Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-07
ECLI:NL:GHARL:2026:4494
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 24/1083 tot en met 24/1120 uitspraakdatum: 7 juli 2026 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 24 januari 2024, nummers ARN 21/5123, 21/5124, 21/5125, 21/5128, 21/5130, 21/5131, 21/5136, 21/5138, 21/5141, 21/5143, 21/5461, 21/5797, 21/5798, 21/5800, 21/5802, 21/5803, 22/537, 22/538, 22/539, 22/540, 22/581, 22/589, 22/590, 22/593, 22/594, 22/596, 22/761, 22/762, 22/763, 22/764, 22/1314, 22/1467, 22/2087, 22/2091, 22/6032, 22/6033, 22/6034 en 22/6035, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur), en de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (hierna: de Staat). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft op aangiften bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) voldaan. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de voldoeningen bezwaarschriften ingediend. De Inspecteur heeft op deze bezwaren beslist en deze deels gegrond en deels ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierechten toegekend van respectievelijk € 2.500, € 1.900 en € 13.710. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende en de Inspecteur hebben nadere stukken ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft voor de maanden augustus 2019 en oktober 2019 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) gedaan voor de volgende personenauto’s: Zaak- nummer Maandaangifte Datum voldoening Auto Kenteken Afschrijvingsmethode 24/1083 augustus 2019 30-09-2019 Porsche Cayman [kenteken1] Tabel augustus 2019 30-09-2019 Porsche 911 [kenteken2] augustus 2019 30-09-2019 Porsche 911 cabrio [kenteken3] Koerslijst (XRAY) 24/1084 oktober 2019 29-11-2019 Porsche Cayenne [kenteken4] Koerslijst (XRAY) oktober 2019 29-11-2019 Audi Q8 [kenteken5] Koerslijst (XRAY) Ten aanzien van de Porsche 911 met kenteken [kenteken2] is door een andere belanghebbende eveneens aangifte BPM gedaan. Belanghebbende heeft het bedrag aan verschuldigde BPM dat zij voor deze auto op de maandaangifte voor de maand augustus 2019 heeft voldaan in mindering gebracht in haar maandaangifte voor de maand december 2019. Er bestaat daarom geen geschil over de voldoening op aangifte voor deze auto. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de maandaangiften. De Inspecteur heeft belanghebbende op 17 februari 2021 gehoord en in één geschrift met datum 31 augustus 2021 uitspraak op de bezwaren gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 2.2. Belanghebbende heeft voor de maand november 2019 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s: Zaak- nummer Maandaangifte Datum voldoening Auto Kenteken Afschrijvingsmethode 24/1085 november 2019 31-12-2019 Land Rover Range Rover 5.0 V8 SC [kenteken6] Koerslijst (XRAY) 24/1086 november 2019 31-12-2019 Bentley Continental GT 6.0. W12 [kenteken7] Koerslijst (XRAY) 24/1087 november 2019 31-12-2019 Mini Countryman 2.0 JCW ALL4 [kenteken8] Tabel 24/1088 november 2019 31-12-2019 Audi Q8 50 TDI quattro [kenteken9] Koerslijst (XRAY) Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft de gemach De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de Inspecteur heeft vastgesteld dat ten aanzien van de auto’s met de kentekens [kenteken16] , [kenteken17] , [kenteken18] , [kenteken19] recht bestaat op extra leeftijdskorting van respectievelijk € 57, € 1, € 165 en € 353. De Inspecteur heeft aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend. 2.6. Belanghebbende heeft voor de maand juni 2020 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s: Zaak- nummer Maandaangifte Datum voldoening Auto Kenteken Afschrijvingsmethode 24/1099 juni 2020 5-8-2020 Porsche Cayenne 3.0 S E-Hybrid [kenteken20] Tabel 24/1100 juni 2020 5-8-2020 Porsche 911 Cabrio 3.0 Carrera S (992) [kenteken21] Koerslijst (XRAY) 24/1101 juni 2020 5-8-2020 Porsche 911 Cabrio 3.0 Carrera 4s (992) [kenteken22] Koerslijst (XRAY) 24/1102 juni 2020 5-8-2020 Bentley Continental GT 6.0. W12 1st ed. [kenteken23] Koerslijst (XRAY) Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2021 gehoord en op 3 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 2.7. Belanghebbende heeft voor de maand april 2020 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto: Zaak- nummer Maandaangifte Datum voldoening Auto Kenteken Afschrijvingsmethode 24/1103 april 2020 6-7-2020 Audi Q8 50 TDI quattro [kenteken24] Koerslijst (XRAY) Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2021 gehoord en op 23 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat recht bestaat op een teruggave van € 1.134 in verband met de toepassing van artikel 16a Wet BPM. De Inspecteur heeft daarbij aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend. 2.8. Belanghebbende heeft voor de maand februari 2020 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s: Zaak- nummer Maandaangifte Datum voldoening Auto Kenteken Afschrijvingsmethode 24/1104 februari 2020 4-5-2020 Audi e-tron 55 quattro adv. [kenteken25] Tabel 24/1105 februari 2020 4-5-2020 Audi e-tron 55 quattro [kenteken26] Tabel 24/1106 februari 2020 4-5-2020 Porsche Panamera Sport Turism 4.0 GTS [kenteken27] Koerslijst (XRAY) 24/1107 februari 2020 4-5-2020 Mercedes-Benz G-Klasse 63 AMG [kenteken28] Koerslijst (XRAY) 24/1108 februari 2020 4-5-2020 Porsche 91 1 Cabrio Carrera 4S (991) [kenteken29] Tabel Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspecteur heeft belanghebbende op 15 april 2021 gehoord en op 3 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur heeft daarbij het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de Inspecteur heeft vastgesteld dat ten aanzien van de auto’s met de kentekens [kenteken28] en [kenteken29] recht bestaat op extra leeftijdskorting van respectievelijk € 858 en € 865. De Inspecteur heeft daarbij aan belanghebbende geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend. 2.9. Belanghebbende heeft voor de maand december 2019 als vergunninghouder maandaangifte als bedoeld in artikel 8 Wet BPM gedaan voor de volgende personenauto’s: Zaak- nummer Maandaangifte Datum voldoening Auto Kenteken Afschrijvingsmethode 24/1109 december 2019 17-2-2020 Porsche Cayenne 3.0D [kenteken30] Koerslijst (XRAY) 24/1110 december 2019 17-2-2020 Mercedes-Benz GLC-Klasse 43 AMG [kenteken31] Koerslijst (XRAY) 24/1111 december 2019 17-2-2020 Mercedes-Benz GLS-Klasse 63 AMG [kenteken32] Koerslijst (XRAY) 24/1112 december 2019 17-2-2020 Mercedes-Benz G-Klasse 63 AMG [kenteken33] Koerslijst (XRAY) Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze maandaangifte. De Inspec c. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase de hoorplicht geschonden. d. De bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering van de verschuldigde BPM rust in het licht van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) op de Inspecteur. e. Het systeem van de Wet BPM op grond waarvan BPM voorafgaand aan het belastbare feit moet worden betaald, voldoet niet aan de vereisten die op grond van het Unierecht worden gesteld aan het heffen van een registratieheffing. f. Voor het bepalen van de waarde van de auto moet worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft. g. Artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van de transitieregeling die geldt bij de overgang van de NEDC-testmethode naar de WLTP-testmethode. h. Er bestaat recht op toepassing van een gunstiger voortijds of tussentijds tarief. i. De koerslijst van AutotelexPro is niet op de juiste wijze toegepast. j. Er bestaat recht op extra leeftijdskorting; daarbij moet voor de maandaangiften die belanghebbende als vergunninghouder heeft gedaan worden uitgegaan van de datum van melding. k. De Inspecteur heeft de bedragen aan te veel voldane BPM die bij de uitspraken op bezwaar zijn vastgesteld niet uitbetaald. l. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar voor de gegrond verklaarde bezwaren. m. De overschrijding van de redelijke termijn dient tot een immateriële schadevergoeding van € 500 per zaak te leiden. n. De door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 50 per zaak is te laag. o. Over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van de betaalde griffierechten moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop belanghebbende de griffierechten heeft betaald. p. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend. 4 Beoordeling van het geschil Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht 4.1. Belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft. 4.2. Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. 4.3. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Ad b. Vooraf heffen griffierecht 4.4. Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. 4.5. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoal Volgens belanghebbende berusten stelplicht en - bij betwisting - bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op haar. Dit betoog slaagt niet. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEU verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling. Door de mogelijkheid om te kiezen uit verschillende methoden ter bepaling van de afschrijving, biedt de in de Wet BPM opgenomen regeling de mogelijkheid om te komen tot een heffing van BPM die in overeenstemming is met artikel 110 VWEU. Ad e. Heffingsmodaliteit Wet BPM in strijd met het Unierecht 4.12. De heffing van BPM vindt plaats door middel van voldoening op aangifte. Indien deze BPM is verschuldigd ter zake van de registratie van een motorrijtuig, moet deze worden betaald voordat het motorrijtuig te naam is gesteld in het kentekenregister en moet de aangifte gelijktijdig met de betaling worden gedaan. Deze verplichting tot vooruitbetaling van BPM op aangifte is niet beperkt tot motorrijtuigen die buiten Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht. 4.13. Alleen houders van een vergunning als bedoeld in artikel 8 Wet BPM zijn uitgezonderd van de hiervoor bedoelde verplichting tot vooruitbetaling. Zij kunnen de BPM achteraf per tijdvak (en dus niet vooraf per motorrijtuig) voldoen. Deze mogelijkheid om BPM pas na de tenaamstelling te betalen staat onder dezelfde voorwaarden open voor gebruikte motorrijtuigen die zijn geproduceerd of aangekocht buiten Nederland. 4.14. Nu bij de wijze van heffing en betaling van BPM geen onderscheid wordt gemaakt tussen motorrijtuigen die in Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht en motorrijtuigen die buiten Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht, is van strijdigheid met artikel 110 VWEU geen sprake. Het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel verzet zich evenmin tegen deze wijze van heffing en betaling van BPM. Ad f. Ex-rental 4.15. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU voor de bepaling van de afschrijving moet worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Dit betreffen dan in dit geval de auto’s waarbij voor het bepalen van de waardevermindering een koerslijst van XRAY is gebruikt. Dit betoog van belanghebbende faalt, omdat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Belanghebbende heeft verder niet gemotiveerd gesteld dat de auto’s waarbij in deze zaken voor het bepalen van de waardevermindering een koerslijst van XRAY is gebruikt een huurverleden hebben of vergelijkbaar zijn met auto’s met een huurverleden. Ad g. Overgang NEDC/WLTP 4.16. Belanghebbende stelt dat de overgang van de NEDC-testmethode naar de WLTP-testmethode betekent dat sprake is van verschillende heffingsmodaliteiten, hetgeen strijd oplevert met artikel 110 VWEU. 4.17. Tot 1 september 2017 werd de CO2-uitstootwaarde vastgesteld volgens de NEDC-testmethode. Van 1 september 2017 tot 1 september 2018 werd de CO2-uitstootwaarde vastgesteld volgens de WLTP-testmethode, maar alleen voor nieuwe typen auto’s (voor bestaande typen werd de CO2-uitstootwaarde in deze periode vastgesteld volgens de NEDC-testmethode). Met ingang van 1 september 2018 geldt voor alle nieuw geproduceerde auto’s dat de CO2-uitstootwaarde wordt vastgesteld volgens de WLTP-testmethode. De WLTP-testmethode leidt doorgaans tot een hogere CO2-uitstootwaarde dan de NEDC-testmethode. 4.18. Op grond van de restantvoorraadregeling (Kaderrichtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007) mocht voor auto’s die zijn geproduceerd vóór 1 juni 2018 en die op dat moment bij de genoemde auto’s overweegt het Hof als volgt: Porsche Cayman met kenteken [kenteken1] , maandaangifte augustus 2019 (zaaknummer 24/1083) 4.25. De datum eerste toelating van deze auto is 13 oktober 2016. Belanghebbende heeft met datum 16 juli 2019 melding gedaan van deze auto en daarbij de afschrijving aan de hand van de forfaitaire tabel berekend op 55,332%, ervan uitgaande dat de auto (naar boven afgerond) 2 jaar en 10 maanden oud was. De Inspecteur heeft niet weersproken dat belanghebbende de volgens de melding verschuldigde BPM van € 5.117 bij de maandaangifte augustus 2019 heeft voldaan. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019. Nu de tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019, was de auto op het moment van de tenaamstelling 2 jaar en 11 maanden oud, en bedroeg het afschrijvingspercentage volgens de forfaitaire tabel 56,165%. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto recht heeft op een extra leeftijdskorting van € 95 . Porsche 911 kenteken [kenteken3] , maandaangifte augustus 2019 4.26. De datum eerste toelating van deze auto is 12 juni 2019. Belanghebbende heeft met datum 17 juli 2019 melding gedaan van deze auto en de verschuldigde BPM aan de hand van een koerslijst berekend op € 22.151. De Inspecteur heeft niet weersproken dat belanghebbende de volgens de melding verschuldigde BPM bij de maandaangifte augustus 2019 heeft voldaan. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 2 maanden oud. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2019. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 3 maanden oud. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto recht heeft op een extra leeftijdskorting van € 747 . Porsche Cayenne kenteken [kenteken4] , maandaangifte oktober 2019 (zaaknummer 24/1084) 4.27. De datum eerste toelating van deze auto is 7 maart 2018. Belanghebbende heeft met datum 26 september 2019 melding gedaan van deze auto en de verschuldigde BPM aan de hand van een koerslijst berekend op € 15.896. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 1 jaar en 7 maanden oud. De Inspecteur heeft niet weersproken dat belanghebbende de volgens de melding verschuldigde BPM bij de maandaangifte oktober 2019 heeft voldaan. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019. Nu de tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019, was de auto op het moment van de tenaamstelling 1 jaar en 8 maanden oud. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto recht heeft op een extra leeftijdskorting van € 251 . Land Rover Range Rover 5.0 V8 SC [kenteken6] , maandaangifte november 2019 (zaaknummer 24/1085) 4.28. De datum van eerste toelating van deze auto is 21 maart 2018. Belanghebbende heeft met datum 30 oktober 2019 melding gedaan van deze auto en de verschuldigde BPM aan de hand van een koerslijst berekend op € 44.818. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 1 jaar en 8 maanden oud. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Op dat moment was de auto nog steeds (naar boven afgerond) 1 jaar en 8 maanden oud. Belanghebbende heeft daarom geen recht op extra leeftijdskorting voor deze auto. Audi Q8 50 TDI Quattro met kenteken [kenteken9] , maandaangifte november 2019, (zaaknummer 24/1088) 4.29. De datum van eerste toelating van deze auto is 13 september 2019. Belanghebbende heeft met datum 22 oktober 2019 melding gedaan van deze auto en de verschuldigde BPM aan de hand van een koerslijst berekend op € 17.467. Op dat moment was de auto (naar boven afgerond) 2 maanden oud. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 5 november 2019. Op dat moment was de auto nog steeds (naar boven afgerond) 2 maanden oud. Belanghebbende heeft daarom geen recht op extra leeftijdskorting voor deze auto. Porsche 911 met kenteken [kenteken13] , maandaangifte januari 2020 (zaaknummer 24/1092) 4.30. De datum eerste toelating van deze auto is 17 februari 2016. Belanghebbende heeft met datum 22 augustus 2019 Belanghebbende heeft in dit geval niet gemotiveerd gesteld dat voor de auto’s waarvoor de Inspecteur heeft vastgesteld dat recht bestaat op extra leeftijdskorting de tenaamstelling als gevolg van onvoorziene en aan de overheid tot te rekenen omstandigheden langer dan vijf werkdagen op zich heeft laten wachten. Als gevolg daarvan is niet aannemelijk geworden dat de omstandigheid dat belanghebbende te veel BPM op aangifte heeft betaald, het gevolg is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb. 4.37. Verder moet worden aangenomen dat een belastingplichtige ook in staat moet zijn om bij aangifte reeds op de juiste wijze toepassing te geven aan artikel 16a Wet BPM. Dit maakt dat belanghebbende ook geen recht heeft op een vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar tegen de in 2.7. bedoelde voldoening op aangifte. Ad m. Samenhang voor vergoeding immateriële schade 4.38. De Rechtbank heeft vastgesteld dat in alle zaken de redelijke termijn is overschreden, dat uitgaande van het oudste bezwaarschrift de termijn met afgerond vijfentwintig maanden is overschreden en dat dit leidt tot een totale vergoeding van immateriële schade van € 2.500. Aangezien de zaken door de Rechtbank gezamenlijk zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp – namelijk de vraag of belanghebbende op aangifte te veel BPM heeft voldaan, waarbij telkens dezelfde bezwaar- beroepsgronden zijn aangevoerd – hangen de zaken samen en heeft de Rechtbank terecht slechts eenmaal € 500 per half jaar als vergoeding van immateriële schade toegekend. In dit verband voert belanghebbende nog aan dat door de Rechtbank ook per zaak griffierecht is geheven, zodat kennelijk geen sprake is van samenhang. Dit betoog kan niet slagen. Het criterium voor samenhang in het kader van de immateriële schadevergoeding luidt namelijk niet hetzelfde als voor het begrip ‘samenhangende besluiten’ in het kader van het heffen van griffierecht. Het Unierecht noopt niet tot een hogere vergoeding van immateriële schade. Ad n. Matiging proceskostenvergoeding in eerste aanleg 4.39. Hoewel de Rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard, heeft de Rechtbank wel een proceskostenvergoeding toegekend. Daarbij heeft de Rechtbank bijzondere omstandigheden aanwezig geacht en de volgens het Besluit proceskostenbestuursrecht (Bpb) berekende vergoeding op grond van artikel 2, lid 3, Bpb verlaagd tot € 50 per zaak en aldus een totale proceskostenvergoeding van € 1.900 toegekend. Redengevend daarvoor is dat strikte toepassing van de forfaitaire regeling zou leiden tot een proceskostenvergoeding die de werkelijk gemaakte kosten ver zou overtreffen. In dat verband heeft de Rechtbank van belang geacht dat de onderhavige zaken onderdeel zijn van een groot cluster aan zaken dat een sterke inhoudelijke samenhang vertoont waardoor de proceshandelingen een uniform karakter hebben en die bovendien van (zeer) eenvoudige aard zijn. Daarbij moet volgens de Rechtbank de vergoeding in deze zaak gezien worden in samenhang met de vergoedingen die in de zaken van andere belanghebbenden van het gehele cluster zijn toegekend. De Rechtbank heeft daarbij geen relatie aangenomen met de concrete zaken waarop de uitspraak waarvan hoger beroep ziet. Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank juist. Het Hof ziet in de omstandigheid dat in hoger beroep geoordeeld wordt dat een deel van de beroepen van belanghebbende gegrond is, geen aanleiding voor het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding voor de procedure in eerste aanleg dan de vergoeding van € 1.900 die door de Rechtbank reeds ten laste van de Inspecteur is toegekend. Het Hof acht ondanks die omstandigheid toepassing van artikel 2, lid 3, Bpb in dit geval nog steeds gerechtvaardigd en de vergoeding van € 1.900 niet te laag. Het feit dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven, brengt niet mee dat geen plaats is voor een lagere proceskostenver 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de immateriële schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht, verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen tegen de uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2021 inzake de maandaangifte voor de maanden augustus 2019 en oktober 2019, tegen de uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2021 inzake de maandaangifte voor de maand januari 2020, alsmede het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 22 juli 2021 inzake de voldoening op aangifte voor de Mini Countryman Cooper kenteken [kenteken14] gegrond, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur van 31 augustus 2021 inzake de maandaangifte voor de maanden augustus 2019 en oktober 2019 en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van BPM van € 842 (€ 95 + 747) voor de maand augustus 2019 en € 251 voor de maand oktober 2019, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur van 31 augustus 2021 inzake de maandaangifte januari 2020, behoudens de beslissing omtrent de bezwaarkosten, en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van BPM van € 446, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur van 22 juli 2021 inzake de voldoening op aangifte voor de Mini Countryman Cooper kenteken [kenteken14] en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van BPM van € 92, veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 50, veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt van € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof, en bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening. Deze uitspraak is gedaan door, mr. R.R. van der Heide voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026. De griffier, De voorzitter, (E.D. Postema) (R.R. van der Heide) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687. Hoge R