Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-27
ECLI:NL:GHARL:2026:460
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003225-23 Uitspraakdatum: 27 januari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank [gebied] , locatie Leeuwarden , van 30 juni 2023 met parketnummer 18-211146-22 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank [gebied] . Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 13 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte en het niet-ontvankelijk verklaren van de vordering van de benadeelde partij. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, hebben aangevoerd. Het vonnis De rechtbank [gebied] heeft verdachte vrijgesproken van dat wat hem onder 1 primair ten laste is gelegd (poging moord/doodslag) en voor feit 1 subsidiair (poging zware mishandeling) en feit 2 (poging afpersing) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij is door de rechtbank geheel toegewezen. Het hof komt in dit arrest tot een andere bewezenverklaring, een andere strafoplegging en een andere beslissing over de vordering van de benadeelde partij dan de rechtbank [gebied] . Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. primairhij op of omstreeks 15 mei 2021, te [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, met voormeld oogmerk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] -meerdere malen, vol heeft geslagen/gestompt/getrapt op/tegen diens hoofd, borst, althans het lichaam en/of -de keel heeft dichtgeknepen en/of -heeft geslagen met een stang/buis (van een stofzuiger) en/of -de armen en/of benen heeft vastgebonden en/of -een salontafel op die [slachtoffer] heeft gegooid en/of -die [slachtoffer] heeft bekogeld met spullen uit de woning en/of -daarbij woorden heeft geuit als: "We maken je dood als je niet vertelt waar de handel is" en/of "We maken je af" en/of "Ik ga naar de auto en pak een pistool" en/of "Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af", althans woorden van gelijke aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1. subsidiairhij op of omstreeks 15 mei 2021, te [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voormeld oogmerk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] -meerdere malen, vol heeft geslagen/gestompt/getrapt op/tegen diens hoofd, borst, althans het lichaam en/of -de keel heeft dichtgeknepen en/of -heeft geslagen met een stang/buis (van een stofzuiger) en/of -de armen en/of benen heeft vastgebonden en/of -een salontafel op die [slachtoffer] heeft gegooid en/of -die [slachtoffer] heeft bekogeld met spullen uit de woning en/of -daarbij woorden heeft geuit als: "We maken je dood als je niet vertelt waar de handel is" en/of "We maken je af" en/of "Ik ga naar de auto en pak een pistool" en/of "Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af", althans Zonder de verklaringen valt het fundament onder de beschuldiging weg en moet vrijspraak volgen. Het hof komt tot een ander oordeel en is van oordeel dat een vrijspraak van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zijn opgenomen. Deze bewijsmiddelen, bevattende onder meer redengevende feiten en omstandigheden, waardeert het hof zoals weergegeven in de bewijsoverweging. Bewijsmiddelen In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2021125986, gesloten en getekend op 6 oktober 2021 door [verbalisant] , hoofdagent van politie [gebied] , Rechercheteam [plaatsnaam] . 1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2021 (als bijlage op pagina 97 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten: Op 15 mei 2021 zijn wij naar het adres [adres] te [plaatsnaam] gegaan. Ter plaatse troffen wij [slachtoffer] en [getuige 1] . Wij hebben [slachtoffer] gevraagd wat er gebeurd was en hoorden hem samengevat zeggen dat hij onder druk van ene [verdachte] een hennepkwekerij in zijn woning had. [slachtoffer] heeft de opdrachtgever [verdachte] bericht dat de planten waren geript. Hij heeft toen met [verdachte] afgesproken elkaar op 15 mei om 16.00 uur te ontmoeten. Op het moment dat aangever de deur had geopend zag hij dat er direct twee andere mannen de woning binnen renden. De mannen begonnen direct op [slachtoffer] in te slaan. Wij zagen dat [slachtoffer] zichtbaar letsel had op meerdere plekken over zijn hele lichaam. Het letsel is door ons fotografisch vastgelegd. 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 15 mei 2021 (als bijlage op pagina 56 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [slachtoffer] : [verdachte] heeft een kwekerij bij mij opgebouwd. Ik was veelal in de woning op het moment dat [verdachte] er was. Ik heb telkens alleen [verdachte] in de woning gezien. Op 13 mei 2021 zag ik in mijn woning dat bijna alle hennepplanten weg waren gehaald. De planten moesten toen nog ongeveer 2 weken staan voordat ze geoogst konden worden. Ik heb toen mijn broer [getuige 1] gebeld om te vragen of hij mij wilde ophalen, ik was bang en durfde niet in mijn woning te blijven. Hij heeft mij om ongeveer 2.30 uur opgehaald waarna we naar zijn woning zijn gegaan. Ik heb [verdachte] die nacht een bericht gestuurd dat de kwekerij in mijn woning leeggehaald was. Op 14 mei ben ik samen met mijn broer even terug naar mijn woning gegaan om wat persoonlijke spullen op te halen. Daarna ben ik weer met mijn broer mee naar huis gegaan. Later kreeg ik een bericht van [verdachte] dat hij het incident van die avond daarvoor nog met mij wilde bespreken en hij wilde op zaterdag 15 mei 2021 om 16.00 uur met mij afspreken in de woning. Op 15 mei 2021 was ik in mijn woning in [plaatsnaam] toen ik [verdachte] om 16.20 uur aan zag komen rijden. Ik liet hem binnen en hij liep achter mij de woning in. Toen [verdachte] net binnen in de hal stond zag ik dat er direct twee andere mannen de woning in kwamen lopen. Ik heb later op de Facebookpagina van [verdachte] gekeken en herkende direct [medeverdachte] als één van de mannen die de woning kwamen binnenlopen. De andere man kende ik niet. Toen de drie mannen bij mij in de hal stonden begonnen ze direct vol op mij in te slaan met hun vuisten. Ook werd ik direct bij mijn keel gepakt en voelde ik dat mijn keel werd dichtgeknepen. Ik hoorde dat er geschreeuwd werd: "We maken je dood als je niet vertelt waar die handel is." Ze bleven maar op mij inslaan en dwongen mij de woonkamer in. Daar werd ik op de bank gegooid. Alle drie de mannen bleven om de beurt op mij inslaan, schoppen en trappen. Zo werd er ook hard op mijn hoofd en borst getrapt en geslagen. Op een gegeven moment werden er om mijn handen en mijn bene Ik hoorde van hem dat ze alle drie geslagen hebben maar dat die derde man het agressiefst was geweest en dat die man hem ook met een stofzuigerbuis heeft geslagen. 5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen d.d. 21 september 2021 (als bijlage op pagina 138 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten: Op dinsdag 21 september 2021 om 11:20 uur verhoorden wij verbalisanten, [verbalisant] en [verbalisant] , de verdachte [medeverdachte] . Wij zagen dat hij kort donkerblond haar had. Wij zagen dat hij een blanke huidskleur had. Wij zagen dat hij zijn pony, aan de voorzijde van zijn gezicht/ hoofd in een lok naar rechts had hangen. Wij hoorden dat hij "normaal" Nederlands sprak, zonder een duidelijk accent. 6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van forensisch onderzoek woning d.d. 3 augustus 2021 (als bijlage op pagina 78 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten: Op de leuning van de bank in de woonkamer zagen wij twee witte tie-wraps aan elkaar liggen en in de slaapkamer zagen wij witte tie-wraps liggen die kleiner waren. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] werden de tie-wraps van de bank door mij, verbalisant [verbalisant] , veiliggesteld. Wij zagen voor de bank delen van een salontafel liggen. Goednummer: PL0100-2021125986-1384872 Sin: AAOY9355NL Object: Kabelbinder Op maandag 31 mei 2021 werd de tie-wrap in het DNA-laboratorium van de politie eenheid bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van DNA (AAOT9292NL). 7. Het deskundigenrapport, zaaknummer 2021.06.25.156 (aanvraag 001), opgemaakt door ing. [deskundige] , werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 22 juli 2021 (als bijlage op pagina 91 van het proces-verbaal), voor zover - zakelijk weergegeven – inhoudende: Tabel 2 Resultaten, interpretatie en conclusie van het (vergelijkend) DNA-onderzoek SIN DNA kan afkomstig zijn van Bewijskracht AAOT9292NL#01 (uiteinde kabelbinder) Minimaal twee personen - Slachtoffer [slachtoffer] - [medeverdachte] - Niet berekend - Meer dan 1 miljard 8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen d.d. 15 mei 2021 (als bijlage op pagina 97 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten: Ik, verbalisant, heb in haar woning met [getuige 2] gesproken. Ze vertelde dat ze omstreeks 16.15 uur een hoop lawaai hoorde. Ze hoorde gestommel en geschreeuw. Dit geluid kwam van de benedenverdieping. Ze is naar het balkon gelopen. [getuige 2] zag vervolgens dat haar onderbuurman, [slachtoffer] , door het raam naar buiten kwam. [slachtoffer] zat volgens [getuige 2] helemaal onder het bloed. Volgens [getuige 2] was zijn neus kapot. [getuige 2] zag [slachtoffer] vervolgens achterover op zijn rug vallen. Ik hoorde dat [getuige 2] zei dat ze vanaf het balkon aan [slachtoffer] vroeg wat er was gebeurd. Ze hoorde [slachtoffer] zeggen dat hij was vastgebonden met tie-wraps en dat hij was mishandeld. 9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 14 september 2021 (als bijlage op pagina 24 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [verdachte] : V: Heb je een auto? A: Ja. V: Wat voor auto heb je? A: Audi en een bedrijfsbus. V: Wie maken er gebruik van jouw auto(’s) A: De Audi is voor privé. De bus is voor zakelijk gebruik. V: Wat voor type Audi is het? A: Een nardo grey, type RS3. V: Sinds wanneer heb je die Audi? A: Sinds januari 2021. 10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen camerabeelden [adres] 78 d.d. 27 augustus 2021 (als bijlage op pagina 194 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten: 15 mei 2021, 16:35:48 uur Aangever [slachtoffer] verklaart dat hij op 15 mei 2021 is mishandeld en vastge De verbalisanten zien bij het verhoor van [medeverdachte] dat hij past in het signalement van de derde dader. In hoger beroep zijn [slachtoffer] en [getuige 1] op verzoek van de verdediging op 26 juli 2024 gehoord door de raadsheer-commissaris. Beiden leggen dan een volslagen andere verklaring af dan de verklaringen die zij kort na het tenlastegelegde feit bij de politie aflegden. Aangever verklaart bij de raadsheer-commissaris dat hij inmiddels weet dat een dealer waar hij een conflict mee had de kwekerij heeft geript. Diezelfde dealer is ook degene geweest die hem heeft mishandeld. Hij heeft tegen de politie gelogen dat verdachte hem heeft mishandeld, omdat hij woest was en dacht dat verdachte hem had geript. Alleen verdachte had een sleutel van de kwekerij. Hij verklaart ook de namen van medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] te hebben genoemd, terwijl hij hen helemaal niet heeft gezien. Zij waren destijds de helpers bij het opbouwen van de kwekerij met verdachte in zijn woning. Hij kende [medeverdachte] niet, zijn broer kende hem wel. Aangever is wel mishandeld, alleen waren verdachte en de medeverdachten niet de daders. Er is op die 15 mei 2021 wel een overleg geweest met verdachte. Zijn broer [getuige 1] was daar ook bij. Ze spraken elkaar in de woning van aangever. [getuige 1] verklaart bij de raadsheer-commissaris dat zijn broer verdachte een hak wilde zetten, omdat hij dacht dat verdachte hem had geript. Hij heeft bij de aangifte een beetje met zijn broertje ‘meegeluld’, zo verklaart hij. Hij vertrouwde erop dat zijn broer een eerlijke verklaring had afgelegd. Hij was ook helemaal niet in de woning van zijn broer geweest, hij had het allemaal van zijn broer gehoord. Zijn broer sprong eigenlijk gelijk bij hem in de auto. Die middag bij de woning van aangever heeft hij geen mensen gezien. Hij heeft ook geen letsel gezien bij zijn broer. Hij heeft wel een Audi gezien, maar daar zijn er wel meer van. Hij geloofde zijn broer en praatte daarom maar wat met hem mee. Nu weet hij dat zijn broer niet de waarheid heeft verklaard, aldus [getuige 1] . Hij is ook nooit bij de politie geweest, de politie heeft alleen thuis met hem gepraat. Ook op de zitting van het hof zijn aangever en zijn broer gehoord. Aangever verklaart dan dat hij een schuld had bij dealers die hun geld kwamen opeisen. Zij hadden hem op die donderdag (het hof begrijpt: 13 mei) geript. Hij had expres een foutieve verklaring afgelegd bij de politie omdat hij dacht dat verdachte hem had geript. Daarom heeft hij hem ten onrechte beschuldigd van de mishandeling, terwijl dat ook de dealer was. Als het hof aangever vraagt wie zijn dealer is antwoordt aangever dat hij daar geen contact meer mee kan krijgen. Als het hof aangever vraagt waarom de dealer hem zou mishandelen en zeggen “Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af” als hij zelf degene is geweest die de handel heeft gestolen antwoordt aangever dat de dealer dat zei om de ripdeal te maskeren. Aangever verklaart verder dat hij is teruggegaan naar de woning op 14 mei en met verdachte had afgesproken op zaterdag 15 mei om 16.00 uur. Dat was een normaal gesprek over dat hij was geript. Daar was verder niemand anders bij aanwezig. Hij heeft [getuige 1] gezegd wat hij tegen de politie moest zeggen. Hij komt er nu op terug omdat het oneerlijk is. Hij noemde de andere twee mannen omdat hij ze samen met verdachte had gezien bij het opzetten van de kwekerij in zijn woning. De dealer heeft hem mishandeld, die wilde meer en meer geld. Dit was de manier om de schuld te innen. Hij had een schuld van € 18.000,00 opgebouwd bij de dealer. Aansluitend aan het gesprek met verdachte is hij opgehaald door zijn broertje, die op hem wachtte in de auto, en is naar [plaatsnaam] gegaan. Op vragen van het hof wanneer hij dan mishandeld is, omdat om 17.00 uur de politie op zijn eigen verzoek al in [plaatsnaam] was, antwoordt hij dat hij na het gesprek met verdachte mishandeld is. Hij zegt da De verklaringen van zowel aangever als [getuige 1] zijn gedetailleerd en vertonen een grote mate van consistentie, in het bijzonder ook waar zij verdachte en zijn medeverdachte aanwijzen als de daders Bij de politie noemt aangever verdachte direct, terwijl de twee medeverdachten op andere wijze in beeld komen. Medeverdachte [medeverdachte] via herkenning op Facebook en medeverdachte [medeverdachte] via DNA-sporen op de tie-wraps waarmee aangever was geboeid. Deze heel specifieke gang van zaken past niet bij de in hoger beroep afgelegde verklaring van aangever dat hij verdachte van de mishandeling wilde beschuldigen omdat hij boos was. In dat geval had het in de rede gelegen dat aangever de drie namen in een keer had genoemd, of alléén de naam van verdachte. Verdachte kon tijdens de verklaring bij de politie ook niet weten dat een DNA-profiel dat met [medeverdachte] in verband kan worden gebracht zou worden aangetroffen, terwijl het signalement dat aangever en zijn broer van [medeverdachte] geven bij [medeverdachte] past. Dat het aangetroffen DNA-profiel van één van de daders is past ook bij de verklaring van aangever bij de politie, waar hij zegt dat de mannen geen handschoenen droegen. De verklaring van aangever wordt verder ondersteund door het feit dat de bemonsterde tie-wraps inderdaad van een ander formaat waren dan de andere in zijn woning aangetroffen tie-wraps. Dat aangever nu verklaart bewust over de tie-wraps te hebben gelogen past meer bij het scenario dat hij in hoger beroep de verdachten om hem moverende redenen wil vrijpleiten dan bij het scenario dat hij dergelijke specifieke details verzint om zijn verklaring geloofwaardiger te maken. [getuige 1] verklaart bij de politie slechts over dat wat hij zelf zag: de auto van verdachte, waarbij hij een specifiek type en kleur noemt, en dat hij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] herkent. Hij verklaart een derde persoon te hebben gezien die hij niet kent en gebruikt andere kenmerken om deze persoon te omschrijven dan aangever doet. Deze derde verdachte, [medeverdachte] , past in de beschrijvingen die aangever en [getuige 1] van hem hebben gegeven zonder hem te kennen. Verder beschrijft [getuige 1] dat aangever angstig en bebloed was. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van bovenbuurvrouw [getuige 2] , die ook beschrijft dat aangever bebloed was, en de eerdergenoemde bevindingen en foto’s van verbalisanten. Verder noemt [getuige 1] een aantal zeer specifieke details, zoals dat het kozijn uit het raam lag en dat aangever naar [getuige 2] riep, wat [getuige 2] bevestigt. [getuige 1] noemt veel van deze details op het moment dat hij een aantal dagen later, in afwezigheid van aangever, een verklaring bij de politie aflegt. Dit alles past niet bij het scenario dat [getuige 1] in hoger beroep schetst: hij praatte slechts mee met dat wat zijn broer hem vertelde. Het past veeleer bij wat [getuige 1] in eerste instantie verklaart, te weten dat hij de woning binnen is gegaan en zelf heeft gezien dat het raamkozijn eruit lag en aangever met zijn bovenbuurvrouw sprak. Gelet op de verschillende details die de beide broers in hun bij de politie afgelegde verklaringen noemen en de verschillende accenten die ze leggen acht het hof het ongeloofwaardig dat de verklaringen (destijds) op elkaar waren afgestemd. Het hof is van oordeel dat de bij de politie afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn en zal deze voor het bewijs bezigen. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte vrij moet worden gesproken omdat er onvoldoende bewijs is. Verdachte heeft geen motief, van hem zijn geen sporen in de woning aangetroffen, hij is niet op camera gezien en ook in zijn auto niet op beeld waargenomen. Uit de zendmastgegevens blijkt dat de telefoon van verdachte rond het tijdstip van het incident elders in de stad was. Het hof overweegt dat het feit dat van verdachte geen sporen zijn aangetroffen en hij noch zijn auto op beeld zijn waargenomen niet betekent dat verdachte niet in de woning is Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld. Het hof stelt daartoe voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof overweegt dat het de bedoeling van verdachte en zijn medeverdachten was om aangever een gewelddadig lesje te leren, kennelijk met het oog op het dwingen van aangever de hennep terug te halen. Dit gezamenlijke en vooropgezette plan blijkt uit het feit dat verdachte en zijn medeverdachten direct na binnenkomst zijn overgegaan tot de geweldpleging en deze onafgebroken gedurende ten minstetien minuten hebben voortgezet. Geen van de verdachten heeft zich in die tijdsspanne aan het geweld onttrokken en zij hebben alle drie vergelijkbare geweldshandelingen verricht. Om binnengelaten te worden heeft verdachte gedaan alsof hij alleen was en stonden zijn medeverdachten dusdanig opgesteld, dat dat voor aangever niet meteen zichtbaar was. Ook hadden verdachte en zijn medeverdachten tie-wraps meegenomen om aangever te boeien. Het hof is van oordeel dat het plan is uitgevoerd zoals dat van tevoren tussen de drie verdachten moet zijn afgesproken. Omdat het ging om een vooropgezet plan dat enige voorbereiding en afstemming vergde en waarvoor verdachte en zijn medeverdachten zich moesten begeven naar het huis van aangever, is het hof van oordeel dat zij tijd en gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Omdat niet is gebleken dat een van de verdachten zich ten tijde van de uitvoering van het gebeuren gedistantieerd heeft, neemt het hof aan dat het toegepaste geweldsniveau, dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven riep, in ieder geval in voorwaardelijke zin in het gezamenlijke plan besloten lag. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. subsidiairhij op 15 mei 2021, te [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en met voorbedachten rade, aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] -meerdere malen, vol heeft geslagen/gestompt/getrapt op/tegen diens hoofd, borst, althans het lichaam en -de keel heeft dichtgeknepen en -heeft geslagen met een stang/buis (van een stofzuiger) en -de armen en benen heeft vastgebonden en -een salontafel op die [slachtoffer] heeft gegooid en -die [slachtoffer] heeft bekogeld met spullen uit de woning en -daarbij woorden heeft geuit als: "We maken je dood als je niet vertelt waar de handel is" en "We maken je af" en "Ik ga naar de auto en pak een pistool" en "Je hebt twee dagen de tijd om de handel terug te krijgen, anders maken we je af", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangeni Om die reden zal het hof verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 11 maanden, met aftrek van het voorarrest. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.385,00 ingediend. Deze vordering bestaat uit een bedrag van € 385,00 aan materiële schade en een bedrag van € 7.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag volledig toegewezen en de benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet dus een beslissing op deze vordering nemen. Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof dat deze schade door aangever is onderbouwd en door verdachte niet is betwist. Het hof overweegt dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte en zal dit bedrag toewijzen. De benadeelde partij heeft ook € 7.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De benadeelde partij is door verdachte en de medeverdachten gewelddadig mishandeld. Als gevolg hiervan heeft hij fysiek letsel opgelopen. Naar het oordeel van het hof staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van dit handelen is aangetast in zijn persoon, zodat hij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 1.100,00. Bij de bepaling van dit bedrag heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte te maken verwijt laten meewegen en ook gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, en dan in het bijzonder op het hoofdstuk dat ziet op licht letsel, categorie (c). De rest van de schade hoeft verdachte niet te vergoeden. Dat deel wijst het hof af. Concluderend zal het hof een bedrag van in totaal € 1.485,00 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het hof stelt tot slot vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven allen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom. Wetsartikelen De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de