Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-07
ECLI:NL:GHARL:2026:4483
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 24/236 tot en met 24/238 uitspraakdatum: 7 juli 2026 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummers AWB 22/2438, 22/5485 en 22/5691, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur), en de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) te Den Haag. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft op aangiften bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) voldaan. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de voldoeningen bezwaarschriften ingediend. De Inspecteur heeft in zijn uitspraken deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 het beroep 22/5485 (in hoger beroep zaaknummer 24/237) niet-ontvankelijk verklaard omdat het prematuur was ingesteld, de overige beroepen ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierechten toegekend van respectievelijk € 500, € 50 en € 365. 1.4. Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Partijen hebben nadere stukken ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/191 tot en met 24/201, 24/203 tot en met 24/210, 24/223, 24/224, 24/236 tot en met 24/241, 24/250 tot en met 24/253 en 25/2381 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 19 april 2021 op aangifte € 1.445 aan BPM voldaan voor de registratie van een Dacia Duster. Belanghebbende heeft daartegen op 4 juni 2021 een bezwaarschrift (gedagtekend 1 juni 2021) ingediend. De Inspecteur heeft bij uitspaak van 31 maart 2022 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende heeft op 1 mei 2022 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar, welk beroep door de Rechtbank is ingeschreven onder zaaknummer 22/2438 (zaaknummer bij Hof 24/236) en ter zake waarvan door de Rechtbank € 365 aan griffierecht is geheven. 2.2. Belanghebbende heeft op 28 oktober 2021 op aangifte € 1.012 aan BPM voldaan voor de registratie van een Citroën C3. Belanghebbende heeft daartegen op 15 december 2021 een bezwaarschrift (gedagtekend 10 december 2021) ingediend. De Inspecteur heeft in een brief van 7 juli 2022 zijn voornemen kenbaar gemaakt om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding. In dezelfde brief kondigt de Inspecteur ook aan dat hij een voorstel zal doen voor een hoorgesprek. Belanghebbende heeft op 3 augustus 2022 beroep ingesteld tegen de brief van 7 juli 2022, welk beroep door de Rechtbank is ingeschreven onder zaaknummer 22/5485 (zaaknummer bij Hof 24/237) en ter zake waarvan door de Rechtbank € 365 aan griffierecht is geheven. 2.3. De Inspecteur heeft op 24 augustus 2022 de werkelijke uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot het in 2.2 genoemde bezwaar en daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft op 23 september 2022 beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar, welk beroep door de Rechtbank is ingeschreven onder zaaknummer 22/5691 (zaaknummer bij Hof 24/238) en ter zake waarvan door de Rechtbank € 365 aan griffierecht is geheven. 2.4. De Rechtbank heeft Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake. 4.6. Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Ad c. Weigeren gemachtigde 4.7. De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door (een bestuurder van) belanghebbende getekende volmacht overgelegd. 4.8. De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor haar rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake. Ad d. Beroep bij Rechtbank niet-ontvankelijk omdat het prematuur is (24/237) 4.9. De belasting op aangifte voor de registratie van een Citroën C3 is op 28 oktober 2021 voldaan. Belanghebbende heeft op 15 december 2021 bezwaar gemaakt tegen deze voldoening op aangifte. De Inspecteur heeft in een brief van 7 juli 2022 zijn voornemen kenbaar gemaakt om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding. In dezelfde brief kondigt de Inspecteur ook aan dat hij een voorstel zal doen voor een hoorgesprek. Belanghebbende heeft op 3 augustus 2022 beroep ingesteld tegen de brief van 7 juli 2022. De Inspecteur heeft op 24 augustus 2022 de werkelijke uitspraak op bezwaar gedaan (zie 2.3). De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroepschrift van 3 augustus 2022 voor het begin van de beroepstermijn (25 augustus 2022) is ingediend en daarom moet worden aangemerkt als een prematuur beroep dat niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Gelet op de bewoordingen in de brief van 7 juli 2022 kon belanghebbende namelijk redelijkerwijs niet menen dat de Inspecteur daarmee reeds werkelijk uitspraak op het bezwaar had gedaan. Ad e. Schending hoorplicht bezwaarfase 4.10. Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op zijn verzoek te horen. De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt, staat de inspecteur toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en een locatie te kiezen. De vrijheid die de inspecteur in dit verband heeft, wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die beginselen brengen mee dat rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de betrokkene(n) en van de inspecteur. De inspecteur moet die belangen tegen elkaar afwegen. Uitgangspunt daarbij is (a) dat het aan de inspecteur is om tijd en plaats van het hoorgesprek te bepalen, en (b) dat geen regel Anders dan belanghebbende betoogt, staat ook het Unierecht niet in de weg aan een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen een op aangifte voldaan bedrag aan BPM wegens overschrijding van de nationaalrechtelijke bezwaartermijn. Het stond belanghebbende namelijk vrij gebruik te maken van de openstaande mogelijkheid van bezwaar tegen het door haar op aangifte voldane bedrag aan BPM. Daarom kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen effectieve mogelijkheid had het door haar op aangife voldane bedrag aan BPM in een fiscale procedure te bestrijden. Ad g. Matiging proceskostenvergoeding 4.18. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 50 per zaak te laag is. 4.19. De Rechtbank heeft bijzondere omstandigheden aanwezig geacht waardoor de volgens het Besluit proceskostenbestuursrecht (Bpb) berekende vergoeding op grond van artikel 2 lid 3 Bpb is verlaagd tot € 50 per zaak. Redengevend daarvoor is dat strikte toepassing van de forfaitaire regeling zou leiden tot een proceskostenvergoeding die de werkelijk gemaakte kosten ver zou overtreffen. In dat verband heeft de Rechtbank van belang geacht dat sprake is van een groot aantal zaken dat een sterke inhoudelijke samenhang vertoont – namelijk een beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden – waardoor de proceshandelingen een uniform karakter hebben en die bovendien van (zeer) eenvoudige aard zijn. Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank juist. Het feit dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven, brengt niet mee dat geen plaats is voor een lagere proceskostenvergoeding dan volgens het forfaitaire tarief. Bovendien is het enkele feit dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven, geen bijzondere omstandigheid die tot een hogere (integrale) vergoeding zou moeten leiden. Ad h. Rentevergoeding griffierecht 4.20. De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan belanghebbende het griffierecht moet worden vergoed vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening. 4.21. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht wordt vergoed. Bovendien moet volgens belanghebbende een rentevoet worden toegepast die geldt voor handelstransacties. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie (HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250) dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. 4.22. Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten. Ad i. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep 4.23. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. 4.24. Het Hof kent geen immateriële schadevergoeding toe indien (i) het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt en (ii) de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval zal het Hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 4.25. Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Daarmee