de bank naar aanleiding van een bezwaar van de klant, die vervolgens ook aan de EDB moest worden voorgelegd. Dat de Volksbank daaraan heeft voldaan is door [de maatschap] in beide instanties betwist en de Volksbank kon daar ook in hoger beroep desgevraagd (nog steeds) geen uitsluitsel over geven, zodat het hof ervan uitgaa De heer [maat1] had blijkens zijn aangifte inkomstenbelasting over 2008 voor € 3.068.521 aan vastgoed en voor € 306.550 aan effecten in eigendom. Daarnaast was hij enig aandeelhouder en bestuurder van Remac Beheer B.V. (hierna: Remac), waarvan het eigen vermogen (balans per 31 december 2008) € 9.324.799 bedroeg. De heer [maat2] had blijkens zijn aangifte inkomstenbelasting over 2008 voor € 3.093.521 aan vastgoed in eigendom en voor € 114.543 aan effecten in eigendom. Daarnaast was hij enig aandeelhouder en bestuurder van Maree Holding B.V. (hierna: Maree), waarvan het eigen vermogen (balans per 31 december 2008) € 9.331.432 bedroeg. De Volksbank heeft dit aandelenbelang in Remac respectievelijk Maree gekwalificeerd als financiële activa gerelateerd aan vastgoed in de zin van paragraaf 3.1.12 onder b van het UHK, nu het enige vermogensbestanddeel van deze vennootschappen een 50%-aandelenbelang betrof in [naam1] B.V. Dit is een holdingmaatschappij die aan het hoofd staat van een groep die vastgoed gerelateerde activiteiten ontplooit. Dit laatste heeft de Volksbank vastgesteld aan de hand van de jaarrekeningen en statutaire doelomschrijvingen van de verschillende deelnemingen waarin [naam1] B.V. aandelen houdt. Het gaat daarbij voor een belangrijk deel om vastgoed gerelateerde activiteiten in de zin van ontwikkeling en exploitatie van grond, het uitoefenen van een bouwbedrijf en het in eigen beheer ontwikkelen van bouwprojecten. 3.14. Het standpunt van [de maatschap] is dat de waarde van deze aandelen in [naam1] B.V. niet zou mogen meetellen voor de beoordeling van deskundigheid, omdat het vermogen van deze holding niet relevant is en daarom niet tot deskundigheid van [de maatschap] kan leiden. Daartoe verwijst zij naar punt I.24 van de toelichting op het UHK waarin op de vraag of deskundigheid op het niveau van de klant of op het niveau van de groep waar een klant eventueel deel van uitmaakt moet worden bekeken, wordt geantwoord dat voor groepssituaties in onder meer paragraaf 3.1.12. onder g van het UHK (ten dele) een bepaling is opgenomen. Voor het overige is het begrip “groep” niet relevant voor toetsing van deskundigheid, aldus [de maatschap] . Uitleg begrip UHK 3.15. De vraag wat nu precies onder financiële activa gerelateerd aan vastgoed moet worden verstaan is ook een kwestie van uitleg van het UHK waar de civiele rechter een oordeel over kan geven in het kader van de beoordeling van het toepassingsbereik van het UHK. Het hof overweegt daarover als volgt. Anders dan [de maatschap] betoogt volgt uit de hiervoor onder 3.14 aangehaalde toelichting op het UHK over het begrip “groep” niet dat de aandelen die de maten via hun persoonlijke holdings houden, ook als dat aandelen in een aan vastgoed gerelateerde vennootschap betreft, niet kunnen worden meegerekend als financiële activa gerelateerd aan vastgoed . [de maten 1 en 2] hadden op het moment van het aangaan van het rentederivaat op 26 september 2008 ieder een persoonlijke holding. [maat1] had 100% van de aandelen in Remac. [maat2] had 100% van de aandelen in Maree. Op 26 september 2008 bedroeg het eigen vermogen van Remac € 8.890.596,- en dat van Maree bedroeg € 8.897.229,-. Tussen de partijen staat vast dat het enige activum (van betekenis) van elk van die twee persoonlijke holdingvennootschappen bestond uit 50% van de aandelen in [naam1] B.V. 3.16. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de vraag of sprake is van financiële activa gerelateerd aan vastgoed in dit geval moet worden beantwoord op het niveau van [naam1] B.V. Dit betreft een vennootschap, onderdeel van een groep, die aandelen houdt in andere vennootschappen en zich daarnaast bezig houdt met het uitoefenen van een bouwbedrijf en het in eigen beheer ontwikkelen van bouwprojecten, met verschillende deelnemingen. Dat zijn activiteiten gericht op het commercieel verhandelen van woningen en vastgoed waarvoor grond wordt aangekocht, bebouwd en waarbij de door de groep ontwikkelde en gebouwde woningen word Voor [maat1] gaat het ten tijde van het aangaan van het rentederivaat om een totaal van € 12.265.667 (namelijk € 3.068.521 + € 306.550 (aan vastgoed en effecten) en € 8.890.596 (aandelen Remac) en voor [maat2] komt het neer op een totaal van € 12.105.293 (namelijk € 3.093.521 + € 114.543 (aan vastgoed en effecten) en € 8.897.229 (aandelen Maree). Overwegende zeggenschap 3.20. Er is volgens het UHK sprake van overwegende zeggenschap, althans overwegend belang als bedoeld onder paragraaf 3.1.12. onder g van het UHK indien de professionele/deskundige partij(en) in een samenwerkingsverband of projectvennootschap op het moment van het aangaan van het Rentederivaat (a) 50% of meer van de stemrechten kan (kunnen) uitoefenen en/of (b) een kapitaalbelang heeft (hebben) van 50% of meer in de projectvennootschap. Voor natuurlijke personen geldt dat indien zij onderling niets over de zeggenschap of economisch belang hebben bepaald, ervan wordt uitgegaan dat zij voor gelijke delen zeggenschap of economisch belang hebben. Het hof gaat met de Volksbank ervan uit dat de maten voor gelijke delen zeggenschap (en/of economisch belang) hadden. In dit geval komt dat voor [de maten 1 en 2] samen neer op 50% zeggenschap, zodat op grond van de hiervoor weergegeven criteria van het UHK [de maatschap] als deskundig geldt en om die reden buiten het toepassingsbereik van het UHK valt. De stelling van [de maatschap] dat er alleen besluiten met unanimiteit genomen konden worden (en dat de stand van de vier kapitaalrekeningen per 30 september 2008 aantoont dat [de maten 1 en 2] samen ‘slechts’ 49,99% economisch belang hadden) acht het hof niet doorslaggevend. Ook dan blijft immers staan dat [de maten 1 en 2] samen 50% zeggenschap konden uitoefenen. Deze uitleg strookt ook met de eerder besproken opzet en achtergrond van het UHK, dat de toegang beperkt moet zijn tot klanten die een kwetsbare positie innemen tegenover de bank. Slotsom 3.21. Deze voorgaande conclusie is in lijn met de beslissing van de Volksbank (in haar brief aan [de maatschap] van 25 oktober 2017) dat het UHK niet op [de maatschap] van toepassing is en dat zij dus niet in aanmerking komt voor compensatie. De Volksbank was dan ook niet gehouden een aanbod te doen aan [de maatschap] op grond van het UHK, zodat de bezwaren van de Volksbank tegen het bodemvonnis terecht zijn aangevoerd en het bodemvonnis zal worden vernietigd. Daarmee komt de grondslag te ontvallen aan de betalingen die de Volksbank (eventueel) op grond van het vonnis aan [de maatschap] heeft gedaan zodat de vordering tot terugbetaling daarvan, kan worden toegewezen. Dit betekent bovendien dat de vorderingen van [de maatschap] tot het doen van een hernieuwd aanbod, betaling van een voorschot op de schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen en de verklaringen voor recht met betrekking tot de verplichting tot het doen van een aanbod, voor afwijzing gereed liggen. Met de vernietiging van het bodemvonnis ontvalt verder de grondslag aan de dwangsommen die waren verbonden aan de veroordeling om een aanbod te doen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis terecht de executie van de dwangsommen heeft geschorst. De bezwaren van [de maatschap] tegen dat kortgedingvonnis slagen niet. De Volksbank heeft ter uitvoering van het bodemvonnis meermaals een aanbod gedaan, steeds onder protest tot gehoudenheid. Uit het voorgaande volgt dat de Volksbank daartoe niet gehouden was, zodat zij geen enkel aanbod gestand hoeft te doen. Incidenten 3.22. In het arrest in het incident van 15 juli 2025 zijn de beslissingen met betrekking tot de inzagevorderingen aangehouden. Verder heeft de Volksbank in het hoger beroep nog schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad dan wel zekerheidstelling gevorderd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de partijen geen belang meer hebben bij de in de incidenten ingestelde vorderingen, zodat deze zullen worden afgewezen. Geen dwangsommen verbeurd 3.23. [de maatschap] heeft (voor h