Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-26
ECLI:NL:GHARL:2026:428
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.353.692/01 CJIB-nummer : 260298950 Uitspraak d.d. : 26 januari 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 15 januari 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “het kenteken is niet behoorlijk zichtbaar aanwezig op of aan het motorrijtuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 augustus 2023 om 13:52 uur op de Oranje Nassausingel in Alphen aan den Rijn met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 2. De gemachtigde van de betrokkene betwist dat de gedraging heeft plaatsgevonden. De staandehouding werd verricht door vier agenten, van wie twee of drie in opleiding waren en één agent als begeleider fungeerde. De agenten zijn bijna drie kwartier bezig geweest om te beoordelen of de kentekenplaat van de betrokkene te schuin gemonteerd was. De betrokkene moest daarbij zelf de motorfiets rechtop houden, terwijl de agenten op provisorische wijze de hellingshoek van de kentekenplaat bepaalden. De betrokkene vraagt zich af of deze manier van meten is toegestaan. De motor is nieuw geleverd door de Ducati-dealer, waarbij de kentekenplaat onderdeel was van het optionele carbon sportpakket, zoals door Ducati af-fabriek wordt geleverd. De betrokkene kon dus niet weten dat de plaat mogelijk schuin stond. Bovendien gaven de ambtenaren aan zelf te twijfelen en hadden zij ook kunnen volstaan met een waarschuwing. Volgens de gemachtigde is het bijzonder dat de kantonrechter verwijst naar artikel 7, zesde lid, van de Regeling kentekens en kentekenplaten, omdat dit artikellid niet ten grondslag ligt aan de gedraging, maar artikel 40 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). 3. De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd is gebaseerd op artikel 40 van de WVW 1994. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “1. Het kenteken dient behoorlijk zichtbaar op of aan het motorrijtuig of de aanhangwagen aanwezig te zijn. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting, het aanbrengen en de verlichting van het kenteken en worden regels vastgesteld omtrent de kentekenplaat. (...) 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het bepaalde krachtens het tweede lid.” 4. Het op artikel 40, derde lid, van de WVW 1994 gebaseerde artikel 7 van de Regeling kentekens en kentekenplaten houdt onder meer het volgende in: “2. Bij motorrijtuigen op twee of drie wielen (…) moet de kentekenplaat zijn aangebracht aan de achterzijde van het motorrijtuig op de daartoe bestemde plaats. (…) 6. De kentekenplaat moet loodrecht op het verticale mediaanvlak van het voertuig zijn aangebracht en zich in verticale stand bevinden, met een tolerantie van 5%. Indien de vorm van het voertuig zulks vereist, mag de kentekenplaat evenwel de volgende helling ten opzichte van de verticale stand hebben: a. indien de van het kenteken voorziene zijde van de kentekenplaat naar boven is gekeerd, een hoek van ten hoogste 30°, mits de bovenrand van de kentekenplaat zich niet hoger dan 1.20 m boven het wegdek bevindt, b. indien de van het kenteken voorziene zijd