Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-28
ECLI:NL:GHARL:2026:3345
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.355.864/01, 200.355.865/01 en 200.355.865/02 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 190198 en 196018) beschikking van 28 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] (de man), die woont in [woonplaats1] (Israel), verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep,verzoeker in het incident tot schorsing, advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam, en [verweerster] (de vrouw), die woont in [woonplaats2] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep,verweerster in het incident tot schorsing, advocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere. 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot 29 januari 2026 naar zijn tussenbeschikking van die datum. Daarna heeft het hof nog ontvangen:- een journaalbericht namens de man van 12 februari 2026; - een brief namens de vrouw van 12 februari 2026 met bijlage(n); - een journaalbericht namens de man van 12 februari 2026; - een journaalbericht namens de vrouw van 16 februari 2026; - een journaalbericht namens de man van 17 februari 2026; - een journaalbericht namens de man van 12 maart 2026; - een journaalbericht namens de vrouw van 16 maart 2026 met bijlage(n); - een journaalbericht namens de man van 30 maart 2026 met bijlage(n). 2 De motivering van de beslissing In het principaal en in het incidenteel hoger beroep Inleiding 2.1. Het hof blijft bij wat is overwogen in de tussenbeschikking van 29 januari 2026 voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. Partijen hebben zich naar aanleiding van deze beschikking uitgelaten over de keuze voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de verdeling. Daarom zal het hof daar eerst over oordelen en vervolgens de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek in hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de verdeling van 50% van de aandelen in de onroerende zaken [adres1] en [adres2] te [plaats] bespreken. Daarna zal het hof ingaan op de door de man aangevoerde processuele punten, om vervolgens de resterende inhoudelijke punten te bespreken, zoals de kinder- en partneralimentatie en als laatste de vraag of de onroerende zaak aan de [adres3] te [plaats] moet worden betrokken bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen. Rechtsmacht ten aanzien van de verdeling 2.2. In zijn voornoemde tussenbeschikking heeft het hof al geoordeeld dat het hof op grond van artikel 10 van de Huwelijksvermogensrechtverordening rechtsmacht heeft ten aanzien van de nevenverzoeken voor zover die betrekking hebben op de verdeling van de zich in Nederland bevindende onroerende zaken en dat Nederlands recht daarop van toepassing is. 2.3. Voor wat betreft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van die nevenverzoeken met betrekking tot de verdeling die niet vallen onder artikel 10 van de Huwelijksvermogensrechtverordening heeft de vrouw zich primair op het standpunt gesteld dat partijen overeenstemming hebben over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en zich subsidiair beroepen op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter als forum necessitatis op grond van artikel 11 van de Huwelijksvermogensrechtverordening. De man heeft betwist dat er sprake is van overeenstemming over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Hij verzet zich verder tegen toepassing van artikel 11 van de Huwelijksvermogensrechtverordening. 2.4. Het hof stelt vast dat er geen overeenstemming is over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de nevenverzoeken tot verdeling die niet vallen onder de reikwijdte van artikel 10 van de Huwelijksvermogensrechtverordening. Dat betreft de verzoeken die betrekking hebben op verdeling van de woning in Israël met de daarbij behorende hypotheek, de roerende zaken (de inboedel van de woning in Israël, de sieraden en kunstwerken, de Renault Captur, de auto’s in Israël (Audi Q7, Audi Q5 en Toy De rechtbank heeft in 4.7 van het dictum van de bestreden beschikking ten aanzien van de toedeling van het aandeel van partijen van 50% in de woningen aan de [adres1] en [adres2] in [plaats] aan de vrouw bepaald dat de beschikking in de plaats treedt van de voor de levering van de aandelen in de woning vereiste wilsverklaring van de man in de notariële akte, als de man (ook niet bij volmacht) meewerkt aan de juridische levering van het aandeel van 50% in de woning aan de [adres1] in [plaats] en het aandeel van 50% in de woning aan de [adres2] in [plaats] aan de vrouw, op een notaris te bepalen datum en tijdstip. Weliswaar is de formulering van de rechtbank in het dictum niet helemaal correct, doordat het woordje “niet” abusievelijk ontbreekt, maar voor het hof is duidelijk dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zoals geformuleerd in haar partiële wijziging verzoekschrift met betrekking tot de boedelverdeling van 3 januari 2025 heeft toegewezen. Ook is voor het hof duidelijk dat de rechtbank in haar dictum heeft bedoeld aan te sluiten bij artikel 3:300 lid 2 BW. Dat de notaris de leveringsakte niet zou willen passeren, doet daar niet aan af. Daarbij komt dat namens de vrouw is aangevoerd dat zij om een herstelbeschikking heeft gevraagd. 2.10. Artikel 3:301 lid 2 BW bepaalt dat hoger beroep tegen een beslissing waarbij de rechter heeft bepaald dat zijn uitspraak in de plaats van een akte kan treden, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel wordt ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. De rechter dient ambtshalve na te gaan of aan het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW is voldaan. 2.11. Het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW strekt ertoe dat bij inschrijving in de openbare registers van een uitspraak die in de plaats treedt van (een deel van) een tot levering bestemde akte als bedoeld in artikel 3:89 BW, zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat geen rechtsmiddel is ingesteld. Dit is van belang voor de rechtszekerheid die is vereist bij de verkrijging van registergoederen. De bepaling bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, bij de afgifte van de in artikel 25 Kadasterwet bedoelde verklaring dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het rechtsmiddelenregister. Dit is niet alleen van belang in de gevallen die in artikel 25 lid 1, onder a en b, Kadasterwet zijn genoemd, maar ook in het geval waarin de in te schrijven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zoals in deze zaak. 2.12. Het is het hof gebleken dat het hoger beroep niet is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. De juistheid van de openbare registers kan niet ter discussie staan. Het systeem van de wet is aldus dat het de verantwoordelijkheid is van degene die hoger beroep instelt om mede de betrouwbaarheid van de registers te waarborgen door bij het instellen van een hoger beroep voor ieder kenbaar te maken dat een rechtsmiddel is ingesteld waarmee levering voorkomen kan worden, dan wel (wanneer levering al heeft plaatsgevonden) voor ieder kenbaar kan zijn dat de levering ter discussie staat. 2.13. Gelet op wat hiervoor onder 2.9 tot en met 2.12 is overwogen, is het hof van oordeel dat de man niet kan worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de toedeling van het aandeel van partijen van 50% in de woningen aan respectievelijk [adres1] en [adres2] te [plaats] . Hiervoor was inschrijving van het beroep in het rechtsmiddelenregister vereist, terwijl vaststaat dat een dergelijke inschrijving niet heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van grief 13 van de man voor zover die grief betrekking heeft op de toedeling van het aandeel van partijen van 50% in bovengenoemde woningen. Inhoudelijk 2.14. Het hof merkt als eerste op dat de door de man opgeworpen grieven niet uitblinken in helderheid, omdat in diverse grieven van de man verhol Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat er ook geen grond is om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, zoals de man heeft bepleit bij de mondelinge behandeling in hoger beroep. Grief 1 van de man faalt. 2.20. In de zevende grief grieft de man tegen de behandeling door de rechtbank van het aanvullende verzoek van de vrouw. De man heeft tijdig kennis kunnen nemen van de aanvullende verzoeken, deze waren hem op 3 januari 2025 per mail toegezonden en blijkens de correspondentie in het dossier ook voor de zitting bekend. Voor het bezwaar van de man dat hij dit verzoek niet ter zitting heeft kunnen bespreken verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 2.18 is overwogen. De grief faalt. Kinderalimentatie Behoefte 2.21. De kosten van de kinderen (de behoefte) worden bepaald aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan. 2.22. De man betwist dat het NBGI van partijen ten tijde van hun uiteengaan meer dan € 6.000,- netto per maand bedroeg. Hij voert aan dat met de onderbouwing van de behoefte van de kinderen niet kan worden volstaan met verwijzing naar de alimentatietabel 2023, omdat de kinderen ten tijde van het uiteengaan van partijen in Israël woonden. Hij betwist verder de door de vrouw genoemde uitgaven en de “bewijsstukken” ervan. De man erkent dat hij met zijn broer heeft geïnvesteerd in onroerend goed in [provincie] , daarvoor heeft hij een lening afgesloten. 2.23. De vrouw heeft de stelling van de man betwist. Zij beroept zich op artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en stelt dat de man beschikt over de benodigde financiële stukken waarmee de behoefte van de kinderen kan worden bepaald en dat het op zijn weg ligt de benodigde stukken te overleggen. Omdat hij die stukken achterhoudt, kan de rechter zelf een inschatting maken, aldus de vrouw. De vrouw verwijst naar de producties 9, 10 en 11 en voert aan dat de man huurinkomsten heeft van € 860,- en € 630,- per maand. Verder heeft de man in zijn verweerschrift betreffende de voorlopige voorzieningen aangevoerd dat zijn maandelijkse uitgaven € 6.390,52 bedroegen (toen de kinderen en de vrouw al in Nederland woonden). Volgens de vrouw waren deze uitgaven alleen voor de man en [naam] en hield het gezin er een luxe levensstijl op na. De vrouw meldt verder dat de door de man overgelegde loonstrook van een niet bij de Kamer van Koophandel in Israël ingeschreven bedrijf is en dat ook de op de loonstrook vermelde ID- gegevens niet overeenkomen met die van de man. 2.24. Het hof constateert dat de vrouw informatie heeft aangebracht, waarmee zij de door haar gestelde behoefte van de kinderen van € 577,- per kind per maand in 2024, die is gebaseerd de hoogste categorie inkomen van de alimentatietabel van 2023, heeft onderbouwd. De man heeft de behoefte van de kinderen van € 577,- per kind per maand betwist. 2.25. Ten aanzien van het inkomen van de man beschikt het hof over de volgende stukken en informatie: een verklaring van zijn Payroll-accountant en boekhouder van 12 maart 2024 met betrekking tot zijn inkomen (productie 88 bij het verweerschrift in hoger beroep); een verklaring gedateerd 5 augustus 2025 van [naam2] (productie 9 bij het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep); stukken waaruit blijkt dat de man als verhuurder optrad van [adres4] te [plaats2] (productie 9, 10 en 11 bij het aanvullend verzoek van de vrouw bij de rechtbank); de verklaring van de advocaat van de man, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de IKO procedure bij de rechtbank Den Haag (productie 64 bij het aanvullende verzoek van de vrouw bij de rechtbank) waarin deze heeft verklaard dat partijen veel investeringen deden; blz. 22 van het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 22 april 2025 (productie 89 bij het verweerschrift in hoger beroep) waarin de man telefonisch heeft verteld dat hij hoopt een woning te kunnen kopen in Nederland waar hij tijdens de omgangsmomenten met de kinderen kan verb Ter zitting heeft hij verklaard binnenkort te starten met een nieuwe baan. Met betrekking tot die baan of het inkomen dat hij zou gaan verdienen, heeft de man geen stukken overgelegd. Al met al heeft de man naar het oordeel van het hof zijn stelling dat hij niet beschikt over voldoende draagkracht, niet onderbouwd. 2.29. De man heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vrouw over meer draagkrachtruimte beschikt dan dat de rechtbank heeft becijferd, vanwege huurinkomsten van de panden in [plaats] . De vrouw heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat zij de beschikking heeft over de huurinkomsten van de woningen aan de [adres3] in [plaats] en aan de [adres1] en [adres2] te [plaats] . Zij heeft voldoende uiteengezet dat die huurinkomsten, die pas sinds 2023 worden genoten, op een rekening zijn gezet waarvan het saldo in de verdeling wordt betrokken en dat van de huurinkomsten ook de kosten met betrekking tot de woningen worden voldaan. Daarbij komt dat er bij de kantonrechter een procedure loopt waarin familie van de man aanspraak maakt op de huurinkomsten van de woningen aan de Eewal. 2.30. Uit het vorenstaande onder 2.22 tot en met 2.29 overwogen volgt dat grief 3 van de man faalt. Partneralimentatie Behoefte 2.31. Volgens de man heeft de vrouw haar behoefte niet aangetoond en kan niet zonder meer worden uitgegaan van de hofnorm ter bepaling van haar behoefte. De vrouw voert aan dat zij heeft verwezen naar de hofnorm ter onderbouwing van haar behoefte en dat de toepassing daarvan niet is weersproken. Zij heeft gesteld dat haar behoefte € 13.745,- bruto per maand bedraagt. 2.32. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de hoogte van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. Indien de huwelijksgerelateerde behoefte in geschil is, kan het hanteren van de hofnorm als (enige) maatstaf voor die behoefte op gespannen voet komen te staan met het door de Hoge Raad verlangde maatwerk. Niet voorbij gegaan mag worden aan de door partijen in dit verband aangevoerde relevante omstandigheden. 2.33. Uit het vorenstaande volgt dat voor de bepaling van de behoefte het hof dient te beschikken over informatie betreffende het inkomen van partijen ten tijde van het huwelijk. Die informatie ontbreekt. De man heeft niet betwist dat de vrouw tijdens het huwelijk geen inkomen had, zodat zijn inkomsten bepalend zijn voor de vaststelling van de behoefte. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de man geen inzage gegeven in zijn inkomen tijdens de periode waarin partijen samenleefden. Dat betekent dat het hof op basis van andere informatie de welstand tijdens het huwelijk moet vaststellen. Zoals het hof hiervoor onder 2.26 heeft overwogen is het duidelijk dat partijen gedurende het huwelijk in welstand leefden: ze woonden in Israël in een goede buurt in een huis met zwembad. Ze konden onroerend goed kopen en renoveren zonder daarvoor een hypotheek te hoeven afsluiten en vierden vakanties in Nederland in het hoogseizoen in luxe vakantiewoningen. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar behoefte een behoeftelijstje overgelegd. De man heeft niet betwist dat het gezin in welstand