Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-07
ECLI:NL:GHARL:2026:4484
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/239 uitspraakdatum: 7 juli 2026 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer AWB 21/2693, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur), en de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) te Den Haag. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 3.975. Daarbij is € 26 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 1.000, € 50 en € 181. 1.4. Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/191 tot en met 24/201, 24/203 tot en met 24/210, 24/223, 24/224, 24/236 tot en met 24/241, 24/250 tot en met 24/253 en 25/2381 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 3.975. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De in dat verband relevante data luiden als volgt: Zaak- nummer Dagtekening naheffingsaanslag Einde bezwaar-termijn Bezwaar Dagtekening Ontvangst 24/239 24 september 2020 5 november 2020 5 januari 2021 6 januari 2021 3 Geschil 3.1. In geschil is of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd: a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd. b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming. c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd. d. De Inspecteur heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (zie 3.1). e. De door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 50 per zaak is te laag. f. Over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van het betaalde griffierecht moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop belanghebbende het griffierecht heeft betaald. g. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan. 4 Beoordeling van het geschil Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht 4.1. De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justiti Bij verzending per post is een bezwaarschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen. 4.10. Voornoemde bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet. Indien de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, dan vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 4.11. Als de belanghebbende de verzending van het aanslagbiljet betwist, dan moet de inspecteur bewijzen dat het aanslagbiljet of de beschikking tijdig en rechtsgeldig aan belanghebbende is verzonden. 4.12. De naheffingsaanslag is gedagtekend op 24 september 2020. Het daartegen gerichte pro forma bezwaarschrift is gedagtekend op 5 januari 2021 en ontvangen door de Inspecteur op 6 januari 2021. Belanghebbendes gemachtigde heeft de gronden van bezwaar op 25 januari 2021 naar voren gebracht in een brief van tien bladzijden zonder daarin op te merken dat de naheffingsaanslag belanghebbende later heeft bereikt. Op de vraag van de Rechtbank aan belanghebbendes gemachtigde waarom het bezwaar te laat was ingediend, zijn geen redenen gegeven. Vervolgens heeft belanghebbendes gemachtigde pas in een nader stuk van 27 maart 2026 – dertien dagen voor de zitting van het Hof – geschreven dat hij ‘namens [belanghebbende] opwerpt dat hij de aanslag niet op of omstreeks de dagtekening heeft ontvangen, maar op een veel later moment’. Nu pas ruim vijf jaar na de indiening van een uitvoerig bezwaarschrift, kort voor de zitting bij het Hof, ondanks eerdere vragen daarover van de Rechtbank, voor het eerst door belanghebbende in algemene bewoordingen is gesteld dat de naheffingsaanslag op ‘een veel later moment’ in ontvangen, acht het Hof de betwisting door belanghebbende van een tijdige verzending onvoldoende gemotiveerd, zodat aan bewijslevering door de Inspecteur niet wordt toegekomen. Dit brengt mee dat uitgaande van de dagtekening van de naheffingsaanslag (24 september 2020) het bezwaarschrift van 5 januari 2021 na afloop van de zeswekentemijn is ingediend. De Inspecteur heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. 4.13. Verder heeft belanghebbende geen redenen aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de termijnoverschrijding in verzuim is geweest. 4.14. Anders dan belanghebbende betoogt, staat ook het Unierecht niet in de weg aan een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM wegens overschrijding van de nationaalrechtelijke bezwaartermijn. Het stond belanghebbende namelijk vrij gebruik te maken van de openstaande mogelijkheid van bezwaar. Daarom kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen effectieve mogelijkheid had het verschuldigde bedrag aan BPM in een fiscale procedure te bestrijden. Ad e. Matiging proceskostenvergoeding 4.15. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 50 per zaak te laag is. 4.16. De Rechtbank heeft bijzondere omstandigheden aanwezig geacht waardoor de volgens het Besluit proceskostenbestuursrecht (Bpb) berekende vergoeding op grond van artikel 2 lid 3 Bpb is verlaagd tot € 50 per zaak. Redengevend daarvoor is dat strikte toepassing van de forfaitaire regeling zou leiden tot een proceskostenvergoeding die de werkelijk gemaakte kosten ver zou overtreffen. In dat verband heeft de Rechtbank van belang geacht dat sprake is van een groot aantal zaken dat een sterke inhoudelijke samenhang vertoont – namelijk een beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden – waardoor de proceshandelingen een uniform karakter hebben en die bovendien van (zeer) eenvoudige aard zijn. Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank juist. Het feit dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven, breng Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. 5.3. Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard, wordt geen griffierecht vergoed. 6 Beslissing Het Hof: bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 50; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50; en bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026. De griffier, De voorzitter, (E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687; HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2. HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2. HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3. HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4. HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4. Artikel 6:7 Awb. Artikel 6:9 lid 1 Awb. Artikel 6:9 lid 2 Awb. Artikel 22j AWR. HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8440; HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102. Zie de uitspraak van de Rechtbank, onderdeel 7. HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465. HR (civiel) 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193, r.o. 3.4.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, r.o. 2.4. Vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358. Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6988, r.o. 4.23. De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564. Artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze bepaling vindt toepa