Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-01-20
ECLI:NL:GHARL:2026:408
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,102 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:408 text/xml public 2026-01-30T13:14:06 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-20 23/2844 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:408 text/html public 2026-01-28T15:44:09 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:408 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 20-01-2026 / 23/2844 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer BK-ARN 23/2844 uitspraakdatum: 20 januari 2026 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 september 2023, nummer LEE 22/1662, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve processen/Team Auto bpm (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 3.787. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 167), proceskosten (€ 418,50) en griffierecht (€ 182,50), en de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 333), proceskosten (€ 418,50) en griffierecht (€ 182,50). 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.A.J.M. Lodestijn, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 een gebruikte personenauto van het merk Audi Q8 4.0 TFSI RS Q8 quattro (hierna: de auto) gekocht voor € 126.050,42. De datum eerste toelating – in Duitsland – is 2 december 2020. De CO2-uitstoot van de auto bedraagt (WLTP) 318 gr/km. De auto is op 9 maart 2021 door de RDW goedgekeurd. Belanghebbende heeft op 12 maart 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 36.380 en heeft een bedrag van € 36.378 voldaan. 2.2. Voor de waardebepaling van de auto heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 4 maart 2021 heeft de expertise plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 5.386 kilometer. In het taxatierapport van 5 maart 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 137.893, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 147.890 (XRAY-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 6.147 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 150 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 3.850 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 67.618. 2.3. De Inspecteur heeft op 19 maart 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) laten doen. Belanghebbende heeft de auto niet getoond bij DRZ. DRZ heeft op basis van de aangifte en het taxatierapport onderzoek gedaan naar de waarde van de auto. Van dit onderzoek is op 23 maart 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 248.971 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 147.974 (koerslijstwaarde XRAY) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. De CO2-uitstoot van de referentieauto die op de koerslijst van XRAY staat weergegeven (WLTP) is 300 gr/km. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto aldus vastgesteld op € 147.974. 2.4. De tenaamstelling van de auto in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021. 2.5. De Inspecteur heeft met dagtekening 11 juni 2021 een naheffingsaanslag in de BPM aan belanghebbende opgelegd van € 3.787. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 248.946, een historische bruto BPM van € 67.618 en een handelsinkoopwaarde van € 147.890. De verschuldigde BPM is berekend op € 40.165, zodat een bedrag van € 3.787 (= € 40.165 -/- € 36.378) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en de Rechtbank heeft dit bevestigd. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. Belanghebbende betoogt in hoger beroep: i) dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 318 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto (met een CO2-uitstoot van 300 gr/km) is verschuldigd; ii) dat aanleiding bestaat voor een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde wegens schade; iii) in verband met ii) dat het aan de Inspecteur is om aan te tonen dat in het geval van gebrek aan fiscale transparantie het stelsel geen discriminatie in de hand werkt. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende desgevraagd verklaard dat dit betoog enkel ziet op de in de 72%-regeling opgenomen mogelijkheid tegenbewijs te leveren dat de waardevermindering hoger is dan 72% van de herstelkosten; en iv) dat het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto leidt tot een waardevermindering van € 3.850. De gemachtigde heeft zijn stelling (ad ii) dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een waardevermindering omdat de auto enkel beschikt over winterbanden ter zitting van het Hof ingetrokken. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto 4.1. Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen (zie HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703). Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende. Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot 4.2. Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 300 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 318 gr/km heeft. 4.3. Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig (vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering. 4.4. Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen (zie HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.).
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:408 text/xml public 2026-01-30T13:14:06 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-20 23/2844 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:408 text/html public 2026-01-28T15:44:09 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:408 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 20-01-2026 / 23/2844 BPM. Vermindering (afschrijving). GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer BK-ARN 23/2844 uitspraakdatum: 20 januari 2026 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 september 2023, nummer LEE 22/1662, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve processen/Team Auto bpm (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 3.787. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 167), proceskosten (€ 418,50) en griffierecht (€ 182,50), en de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 333), proceskosten (€ 418,50) en griffierecht (€ 182,50). 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. P.A.J.M. Lodestijn, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 een gebruikte personenauto van het merk Audi Q8 4.0 TFSI RS Q8 quattro (hierna: de auto) gekocht voor € 126.050,42. De datum eerste toelating – in Duitsland – is 2 december 2020. De CO2-uitstoot van de auto bedraagt (WLTP) 318 gr/km. De auto is op 9 maart 2021 door de RDW goedgekeurd. Belanghebbende heeft op 12 maart 2021 voor de BPM aangifte gedaan naar een bedrag van € 36.380 en heeft een bedrag van € 36.378 voldaan. 2.2. Voor de waardebepaling van de auto heeft belanghebbende een taxateur ingeschakeld. Op 4 maart 2021 heeft de expertise plaatsgevonden. De tellerstand bedraagt op dat moment 5.386 kilometer. In het taxatierapport van 5 maart 2021 is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 137.893, gebaseerd op een waarde in onbeschadigde staat van € 147.890 (XRAY-koerslijst), een op basis van een schadecalculatie bepaalde schade van € 6.147 (waarin rekening is gehouden met een correctie van € 150 ‘conform XRAY Matrix’) en een waardevermindering van € 3.850 wegens ‘geen oordeel km stand’ door de RDW. In het taxatierapport is een bruto BPM berekend van € 67.618. 2.3. De Inspecteur heeft op 19 maart 2021 een ‘onderzoek waardebepaling’ door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) laten doen. Belanghebbende heeft de auto niet getoond bij DRZ. DRZ heeft op basis van de aangifte en het taxatierapport onderzoek gedaan naar de waarde van de auto. Van dit onderzoek is op 23 maart 2021 een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 248.971 vermeld, een (laagste) handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 147.974 (koerslijstwaarde XRAY) en is geen waardevermindering toegepast wegens schade. De CO2-uitstoot van de referentieauto die op de koerslijst van XRAY staat weergegeven (WLTP) is 300 gr/km. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto aldus vastgesteld op € 147.974. 2.4. De tenaamstelling van de auto in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021. 2.5. De Inspecteur heeft met dagtekening 11 juni 2021 een naheffingsaanslag in de BPM aan belanghebbende opgelegd van € 3.787. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 248.946, een historische bruto BPM van € 67.618 en een handelsinkoopwaarde van € 147.890. De verschuldigde BPM is berekend op € 40.165, zodat een bedrag van € 3.787 (= € 40.165 -/- € 36.378) is nageheven. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en de Rechtbank heeft dit bevestigd. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. Belanghebbende betoogt in hoger beroep: i) dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een CO2-uitstoot van 318 gr/km) is verschuldigd, en niet aan de hand van de BPM die voor de referentieauto (met een CO2-uitstoot van 300 gr/km) is verschuldigd; ii) dat aanleiding bestaat voor een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde wegens schade; iii) in verband met ii) dat het aan de Inspecteur is om aan te tonen dat in het geval van gebrek aan fiscale transparantie het stelsel geen discriminatie in de hand werkt. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende desgevraagd verklaard dat dit betoog enkel ziet op de in de 72%-regeling opgenomen mogelijkheid tegenbewijs te leveren dat de waardevermindering hoger is dan 72% van de herstelkosten; en iv) dat het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto leidt tot een waardevermindering van € 3.850. De gemachtigde heeft zijn stelling (ad ii) dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een waardevermindering omdat de auto enkel beschikt over winterbanden ter zitting van het Hof ingetrokken. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto 4.1. Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen (zie HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703). Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende. Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot 4.2. Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 300 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 318 gr/km heeft. 4.3. Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig (vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering. 4.4. Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen (zie HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.).
Volledig
Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting door de inspecteur – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken (vgl. onder meer Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858). Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende. 4.5. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in het leveren van het van haar verlangde bewijs geslaagd. Belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde van de auto. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt. De andere door de Inspecteur ingenomen standpunten ter zake van dit geschilpunt behoeven geen bespreking meer. Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade 4.6. Bij toepassing van de taxatiemethode kan als referentie voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto, gebruik worden gemaakt van de handelsinkoopwaarde van een referentieauto die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. De in deze koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is in dat geval slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn (vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.2 en 2.4.3; HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3). 4.7. Belanghebbende draagt ter ondersteuning van haar – onder 3.2 genoemde – standpunten het taxatierapport aan. Daarnaast heeft zij in beroep een aantal uitvergrote foto’s van de auto ingebracht. 4.8. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van het taxatierapport, de foto’s en de daarop gegeven toelichting sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Aangezien belanghebbende in hoger beroep haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat de auto dient te worden vergeleken met een (referentie)voertuig dat in de showroom staat, nu de auto daadwerkelijk een aantal maanden op de weg in gebruik is geweest en met deze auto 5.386 km is gereden. Of de taxatierapporten moeten worden uitgesloten van bewijs, zoals de Inspecteur heeft gesteld, kan in het midden blijven. Voorts acht het Hof door belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval de handelsinkoopwaarde van de auto dient te worden verminderd wegens het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket. Belanghebbende heeft in dit verband slechts in algemene zin verwezen naar jurisprudentie en zich niet concreet toegespitst op de auto. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende geen concrete onderbouwing gegeven. 4.9. Gelet op het voorgaande komt het Hof niet toe aan het – onder 3.2 ad iii) genoemde – standpunt van belanghebbende dat het stelsel niet transparant zou zijn ten aanzien van de eventueel in aanmerking te nemen waardevermindering in verband met schade. Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ 4.10. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand reden is om de waarde van de auto te verminderen met € 3.850. 4.11. Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22). 4.12. Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Dat de vermelding ‘geen oordeel kilometerstand’ als een waardeverminderend stigma moet worden beschouwd, los van een waardevermindering wegens daadwerkelijke tellerfraude, is in het taxatierapport onvoldoende onderbouwd met de enkele verwijzing naar de daarin opgenomen tabel. Gelet daarop is belanghebbende met het taxatierapport niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier. De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (H. de Jong) (G.B.A. Brummer) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c.
Volledig
Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting door de inspecteur – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken (vgl. onder meer Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858). Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende. 4.5. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in het leveren van het van haar verlangde bewijs geslaagd. Belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde van de auto. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt. De andere door de Inspecteur ingenomen standpunten ter zake van dit geschilpunt behoeven geen bespreking meer. Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade 4.6. Bij toepassing van de taxatiemethode kan als referentie voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto, gebruik worden gemaakt van de handelsinkoopwaarde van een referentieauto die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. De in deze koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is in dat geval slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn (vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.2 en 2.4.3; HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3). 4.7. Belanghebbende draagt ter ondersteuning van haar – onder 3.2 genoemde – standpunten het taxatierapport aan. Daarnaast heeft zij in beroep een aantal uitvergrote foto’s van de auto ingebracht. 4.8. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van het taxatierapport, de foto’s en de daarop gegeven toelichting sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Aangezien belanghebbende in hoger beroep haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat de auto dient te worden vergeleken met een (referentie)voertuig dat in de showroom staat, nu de auto daadwerkelijk een aantal maanden op de weg in gebruik is geweest en met deze auto 5.386 km is gereden. Of de taxatierapporten moeten worden uitgesloten van bewijs, zoals de Inspecteur heeft gesteld, kan in het midden blijven. Voorts acht het Hof door belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval de handelsinkoopwaarde van de auto dient te worden verminderd wegens het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket. Belanghebbende heeft in dit verband slechts in algemene zin verwezen naar jurisprudentie en zich niet concreet toegespitst op de auto. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende geen concrete onderbouwing gegeven. 4.9. Gelet op het voorgaande komt het Hof niet toe aan het – onder 3.2 ad iii) genoemde – standpunt van belanghebbende dat het stelsel niet transparant zou zijn ten aanzien van de eventueel in aanmerking te nemen waardevermindering in verband met schade. Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ 4.10. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand reden is om de waarde van de auto te verminderen met € 3.850. 4.11. Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22). 4.12. Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Dat de vermelding ‘geen oordeel kilometerstand’ als een waardeverminderend stigma moet worden beschouwd, los van een waardevermindering wegens daadwerkelijke tellerfraude, is in het taxatierapport onvoldoende onderbouwd met de enkele verwijzing naar de daarin opgenomen tabel. Gelet daarop is belanghebbende met het taxatierapport niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier. De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (H. de Jong) (G.B.A. Brummer) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c.