Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-06-23
ECLI:NL:GHARL:2026:4307
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/354 uitspraakdatum: 23 juni 2026 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2023, nummer AWB 22/877, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: aanslag 2016) opgelegd. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. M. van Leeuwen, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur, [naam1] en [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. De zaak is gelijktijdig behandeld met die met de kenmerken 25/1169, 25/1170, 25/1171, 25/1172 en 25/1173. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft in de jaren 1986 en 1998 de [stichting1] en de [stichting2] opgericht en is bestuurder van beide stichtingen. Op 21 maart 2011 heeft belanghebbende [stichting3] opgericht. 2.2. Op 14 december 2015 heeft belanghebbende met de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst (de VSO) gesloten over de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2015. 2.3. In de VSO is over de vorderingen en schulden van belanghebbende het volgende opgenomen, waarbij voor partij A moet worden gelezen belanghebbende: “(…) Vorderingen en schulden Partij A heeft een geschil over de hoogte van mogelijke vorderingen op en schulden aan [naam3] , [naam4] , [naam5] en de stichtingen. Voor de belastingjaren 2011 tot en met 2015 spreken partijen af dat ervan uitgegaan wordt dat mochten de bezittingen van partij A (waaronder de vorderingen en zijn onroerende zaken), de schulden al overtreffen hieruit geen belastingheffing in box 3 volgt omdat deze [onder] het heffingsvrije vermogen vallen. Voor wat betreft de belastingjaren 2016 en volgend spreken partijen met betrekking tot deze vorderingen en schulden af dat de wettelijke (fiscale) regels van toepassing zijn. De vorderingen en schulden zullen overeenkomstig de waarde in het economische verkeer in de aangifte moeten [worden] opgenomen. Partij A zal hierbij aansluiten bij de meest recente gerechtelijke uitspraak voor zover hierover een geschil met de wederpartij is. Op verzoek van de Belastingdienst is partij A gehouden informatie te verstrekken over de hoogte van de vorderingen en schulden. Met betrekking tot de schulden aan de heer [naam3] en de heer [naam4] spreken partijen het volgende af: Over de juistheid en rechtmatigheid van de hoogte van de schuld aan de heer [naam3] loopt een gerechtelijke procedure. Vooralsnog heeft de rechter niet geoordeeld over de hoogte van het door partij A verschuldigde bedrag. Voor zolang de rechter hierover geen uitspraak heeft gedaan wordt, zolang de schuld bestaat, voor wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen gewaardeerd op € 675.000. Indien de rechter geoordeeld heeft, maar er nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden zijn partijen bevoegd een afwijkend standpunt over de hoogte van deze schuld in te nemen en is hij niet gebonden aan deze afspraak. Over de juistheid en rechtmatigheid van de hoogte van de schuld aan de heer [naam4] loopt een gerechtelijke procedure. Vooralsnog heeft de rechter niet geoordeeld over de hoogte van het door partij A verschuldigde bedra De Rechtbank heeft terecht geconstateerd dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep met (afgerond) 29 maanden is overschreden . In hoger beroep is de redelijke termijn met (afgerond) 5 maanden overschreden. In een procedure waarin sprake is van een gering financieel belang, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder dat er een veroordeling tot een schadevergoeding plaatsvindt. Daar is naar het oordeel van het Hof in dit geval sprake van. Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat een belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen, zoals beslissingen over vergoeding van immateriële schade. Het onderwerp van het onderliggende geschil betreft de vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in de aanslag 2016, dat is vastgesteld op nihil. Dit inkomen kan niet lager dan nihil worden vastgesteld, en daarom is – in alle fases van de procedure – sprake van geen enkel financieel belang, als hiervoor bedoeld. De Rechtbank heeft daarom terecht volstaan met de constatering dat de redelijke termijn van berechting in de bezwaar- en beroepsfase is overschreden. Het Hof volstaat voor de hogerberoepfase met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, en zal de Inspecteur respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) dus niet veroordelen tot het vergoeden van immateriële schade. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof: bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep af. Deze uitspraak is gedaan door M. Harthoorn, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (M. Harthoorn) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederp