Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-07
ECLI:NL:GHARL:2026:4491
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/621 uitspraakdatum: 7 juli 2026 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer AWB 23/502, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is op 22 april 2022 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 12.749. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen op 11 juli 2022 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 dit beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft op 23 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/202, 24/226 tot en met 24/234, 24/254, 24/255 en 24/621 gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten 2.1. De heer Verhoeven heeft op 11 juli 2022 een bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag met dagtekening 22 april 2022. 2.2. De Inspecteur heeft in een brief van 14 juli 2022 aan de heer Verhoeven verzocht om een recente machtiging van belanghebbende. In een rappelbrief van 19 augustus 2022 – verzonden naar het in het bezwaarschrift vermelde adres van de heer Verhoeven – heeft de Inspecteur nogmaals verzocht binnen twee weken een recente machtiging toe te sturen. Daarbij is opgemerkt dat als niet binnen de gestelde termijn wordt gereageerd, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Op deze brieven is niet gereageerd. 2.3. In zijn uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. In deze uitspraak heeft de Inspecteur tevens overwogen dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ontvangen. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de Inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd: a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd. b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming. c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd. d. De Inspecteur heeft de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (zie 3.1). e. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase de hoorplicht geschonden. f. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan. 4 Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid hoger beroep 4.1. Alvorens tot een eventuele beoordeling van voornoemde grieven te kunnen overgaan, dient het Hof de ontvankelijkheid van het hoger beroep te beoordelen. 4.2. De Rechtbank heeft op 28 november 2023 uitspraak gedaan en heeft de uitspraak ook op die datum aangetekend v Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake. Ad d. Niet-ontvankelijkheid bezwaar 4.12. In zijn uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. In deze uitspraak heeft de Inspecteur tevens overwogen dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ontvangen. Het Hof acht deze niet-ontvankelijkverklaring juist. 4.13. De heer Verhoeven heeft bij het indienen van het bezwaarschrift geen machtiging overgelegd. Daarom heeft de Inspecteur bij brief van 14 juli 2022 (zie 2.2) aan de heer Verhoeven verzocht om binnen vier weken een machtiging over te leggen. De Inspecteur heeft bij brief van 19 augustus 2022 (zie 2.2) nogmaals verzocht om binnen twee weken een machting toe te sturen. Daarbij is erop gewezen dat het niet overleggen van een machtiging ertoe kan leiden dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Aangezien Verhoeven niet heeft gereageerd op beide brieven, heeft de Inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2022 het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. 4.14. De heer Verhoeven heeft op 11 juli 2022 een bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag met dagtekening 22 april 2022. Dit bezwaarschrift is dus niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend. Ook om die reden is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Ad e. Schending hoorplicht bezwaarfase 4.15. Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op zijn verzoek te horen. Van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is (artikel 7:3 Awb). Deze uitzondering voorziet in de mogelijkheid om van het horen af te zien indien er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. 4.16. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend zonder een gevraagde machtiging te overleggen. Bovendien is het bezwaarschrift ruim buiten de bezwaartermijn ingediend. Gelet daarop was er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk over de niet-ontvankelijkheid van het gemaakte bezwaar. De Inpecteur mocht daarom afzien van het horen van belanghebbende. De Inspecteur heeft de hoorplicht niet geschonden. Van strijdigheid met enig verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel is geen sprake. 4.17. Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten. Ad f. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep 4.18. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. 4.19. Het Hof kent geen immateriële schadevergoeding toe indien (i) het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt en (ii) de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval zal het Hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Met deze constatering wordt een rechtsgevolg verbonden aan het oordeel dat een inbreuk is gemaakt op het recht van de belanghebbende op berechting binnen een redelijke termijn. Nu in deze gevallen de ernst van die inbreuk van betrekkelijk geringe aard is – gelet op de mate van overschrijding en het beperkte financiële belang – bestaat geen grond om aan dat oordeel nog enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4.20. Belanghebbende heeft op 23 januari 2024 tegen de uitspraak v