Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-07
ECLI:NL:GHARL:2026:4477
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/202 uitspraakdatum: 7 juli 2026 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer AWB 21/2017, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is op 6 oktober 2020 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 6.401. 1.2. Belanghebbende heeft op 14 oktober 2020 daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak van 5 maart 2021 dit bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 dit beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] , [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/202, 24/226 tot en met 24/234, 24/254, 24/255 en 24/621 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een afschrift van het pro forma bezwaarschrift van 14 oktober 2020 ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 1.8. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof op 8 mei 2026 het onderzoek heropend en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld de naheffingsaanslag en de motivering van het bezwaar van 4 maart 2021 (zie 2.6) in het geding te brengen. Bij bericht van 1 juni 2026 heeft het Hof dit verzoek aan de Inspecteur herhaald. De Inspecteur heeft op beide berichten niet gereageerd. Het Hof heeft daarin aanleiding gezien het onderzoek andermaal te sluiten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft aangifte voor belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) gedaan naar een bedrag van € 6.401. 2.2. Belanghebbende heeft vanwege de coronacrisis verzocht om uitstel van betaling van het bedrag dat op deze aangifte moet worden voldaan. 2.3. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Inspecteur op 6 oktober 2020 een naheffingsaanslag van € 6.401 opgelegd zonder boete of belastingrente. 2.4. Belanghebbende heeft op 14 oktober 2020 een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag. Daarbij heeft belanghebbende verzocht om uitstel van betaling en om een hoorgesprek. 2.5. De Ontvanger heeft vanwege de coronacrisis bijzonder uitstel van betaling verleend voor de naheffingsaanslag. 2.6. Belanghebbende heeft op 4 maart 2021 het bezwaar gemotiveerd. 2.7. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak van 5 maart 2021 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Redengevend daarvoor is dat de naheffingsaanslag is opgelegd om het verzoek om uitstel van betaling te formaliseren. Van een hoorgesprek is afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de Inspecteur in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. De naheffingsaanslag is niet in geschil. 3.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd: a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd. b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming. c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven ge Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake. Ad d. Schending hoorplicht bezwaarfase 4.9. Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op zijn verzoek te horen. Van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is (artikel 7:3 Awb). Deze uitzondering voorziet in de mogelijkheid om van het horen af te zien indien er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie dat het bezwaar niet kan leiden tot een vermindering van de naheffingsaanslag. 4.10. Nadat belanghebbende aangifte BPM had gedaan, heeft zij vanwege de coronacrisis verzocht om uitstel van betaling van haar eigen aangifte. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd. Vervolgens heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag en daarbij verzocht om uitstel van betaling. De Ontvanger heeft uitstel van betaling verleend. Op 4 maart 2021 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar aangevoerd (zie 2.6). 4.11. Ondanks een herhaald verzoek (zie 1.8) heeft de Inspecteur niet de motivering van het bezwaar van 4 maart 2021 in het geding gebracht. Daardoor kan het Hof niet vaststellen of de daarin aangevoerde gronden tot de conclusie kunnen leiden dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de beslissing van de Inspecteur dat het bezwaar ongegrond is. Deze nalatigheid van de Inspecteur komt voor zijn risico. Dit brengt mee dat de Inpecteur niet mocht afzien van het horen van belanghebbende en dat hij de hoorplicht dus heeft geschonden. 4.12. Op grond van artikel 6:22 Awb gaat het Hof voorbij aan de schending van de hoorplicht, nu aannemelijk is dat belanghebbende daardoor niet wordt benadeeld. Redengevend daarvoor is dat de naheffingsaanslag enkel is opgelegd om belanghebbendes verzoek om uitstel van betaling te formaliseren (zie 2.7) en dat dit door belanghebbende in beroep en hoger beroep niet inhoudelijk is bestreden. Er bestaat dan ook geen geschil meer over de van belang zijnde feiten. In deze gang van zaken ziet het Hof wel aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van de beroeps- en hogerberoepsfase en vergoeding van de geheven griffierechten. Ad e. Overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg 4.13. De Rechtbank heeft vastgesteld dat in de eerste aanleg (bezwaar en beroep) de redelijke termijn – met bijna één jaar – is overschreden, maar dat zij geen aanleiding heeft gezien voor een schadevergoeding omdat geen sprake is van spanning en frustratie. De naheffingsaanslag is immers opgelegd op verzoek van belanghebbende zelf en niet is gebleken dat die naheffingsaanslag niet in overeenstemming was met dat verzoek, aldus de Rechtbank. 4.14. De Rechtbank heeft terecht geen schadevergoeding toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn, wat er ook zij van de door haar gebezigde motivering. Destijds werd geen immateriële schadevergoeding toegekend, wanneer het financiële belang bij een belastingprocedure minder was dan € 15. Het ligt het op de weg van belanghebbende om de omvang van het financiële belang aannemelijk te maken. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege het niet tijdig betalen van de BPM die volgens haar eigen aangifte was verschuldigd, zonder dat is gebleken of duidelijk is gemaakt wat de omvang is van het financiële belang bij de aangevoerde gronden. Gelet daarop heeft de Rechtbank terecht geen vergoeding van immateriële schade toegekend. 4.15. Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten. Ad f. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep 4.16. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. 4.17. H