Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-14
ECLI:NL:GHARL:2026:4593
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.363.232 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 584392 arrest in het incident van 14 juli 2026 in de zaak van 1 [appellant] ( [de DGA] ) die woont in [woonplaats] 2. Blue Turbines B.V. (Blue Turbines) die is gevestigd in Amersfoort 3. De Horstink Noord B.V. (Horstink) die is gevestigd in Amersfoort samen: [de DGA c.s.] advocaat: mr. P.J.P. van Huizen en mr. [geïntimeerde] in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van TTC Grevelingendam B.V. (de Curator) die kantoor houdt in [vestigingsplaats] advocaat: mr. E.E. Neele 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [de DGA c.s.] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht op 24 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep het anticipatie-exploot van de curator de memorie van grieven inclusief incidentele vordering tot schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad op grond van artikel 351 Rv de antwoordconclusie in het incident ex art. 351 Rv. 1.2. Hierna heeft het hof arrest in het incident bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1. TTC Grevelingendam B.V. (TTC) is opgericht in 2017 voor het realiseren van een innovatie-, test-, certificerings- en demonstratiecentrum voor getijdenenergie (het Centrum). Op 24 mei 2022 is TTC in staat van faillissement verklaard, daarbij is mr. [geïntimeerde] benoemd tot curator. 2.2. Op het moment dat het faillissement van TTC werd uitgesproken was haar enig bestuurder en aandeelhouder Blue Turbines. De enig bestuurder en aandeelhouder van Blue Turbines was Horstink en de enig bestuurder en aandeelhouder van Horstink was [de DGA] . Aanvankelijk waren Blue Turbines en [de DGA] de vennoten van de in 2015 opgerichte vof [naam VOF] (de Vof). In 2017 heeft TTC [de DGA] vervangen als vennoot in de Vof. 2.3. In verband met de realisatie van het Centrum hebben TTC en de Vof in de periode tussen 2016 en 2019 voorschotten ontvangen op (voorwaardelijk) toegekende subsidiebedragen door de Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland (GS) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). 2.4. In 2021 heeft GS de aan TTC voorwaardelijk toegekende subsidie op nihil gesteld omdat TTC niet (aantoonbaar) had voldaan aan de door GS gestelde subsidievoorwaarden. In 2022 heeft RVO de aan de Vof toegekende subsidie vastgesteld op een aanmerkelijk lager bedrag dan het bedrag dat bij wijze van voorschot aan de Vof was verstrekt. Inmiddels had TTC diverse financiële verplichtingen op zich genomen waaronder betaalverplichtingen uit hoofde van een overeenkomst van aanneming van werk voor de bouw van het Centrum. Omdat TTC niet meer voldeed aan deze betaalverplichtingen heeft de aannemer het faillissement van TTC aangevraagd. 2.5. De Curator is een procedure gestart tegen [de DGA c.s.] Daarbij heeft de Curator zich op het standpunt gesteld dat [de DGA c.s.] aansprakelijk is voor het faillissementstekort van TTC omdat hij zijn bestuurstaak in de jaren voorafgaand aan het faillissement onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van TTC. De Curator heeft het [de DGA c.s.] verweten dat hij is gestart met de bouw van het Centrum zonder dat er reëel zicht bestond op het verwerven van private financiering terwijl dat wel een van de voorwaarden was waaronder de subsidies waren verleend. 2.6. De rechtbank heeft de Curator in het gelijk gesteld en voor recht verklaard dat [de DGA c.s.] hoofdelijk aansprakelijk is voor het faillissementstekort van TTC. Daarbij heeft de rechtbank [de DGA c.s.] , uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeeld om aan de Curator te voldoen: het faillissementstekort van TTC een bedrag van € 3.500.000 als voorschot op de betaling van het faillissementstekort de beslagkosten ten bedrage van € 5.206,32 de proceskosten ten bedrage van € 11.316,4 Bovendien leidt executie van het vonnis volgens [de DGA c.s.] voor hem tot onomkeerbare persoonlijke schade, waaronder het persoonlijke faillissement van [de DGA] . Tegen dit persoonlijke nadeel weegt het belang van de Curator bij onmiddellijke tenuitvoerlegging niet op gelet op het feit dat de verificatievergadering nog niet heeft plaatsgevonden en de definitieve omvang van het boedeltekort nog niet vaststaat, aldus [de DGA c.s.] 3.5. Het hof overweegt het volgende. Wanneer de Curator overgaat tot het uitwinnen van de door de rechtbank toegewezen bedragen voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en het vonnis vervolgens in hoger beroep wordt vernietigd met afwijzing van de door de Curator ingestelde rechtsvordering, zal de Curator de door [de DGA c.s.] onder het vonnis betaalde bedragen als onverschuldigd moeten terugbetalen. De vordering tot terugbetaling die [de DGA c.s.] in dat geval heeft op de Curator geldt als een concurrente boedelvordering. Deze kwalificatie brengt mee dat het betalen van het voorschot van € 3.500.000 aan de Curator een restitutierisico meebrengt voor [de DGA c.s.] Nu volgens de Curator, anders dan [de DGA c.s.] aanvoert, de verificatievergadering inmiddels heeft plaatsgevonden (op 13 oktober 2025) en aan de hand daarvan is vastgesteld dat het boedeltekort ten minste € 5.804.445,92 bedraagt, is het aannemelijk dat het hierbij, in beginsel, een reëel en substantieel restitutierisico betreft. 3.6. Daar staat tegenover dat de Curator in haar antwoordconclusie in het incident heeft verklaard dat zij geen betalingen doet of zal doen aan de schuldeisers en dat, als zij uit hoofde van de veroordeling in het bestreden vonnis (eventueel) een bedrag ontvangt van [de DGA c.s.] , zij voornemens is deze betaling(en) apart te zetten tot het moment waarop de veroordeling van [de DGA c.s.] in kracht van gewijsde is gegaan. Daarbij heeft de Curator verklaard dat zij het aldus apart te zetten bedrag aan [de DGA c.s.] zal terugbetalen als het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd en haar vorderingen in de hoofdzaak worden afgewezen. Naar het oordeel van het hof is het door [de DGA c.s.] aangevoerde restitutierisico met deze verklaringen van de Curator in voldoende mate afgedekt. 3.7. Daar komt bij dat [de DGA c.s.] onvoldoende heeft onderbouwd op grond waarvan hij onomkeerbare persoonlijke schade lijdt als de Curator overgaat tot de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot, onder meer, het voldoen van het voorschot en waaruit die schade in dat geval bestaat. Het hof neemt daarbij met de Curator in aanmerking dat [de DGA c.s.] geen feiten en omstandigheden aanvoert met betrekking tot de financiële situatie van [de DGA] of de opstelling van schuldeisers waaruit kan worden afgeleid dat executie van het vonnis zijn persoonlijk faillissement tot gevolg zal hebben. De financiële positie van Blue Turbines en Horstink laat [de DGA c.s.] bovendien onbesproken. 3.8. [de DGA c.s.] heeft aan zijn (subsidiaire) vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde verbonden dat hij zekerheid stelt in een door het hof nader te bepalen vorm en omvang. Deze door [de DGA c.s.] (onverplicht) aangeboden zekerheidstelling kent geen rechtstreekse wettelijke basis. Uit een (analoge) toepassing van de wettelijke regeling die geldt voor het stellen van zekerheid op grond van een wettelijke verplichting (artikel 6:51 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)) volgt dat (ook de onverplichte) zekerheidstelling aan bepaalde eisen moet voldoen. Deze eisen brengen mee dat de zekerheidstelling voldoende waarborg moet bieden voor het voldoen van de door de rechtbank uitgesproken veroordeling en dat de Curator zich zonder moeite op de aangeboden zekerheid moet kunnen verhalen. Zoals hiervoor in 3.7 is vastgesteld, geeft [de DGA c.s.] geen inzicht in zijn financiële situatie en doet hij niet een concreet aanbod op welke manier hij deze zekerheid zou (kunnen) stellen. Dit brengt mee, dat het hof niet kan beoordelen of, en zo ja in