Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-06-30
ECLI:NL:GHARL:2026:4272
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.354.851 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden 11205021 arrest van de pachtkamer van 30 juni 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats 1] ( [buitenland] ) die hoger beroep heeft ingesteld en bij de pachtkamer in Leeuwarden optrad als eiser en verweerder in voorwaardelijke reconventie en hierna [appellant] wordt genoemd advocaat: mr. H.M. van Eerten tegen 1 [geïntimeerde sub 1] 2. [geïntimeerde sub 2] die wonen in [woonplaats 2] (gemeente [gemeente 1] ) en waarvan [geïntimeerde sub 2] bij de pachtkamer in Leeuwarden optrad als eiser in voorwaardelijke reconventie advocaat: mr. A. Kroondijk 3 [geïntimeerde sub 3] die woont in [woonplaats 3] (gemeente [gemeente 1] ) 4. [geïntimeerde sub 4] die woont in [woonplaats 4] (gemeente [gemeente 1] ) en bij de pachtkamer in Leeuwarden optraden als eisers in reconventie advocaat: mr. P. Stehouwer 5 [geïntimeerde sub 5] die woont in [woonplaats 5] (gemeente [gemeente 2] ) 6. [geïntimeerde sub 6] die woont in [woonplaats 6] en die niet zijn verschenen [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] waren bij de pachtkamer in Leeuwarden gedaagden. Afzonderlijk worden zij hierna bij hun voornaam genoemd. Gezamenlijk worden [appellant] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] de kinderen genoemd. 1. Het verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 23 december 2025 heeft op 16 april 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Daarop is nog een reactie namens [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] gestuurd. Partijen hebben het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2. De kern van de zaak, feiten, vorderingen bij en beslissing van de pachtkamer in Leeuwarden en inzet van het hoger beroep De kern van de zaak 2.1. Het hof moet in deze zaak de vragen beantwoorden of een pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde sub 2] en de gemeenschap bestaat, of deze pachtovereenkomst moet worden ontbonden vanwege een toerekenbare tekortkoming die de ontbinding rechtvaardigt, of [geïntimeerde sub 1] in de plaats van [geïntimeerde sub 2] gesteld moet worden en of daaraan voorwaarden verbonden moeten worden. De feiten 2.2. De partijen zijn, op [geïntimeerde sub 1] na, broers en zusters van elkaar. [geïntimeerde sub 1] is een zoon van [geïntimeerde sub 2] . De kinderen zijn erfgenamen van de in gemeenschap van goederen gehuwde [erflater 1] (hierna: [erflater 1] ), overleden op 27 december 1995, en [erflater 2] , overleden op 18 februari 2000. De ouders hadden een agrarisch bedrijf. De hoeve was gevestigd aan de [adres] te [plaats] . Daarbij behoorde ongeveer 30 ha land. 2.3. Het bedrijf is op enig moment voortgezet door [erflater 1] en [geïntimeerde sub 2] . Na het overlijden van [erflater 1] hebben [geïntimeerde sub 2] en [appellant] de opstallen gekocht. [appellant] heeft het aandeel van [geïntimeerde sub 2] in die koopsom aan [geïntimeerde sub 2] geleend. [geïntimeerde sub 2] heeft het bedrijf met zijn echtgenote voortgezet in een maatschap. De percelen zijn niet verdeeld, niet na het overlijden van [erflater 1] en niet na het overlijden van [erflater 2] . Na het overlijden van [erflater 1] zijn [geïntimeerde sub 4] en [erflater 2] (voor enige jaren) in de boerderij blijven wonen. 2.4. In januari 1996 is door een notaris een boedelvolmacht opgesteld waarbij [appellant] aan [geïntimeerde sub 4] volmacht heeft gegeven speciaal om hem te vertegenwoordigen terzake van de nalatenschap van [erflater 1] om – samengevat – uitkeringen te innen, rekeningen bij banken op te zeggen, zaken te verkopen, mee te werken aan scheiding en deling en alles te doen wat raadzaam wordt geacht voor een ju Als de indeplaatsstelling niet rechtsgeldig is, maar de oude pachtovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] nog bestaat, dan wil [appellant] dat deze pachtovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] wordt ontbonden en dat [geïntimeerde sub 2] wordt veroordeeld het gepachte te ontruimen, op straffe van een dwangsom. 2.12. [geïntimeerde sub 2] heeft een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld: als de pachtwijzigingsovereenkomst niet deugdelijk tot stand is gekomen, wil [geïntimeerde sub 2] dat [geïntimeerde sub 1] alsnog voor hem in de plaats gesteld wordt. 2.13. [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 3] hebben bij de pachtkamer in Leeuwarden een tegenvordering ingesteld: zij wilden dat de pachtkamer in Leeuwarden een taxateur zou benoemen die de waarde van de percelen in gepachte staat zou taxeren en dat vervolgens de nalatenschappen van [erflater 1] en [erflater 2] zouden worden verdeeld, zodat [geïntimeerde sub 4] zijn aandeel in geld krijgt uitgekeerd en aan [geïntimeerde sub 3] worden toegescheiden landerijen ter waarde van haar aandeel, met verrekening van eventuele over- en onderbedeling met de overige deelgenoten. De beslissing van de pachtkamer in Leeuwarden 2.14. De pachtkamer in Leeuwarden heeft ten aanzien van de vorderingen van [appellant] voor recht verklaard dat op basis van de pachtwijzigingsovereenkomst geen geldige indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 2] door [geïntimeerde sub 1] heeft plaatsgevonden en de overige vorderingen (ontruiming van het gepachte door [geïntimeerde sub 1] of ontbinding van de pachtovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] en ontruiming van het gepachte door [geïntimeerde sub 2] ) afgewezen. Zij heeft de voorwaardelijke tegenvordering van [geïntimeerde sub 2] toegewezen en [geïntimeerde sub 1] in de plaats van [geïntimeerde sub 2] gesteld. Zij heeft zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de vordering van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] en de zaak ten aanzien van die vordering naar de rechtbank verwezen. De inzet van het hoger beroep 2.15. [appellant] komt tegen dit vonnis in hoger beroep. Hij wil dat het vonnis gedeeltelijk vernietigd wordt, voor zover daarin [geïntimeerde sub 1] in de plaats van [geïntimeerde sub 2] is gesteld, zijn vordering tot ontbinding is afgewezen en zijn ontruimingsvorderingen tegen [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] zijn afgewezen en hij wil dat voor recht verklaard wordt dat de pachtovereenkomst uit 1996 met [geïntimeerde sub 2] niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en dus nietig is, althans dat deze pachtovereenkomst wordt ontbonden en dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] alsnog worden veroordeeld om het gepachte te ontruimen op straffe van een dwangsom. Als dat niet wordt toegewezen wil [appellant] , na eiswijziging in zijn memorie van grieven, dat aan de indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 1] voor [geïntimeerde sub 2] de voorwaarde wordt verbonden dat [geïntimeerde sub 2] de achterstallige pacht betaalt, die volgens [appellant] tot 4 maart 2025 € 121.464,17 bedraagt, te vermeerderen met de na 2020 verschuldigde pachttermijnen en wettelijke rente (op basis van een pachtprijs anno 2020 van € 20.540 en jaarlijks aan te passen conform het Pachtprijzenbesluit), althans zoals nader te kwantificeren. 2.16. Deze eiswijziging in de memorie van grieven van [appellant] en een nadere eiswijziging zijn na het vorige tussenarrest aan alle partijen, ook die niet zijn verschenen, tijdig bij deurwaardersexploot betekend. In de laatste, nadere, eiswijziging is het bedrag dat [geïntimeerde sub 2] moet betalen als voorwaarde voor indeplaatsstelling verhoogd van € 121.464,17 naar € 179.359, te vermeerderen met de na mei 2020 verschuldigde pachttermijnen en wettelijke rente (op basis van een pachtprijs anno 2020 van € 20.500 en jaarlijks aan te passen conform het Pachtprijzenbesluit). 3 De toelichting op de beslissing van het hof Internationale bevoegdheid 3.1. Omdat [appellant] niet in Nederland woont moet ambtshalve de rechtsmacht beoordeeld Het hof stelt vast dat in 2020 de verhoudingen zijn veranderd toen een geschil is ontstaan met [appellant] over de door [geïntimeerde sub 2] betaalde pacht. Gezien de gang van zaken voor 2020, gezien de familierelatie en betrokkenheid van alle kinderen bij een verpachting aan [geïntimeerde sub 2] , is het hof van oordeel dat [geïntimeerde sub 2] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de pachtovereenkomst, als al niet geldig aangegaan, stilzwijgend was bekrachtigd. Ook als moeder na het overlijden van vader geen volmacht aan [geïntimeerde sub 4] heeft gegeven, leidt dat niet tot een andere conclusie, omdat [geïntimeerde sub 2] er op grond van deze zelfde omstandigheden gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ook moeder instemde met de met hem gesloten pachtovereenkomst. 3.8. Als [appellant] voor 2020 niet op de hoogte was van de precieze inhoud van de schriftelijke pachtovereenkomst, leidt dat in het licht van de omstandigheden die hiervoor zijn genoemd niet tot een andere conclusie. [appellant] heeft zich erop beroepen dat hij ervan uitging dat er sprake was van een eenmalige pachtovereenkomst op grond van artikel 70f lid 5 Pachtwet, omdat dat gunstiger voor de boedel was. Hij biedt echter geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat deze verwachting in 1996 of op enig later moment bij hemzelf, één van de andere kinderen of moeder een rol gespeeld heeft bij het maken van afspraken met [geïntimeerde sub 2] of waarom ook [geïntimeerde sub 2] van die verwachting uit moest gaan of daar rekening mee moest houden. Ook is niet gesteld of gebleken dat één van de kinderen zich gedragen heeft alsof de pachtovereenkomst van beperkte duur zou zijn. Bijvoorbeeld is niet gebleken dat ooit over verlenging is gesproken. Moet de pachtovereenkomst worden ontbonden? 3.9. [appellant] stelt aan de orde dat de pachtovereenkomst moet worden ontbonden, omdat (i) [geïntimeerde sub 2] een achterstand heeft in de betaling van de pacht (inclusief pachtersdeel waterschapslasten en ruilverkavelingsrente), (ii) hij de pachtovereenkomst in 1996 en de pachtwijzigingsovereenkomst met de indeplaatsstelling van 2023 op slinkse wijze heeft bewerkstelligd en (iii) omdat [geïntimeerde sub 2] in de pachtwijzigingsovereenkomst afstand heeft gedaan van zijn pachtrechten en hij dus het gepachte niet meer persoonlijk exploiteert. [geïntimeerde sub 2] (en [geïntimeerde sub 1] ) betwisten dit en ook [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] betwisten dit. Het hof begrijpt die betwisting zo, dat er daarmee ook een (stilzwijgend) beroep op gedaan wordt dat een eventuele tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Het hof merkt op dat [appellant] zelf daarop ook geanticipeerd heeft in zijn memorie van grieven door aan te geven dat de tekortkoming de ontbinding wél rechtvaardigt. 3.10. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 3:171 BW iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. [appellant] kan dan ook alleen, zonder de medewerking van de andere broers en zussen, de ontbinding van de pachtovereenkomst vorderen. Artikel 6:265 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het hof moet beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de pachter bij het voortduren van de pachtovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. 3.11. Niet betwist is dat [geïntimeerde sub 2] de verhogingen van rechtswege van de pacht (artikel 7:333 lid 1 BW) langere tijd niet heeft doorgevoerd in zijn pachtbetalingen. In 2020 heeft [appellant] dit aan de orde gesteld en becijferd dat de achterstallige pacht € 87.000 bedroeg. [geïntimeerde sub 2] heeft ve En ook daarbij geldt dat de andere kinderen het over of [geïntimeerde sub 1] wel of niet in de plaats gesteld moet worden anders denken en ook hier zakelijke en familiebanden nauw met elkaar verweven zijn. Ook die manier van optreden van [geïntimeerde sub 2] is daarom al met al onvoldoende om een ontbinding te rechtvaardigen. 3.15. [appellant] heeft ook betoogd dat de pachtovereenkomst ontbonden moet worden omdat [geïntimeerde sub 2] het gepachte niet meer persoonlijk gebruikt: De pachtwijzigingsovereenkomst voorziet er namelijk in dat [geïntimeerde sub 2] afstand doet van de pacht ten gunste van [geïntimeerde sub 1] . Ook nu de pachtwijzigingsovereenkomst niet rechtsgeldig is aangegaan, betekent dat volgens [appellant] dat [geïntimeerde sub 2] het gepachte niet meer gebruikt zoals het een goed pachter betaamt. [geïntimeerde sub 2] heeft ook niet tijdig om indeplaatsstelling gevraagd omdat hij daarvoor het bedrijf feitelijk al aan [geïntimeerde sub 1] heeft overgedragen. 3.16. Het hof gaat daarin niet mee: [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gebruiken het gepachte nog steeds in een maatschap met de echtgenote van [geïntimeerde sub 2] . Het hof oordeelt dat onvoldoende gemotiveerd betwist is dat [geïntimeerde sub 2] nog op het bedrijf werkt. Voor de afwezigheid van een arbeidsvergoeding in voorgaande jaren is ook een uitleg gegeven: de slokdarmkanker van [geïntimeerde sub 2] . Die ziekte is een omstandigheid die bij de beoordeling of er sprake is van voldoende persoonlijk gebruik een rol speelt. Duidelijk is dat [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] het bedrijf aan het overdragen zijn en daar ook al gedeeltelijk uitvoering aan gegeven hebben. Het hof oordeelt hieronder dat [geïntimeerde sub 1] in de plaats gesteld zal worden van [geïntimeerde sub 2] . In het licht van die omstandigheden is er geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming, althans rechtvaardigt deze tekortkoming een ontbinding niet. 3.17. Het hof heeft zich afgevraagd of alle gestelde tekortkomingen gezamenlijk een ontbinding van de pacht rechtvaardigen. Het komt – uiteindelijk – tot de conclusie dat dit niet zo is. In het licht van wat hiervoor is overwogen bij de individuele tekortkomingen en de gecompliceerde familieverhoudingen is het hof van oordeel dat de tekortkomingen ook gezamenlijk een ontbinding niet rechtvaardigen. 3.18. Het hof merkt wel op dat het op de weg van [geïntimeerde sub 2] – en in het licht van het oordeel over indeplaatsstelling hieronder, van [geïntimeerde sub 1] – ligt om in het vervolg zelfstandig en uit eigen beweging de pachtovereenkomst onberispelijk na te komen, ook wat betreft het vaststellen van de juiste pachtprijs (inclusief de verhogingen van rechtswege), desnoods met inschakeling van een deskundig adviseur, en zorg te dragen voor de tijdige betaling daarvan. Tekortkomingen uit het verleden kunnen worden meegewogen bij de beoordeling of een tekortkoming in de toekomst de ontbinding rechtvaardigt. Kon [geïntimeerde sub 2] een vordering tot indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 1] instellen? 3.19. [appellant] komt ertegenop dat de pachtkamer in Leeuwarden de indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 1] heeft uitgesproken. Volgens hem had [geïntimeerde sub 2] voor deze vordering de instemming van alle deelgenoten nodig, omdat hij die vordering ook als deelgenoot heeft ingesteld. In ieder geval is [appellant] van mening dat het instellen van deze vordering in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die deelgenoten jegens elkander in acht horen te nemen. 3.20. Het hof volgt [appellant] daarin niet. Als pachter mocht [geïntimeerde sub 2] tegen de gemeenschap een vordering tot indeplaatsstelling instellen. Dat hij ook zelf een deelgenoot is, staat daaraan niet in de weg. De vordering tot indeplaatsstelling is ook tegen de gemeenschap als verpachter ingesteld en niet namens de gemeenschap. De redelijkheid en billijkheid die deelgenoten jegens elkaar in acht moeten nemen staat aan een dergelijke vordering ni