Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-07
ECLI:NL:GHARL:2026:4492
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/716 uitspraakdatum: 7 juli 2026 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2024, nummer ARN 22/3791, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur), en de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (hierna: de Staat). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 7 januari 2022 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 5.002. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 mei 2022 het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarnaast de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500, veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 437,50 en bepaald dat de Staat het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens A.F.J.M. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 19 augustus 2021 aangifte gedaan in verband met de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister van een Volkswagen Tiguan Allspace 2.0, met kenteken [kenteken1] (de auto). 2.2. Volgens de aangifte heeft belanghebbende vanwege de gebruikte staat van de auto een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2021; hierna: de Wet BPM) in aanmerking genomen. Voor het bepalen van de hoogte van deze vermindering (de afschrijving) heeft zij gebruik gemaakt van de zogenoemde taxatiemethode als omschreven in artikel 10, lid 8, van de Wet BPM. Bij de aangifte is een taxatierapport van 17 augustus 2021 gevoegd. 2.3. Belanghebbende is in de aangifte uitgegaan van de volgende gegevens, die overeenkomen met de gegevens in het taxatierapport: Datum eerste toelating Historische nieuwprijs Handelsinkoop-waarde in onbeschadigde staat Herstelkosten schade In aanmerking te nemen % van de herstelkosten Historische bruto bpm BPM op aangifte te voldoen 21-11-2019 € 65.861 € 26.638,67 € 11.833,07 100% € 15.222 € 3.420 De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat heeft belanghebbende bepaald op basis van een vergelijking met referentievoertuigen daarbij rekening houdend met een handelsmarge van 20%. Belanghebbende heeft een bedrag van € 3.420 op aangifte voldaan. 2.4. De Inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd de auto te tonen bij Domeinen Roerende zaken (DRZ). Belanghebbende heeft de auto getoond bij DRZ. DRZ heeft zijn bevindingen van de auto vastgelegd in een verslag van 30 augustus 2021 dat is ondertekend door [taxateur] . DRZ heeft geen meer dan normale gebruiksschade aan de auto geconstateerd. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ de naheffingsaanslag van € 5.002 opgelegd, welke als volgt is berekend: Catalogusprijs € 45.108 Historische bruto BPM (CO2-uitstoot 165 gr/km) € 15.222 Historische nieuwprijs € 60.330 Afschrijvingspercentage aan de hand van forfaitaire tabel 44,668% Verschuldigde BPM (€ 15.222 x (100 – 44,668%)) = € 8.422 Betaald op aangifte -/- € 3.420 Naheffingsaanslag € 5.002 3 Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Ad c. Verdedigingsbeginsel 4.7. Belanghebbende stelt dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, nu hij niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Zo dit beginsel in het onderhavige geval al van toepassing is – het Hof kan dat in het midden laten – dan nog is van een schending daarvan geen sprake. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Dit betekent dat nu belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgenodigd schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus dat standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat belanghebbende ook wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek. Ad d en e. Naheffing van BPM en bewijslast 4.8. Belanghebbende betoogt dat te weinig geheven BPM niet op grond van artikel 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorrijtuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Dit betoog is niet juist. 4.9. Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Volgens belanghebbende berusten stelplicht en - bij betwisting - bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op haar. Ook dit betoog faalt. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEU verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling. Ad f. Onafhankelijkheid DRZ 4.10. Belanghebbende stelt dat de onafhankelijkheid van DRZ ten opzichte van de Inspecteur niet is gewaarborgd en wijst er daarbij op dat degene die het verslag van DRZ heeft ondertekend in dienst is van de Belastingdienst. Volgens belanghebbende moeten daarom de bevindingen van de DRZ buiten beschouwing blijven. Het Hof verwerpt deze beroepsgrond van belanghebbende. Het staat de Inspecteur vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Dat die deskundige werkzaam is bij de Belastingdienst, staat daaraan niet in de weg. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende aanvoert ook geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur van DRZ en evenmin aanleiding om minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. Niet is gebleken dat de Inspecteur (de taxateur van) DRZ heeft beïnvloed of geïnstrueerd over de wijze van taxeren van de auto. Het Hof merkt hierbij nog op dat het Hof de bewijsmiddelen van partijen weegt en aan belanghebbendes bewijsmiddelen geen hogere eisen stelt dan aan die van de Inspecteur. Ad g. Catalogusprijs 4.11. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur de catalogusprijs van de auto onjuist, dat wil zeggen te laag, heeft vastgesteld. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur geen rekening gehouden met alle extra voorzieningen waarover de auto beschikt. Belanghebbende heeft in dit verband in hoger beroep een uitdraai van een koerslijst van XRAY overgelegd, waaruit een catalogusprijs van € 52.922 volgt. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij is uitgegaan van de juiste catalogusprijs. 4.12. Het Hof overweegt dat op belanghebbende de bewijslast rust om de Als gevolg daarvan kan niet worden gezegd dat belanghebbende de naheffingsaanslag in zijn geheel tegen beter weten in bestrijdt en daarom het financiële belang in deze zaak minder is dan € 1.000. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Ook heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden. De Rechtbank heeft in haar uitspraak de Staat opgedragen het in verband met het beroep betaalde griffierecht te vergoeden. De Staat heeft geen hoger beroep ingesteld, zodat het Hof deze beslissing in stand zal laten. 5.2. De Rechtbank heeft de kosten van belanghebbende voor de behandeling van het beroep vastgesteld op € 437,50 en de Staat veroordeeld tot het vergoeden daarvan. Deze veroordeling houdt verband met de veroordeling van de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij is uitgegaan van een wegingsfactor van 0,5. Omdat de Staat geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof ook deze beslissing in stand laten. 5.3. In hoger beroep heeft belanghebbende – anders dan in eerste aanleg – (gedeeltelijk) gelijk gekregen over het geschil betreffende de naheffingsaanslag, zodat het Hof aanleiding ziet de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.332 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) wegingsfactor 1 € 666), € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 934) en € 467 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 934 x 0,25 (wegens toepassing van artikel 19a, lid 2, Wet BPM) ), ofwel in totaal op € 3.667. Opmerking verdient in dit verband dat belanghebbende niet heeft gesteld dat zij een bijzonder geval is in de zin van artikel van de tweede volzin van artikel 19a, lid 2, Wet BPM. Anders dan belanghebbende betoogt, is artikel 19a, lid 2, Wet BPM niet in strijd met het Unierecht. Nu de Staat door de Rechtbank reeds is veroordeeld in de proceskosten voor een bedrag van € 437,50, zal het Hof de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van een bedrag aan proceskosten van € 3.229,50 (= € 3.667 -/- € 437,50). 5.4. Het bedrag aan proceskosten en het bedrag van de immateriële schadevergoeding moeten op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4, Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening worden uitbetaald. Het Hof als belastingrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of deze bedragen moeten worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. 6 Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoedingen van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht ten laste van de Staat, – vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, – vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.792, – veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 50, – veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.229,50, – gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het betaalde griffierecht van € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof, en – bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijk