Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-20
ECLI:NL:GHARL:2026:323
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.349.793, 200.350.892 en 200.351.177 zaaknummer rechtbank Gelderland 420336 en 444494 arrest van 20 januari 2026 in de gevoegde zaken (200.349.793) van 1 Sustainable Future Investments B.V. die is gevestigd in Deventer 2. Mest Verwerking Nederland B.V. die is gevestigd in Gorssel, gemeente Lochem 3. [appellant] die woont in [woonplaats1] , gemeente Lochem die hoger beroep hebben ingesteld en bij de rechtbank optraden als gedaagden hierna afzonderlijk: SFI, MVN en [appellant] , en samen : [appellanten] advocaat: mr. C. van de Kraats tegen 1 [participant1] die woont te [woonplaats2] , gemeente De Bilt 2. [participant2] die woont te [woonplaats2] , gemeente De Bilt 3. [participant3] die woont te [woonplaats3] 4. [participant4] die woont te [woonplaats4] , gemeente Gooise Meren 5. [participant5] die woont te [woonplaats5] 6. [participant6] die woont te [woonplaats6] , gemeente Steenwijkerland 7. [participant7] die woont te [woonplaats7] , gemeente Brummen 8. [participant8] die woont te [woonplaats8] 9. [participant9] die woont te [woonplaats9] , gemeente Bloemendaal 10. [participant10] die woont te [woonplaats10] , gemeente Zeist 11. [participant11] die woont te [woonplaats11] , gemeente Haarlemmermeer 12. [participant12] die woont te [woonplaats12] 13. [participant13] die woont te [woonplaats13] 14. [participant14] die woont te [woonplaats14] , gemeente Terneuzen die bij de rechtbank optraden als eisers hierna samen: [participanten] of de participanten advocaat: mr. R.L.G. Kraaijvanger en (200.350.892) van 1 [participant1] die woont te [woonplaats2] , gemeente De Bilt 2. [participant2] die woont te [woonplaats2] , gemeente De Bilt 3. [participant3] die woont te [woonplaats3] 4. [participant4] die woont te [woonplaats4] , gemeente Gooise Meren 5. [participant5] die woont te [woonplaats5] 6. [participant6] die woont te [woonplaats6] , gemeente Steenwijkerland 7. [participant7] die woont te [woonplaats7] , gemeente Brummen 8. [participant8] die woont te [woonplaats8] 9. [participant9] die woont te [woonplaats9] , gemeente Bloemendaal 10. [participant10] die woont te [woonplaats10] , gemeente Zeist 11. [participant11] die woont te [woonplaats11] , gemeente Haarlemmermeer 12. [participant12] die woont te [woonplaats12] 13. [participant13] die woont te [woonplaats13] 14. [participant14] die woont te [woonplaats14] , gemeente Terneuzen die bij de rechtbank optraden als eisers hierna samen: [participanten] of de participanten advocaat: mr. R.L.G. Kraaijvanger tegen [appellant] die woont in [woonplaats1] , gemeente Lochem die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde hierna: [appellant] advocaat: mr. C. van de Kraats en (200.351.177) van [appellant] die woont in [woonplaats1] , gemeente Lochem die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde hierna: [appellant] advocaat: mr. C. van de Kraats tegen 1 [participant1] die woont te [woonplaats2] , gemeente De Bilt 2. [participant2] die woont te [woonplaats2] , gemeente De Bilt 3. [participant3] die woont te [woonplaats3] 4. [participant4] die woont te [woonplaats4] , gemeente Gooise Meren 5. [participant5] die woont te [woonplaats5] 6. [participant6] die woont te [woonplaats6] , gemeente Steenwijkerland 7. [participant7] die woont te [woonplaats7] , gemeente Brummen 8. [participant8] die woont te [woonplaats8] 9. [participant9] die woont te [woonplaats9] , gemeente Bloemendaal 10. [participant10] die woont te [woonplaats10] , gemeente Zeist 11. [participant11] die woont te [woonplaats11] , gemeente Haarlemmermeer 12. [participant12] die woont te [woonplaats12] 13. [participant13] die woont te [woonplaats13] 14. [participant14] die woont te [woonplaats14] , gemeente Terneuzen die bij de rechtbank optraden als eisers hierna samen: [participanten] of de participanten advocaat: mr. R.L.G. Kraaijvanger 1 Het verloop van de procedures in hoger beroep 1.1. I Partijen hebben namelijk de procesdossiers van de zaken op elkaar afgestemd, en hebben ter zitting bij het hof verklaard dat zij alle gedingstukken met producties beschouwen als te zijn overgelegd in elk van de drie zaken. 3 De feiten 3.1. Het hof gaat uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 3.1. tot en met 3.15. van het vonnis van 2 oktober 2024. Samengevat en met inachtneming van de tegen de feitenvaststelling gerichte bezwaren, komen de feiten op het volgende neer. 3.2. [participanten] zijn particuliere investeerders die zijn gaan investeren in de aankoop en exploitatie van mestverwerkingsinstallaties (hierna: mvi’s) door deelname aan een door [appellant] gehanteerd investeringsmodel. [appellant] heeft voor het investeringsmodel gebruik gemaakt van voorbeelden van vergelijkbare investeringsmodellen waarin hij in het verleden heeft deelgenomen. 3.3. [appellant] heeft SFI in 2015 opgericht en MVN eind 2018. SFI is een advies- en investeringsmaatschappij die onder andere partijen bijeenbrengt die willen investeren in duurzame energie bronnen en projecten. MVN houdt zich bezig met de in- en verkoop van mvi’s en mestproducten, en met het voeren van de administratie daarover. Via zijn persoonlijke holdings [bedrijf1] en [bedrijf2] , is [appellant] sinds december 2018 (enig) aandeelhouder en enig bestuurder van respectievelijk SFI en MVN. 3.4. In 2018 heeft SFI het ‘Aanbiedingsmemorandum 2018’ laten opstellen met bijlagen A tot en met H (hierna: het aanbiedingsmemorandum). Bijlage H is het ‘Deelnameformulier 2018.’ In 2019 zijn enkele woorden aangepast in (onder meer) het ‘Deelnameformulier 2019’ bij het aanbiedingsmemorandum. Door ondertekening van het Deelnameformulier verklaart de investeerder onder meer dat hij/zij als maat wenst deel te nemen in een maatschap overeenkomstig de voorwaarden van het aanbiedingsmemorandum en de bijlagen daarbij. Ook verklaart de investeerder een onherroepelijke volmacht te verlenen aan SFI om hem/haar op de eerste maatschapsvergadering te vertegenwoordigen en namens de investeerder te stemmen voor een lijst van overeenkomsten die als onderdeel van het investeringsmodel tot stand moeten worden gebracht met de maatschap. Een van deze overeenkomsten is een koopovereenkomst, naar het model van Bijlage B bij het aanbiedingsmemorandum, tussen de maatschap als koper en MVN als verkoper van de mvi. 3.5. [participanten] hebben bijlage H, dat is het Deelnameformulier 2018 en/of het Deelnameformulier 2019, ingevuld en ondertekend. De elf participanten (1 t/m 11 hierboven) die eind 2018 het Deelnameformulier hebben ondertekend hebben in de periode van 21 tot en met 30 december 2018 op verzoek van SFI hun inleg betaald op de bankrekening van MVN eindigend op 942. Deze participanten zijn, samen met de broer van [appellant] , ingedeeld in maatschap GPS 10 (hierna: GPS 10). Op 31 december 2018 heeft GPS 10, vertegenwoordigd door [appellant] , een koopovereenkomst gesloten met MVN, vertegenwoordigd door [appellant] , voor de koop en levering van een mvi voor € 1.390.000 exclusief btw. De tien participanten (1 t/m 3, 6, 8 t/m 10 en 12 t/m 14) die eind 2019 het Deelnameformulier hebben ondertekend hebben in de periode van 18 tot en met 27 december 2019 op verzoek van MVN hun inleg betaald op de bankrekening van MVN eindigend op 942. Deze participanten zijn, samen met de broer van [appellant] , ingedeeld in maatschap GPS 11. Bij overeenkomst ondertekend in de periode van 22 tot en met 27 december 2019 zijn deze participanten (samen met de broer van [appellant] ) maatschap GPS 11 (hierna: GPS 11) aangegaan. Op 30 december 2019 heeft GPS 11, vertegenwoordigd door [appellant] , een koopovereenkomst gesloten met MVN, vertegenwoordigd door [appellant] , voor de koop en levering van een mvi voor € 1.390.000 exclusief btw. 3.6. SFI heeft voor de participanten bindende afspraken gemaakt met de Belastingdienst over de wijze waarop de participaties in de belastingheffing worden betrokken (een zogenoemde ru De rechtsverhouding tussen de participanten en SFI en/of MVN 4.4. Anders dan SFI en MVN stellen, wijst het Deelnameformulier (Bijlage H bij het aanbiedingsmemorandum) er wel degelijk op dat er een overeenkomst tussen de individuele participanten enerzijds en SFI (in 2018) dan wel MVN (in 2019) anderzijds is tot stand gekomen. Dit volgt niet alleen uit de tekst van het Deelnameformulier (na aanvaarding van het aanbod ontstaat een “bindende en afdwingbare overeenkomst”), maar ook uit de inhoud van de verbintenissen. Zo brengt het ondertekenen van het Deelnameformulier onder meer met zich dat de participant als maat deelneemt in een maatschap en een volmacht verstrekt aan SFI om in zijn naam verschillende overeenkomsten te sluiten. Dat is ook gebeurd; de participanten zijn ingedeeld in een maatschap en zijn maat geworden in GPS 10 en/of GPS 11, en de volmacht is gebruikt. Deelname was ook financieel niet vrijblijvend: elke participant verbindt zich met het ondertekenen van het Deelnameformulier tot het storten van zijn inleg (‘participaties’) bij MVN, om daarmee bij te dragen aan een (gezamenlijk) eigen vermogen van € 500.000 voor elk van de maatschappen, dat in combinatie met (extern) vreemd vermogen wordt aangewend om de koopprijs van de mvi aan MVN te voldoen. Het eigen vermogen konden de participanten onder gunstige voorwaarden verstrekken doordat SFI de fiscale voordelen (Vamil en MIA) verzorgde, waar aanspraak op bestaat omdat de investeringen bijdragen aan verbetering van het milieu. De voorziene wijze van financiering was een wezenlijk onderdeel van het investeringsmodel. Zo is in het Deelnameformulier 2018 opgenomen dat SFI dan wel MVN de deelnameovereenkomst eenzijdig kan ontbinden indien “de Belastingdienst geen ruling afgeeft en/of er onvoldoende extern kapitaal beschikbaar is voor de aanschaf van de mvi.” Het investeringsmodel is duidelijk gebaseerd op een samenstel van verbintenissen waarvan de deelnameovereenkomsten het startpunt vormen. 4.5. Elk van de participanten is met het ondertekenen van het Deelnameformulier een overeenkomst aangegaan met SFI en MVN. Onderdeel van de verbintenissen zijn de voorwaarden van het aanbiedingsmemorandum en de bijlagen daarbij. Dit volgt uit de tekst van het Deelnameformulier en ook uit hoe het investeringsmodel als geheel is opgezet. De participanten hebben genoegzaam onderbouwd dat het aanbiedingsmemorandum door ieder van hen is ontvangen. Zoals blijkt uit het aanbiedingsmemorandum was de insteek dat geld zou worden verdiend met ‘groene’ investeringen in de mestverwerking. Daartoe kochten de maatschappen met hun inleg (eigen vermogen) en een lening van MVN (en bij GPS 11 tevens een lening van de participanten) elk een mvi die MVN zou laten bouwen bij Strocon B.V. (een fabrikant van mvi’s; hierna: Strocon). Die mvi’s zouden dan op een (gehuurde) locatie worden geplaatst waar boeren uit de omgeving hun mest zouden laten verwerken. Met het rendement van de mvi zou de lening (rente en aflossing) worden afbetaald. In het aanbiedingsmemorandum (o.a. p. 5, 16, 33, 42) komt de centrale rol van SFI en MVN in dit samenstel van verbintenissen naar voren. Zo nemen SFI en MVN de verantwoording over zowel techniek, productie, marketing als financiering, is SFI de initiatiefnemer, begeleider en administrateur van de maatschappen, en zouden SFI en MVN samen met Strocon zorgen voor de hele keten, van het aantrekken van kapitaal, de aanschaf van de installatie, het verzorgen van mestcontracten, de plaatsing en het technisch onderhoud van de mvi, de verwerking van de reststromen en reststoffen, tot het verzorgen van de administratie door SFI. SFI noemt dit de ketenorganisatie. Daarbij wordt de participanten ook in het vooruitzicht gesteld dat “dit model leidt tot kostenvoordelen bij inkoop, productie, service en ontwikkeling en tot een optimale logistieke keten” (p. 42). 4.6. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de participanten met het ondertekenen van het Deelnameformulier en hun Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [appellant] verklaard dat er binnen MVN geen aparte administratie per maatschap wordt bijgehouden en dat de ontvangen inleg ‘op één hoop’ is gestort, en niet op geblokkeerde rekeningen. Tevens heeft [appellant] verklaard dat van de inleg van de participanten van tweemaal € 500.000 ongeveer de helft is besteed aan de opdracht aan Strocon om de mvi’s voor GPS 10 en GPS 11 te bouwen. De rest is volgens hem opgegaan aan de algehele bedrijfsvoering van MVN en de realisatie van mvi’s voor eerdere projecten. Of deze verklaring een gerechtelijke erkentenis (art. 154 Rv) inhoudt, zoals de participanten stellen en [appellanten] betwisten, kan het hof in het midden laten, want het standpunt van [appellanten] is in hoger beroep niet wezenlijk anders. Ter zitting bij het hof hebben [appellanten] gesteld dat aan Strocon € 406.000 is betaald voor de mvi’s van GPS 10 en GPS 11. Daar zou nog een bedrag van € 290.000 bij komen dat is besteed aan een droger voor ‘meerdere’ mvi’s. [participanten] hebben een en ander weersproken. Ter zitting bij het hof hebben zij naar voren gebracht dat uit de stukken die zijdens [appellanten] in het geding zijn gebracht, volgt dat hooguit € 144.000 kan zijn betaald voor de mvi’s van GPS 10 en GPS 11. Het hof stelt vast dat door [appellanten] niet duidelijk is gemaakt waar de gestelde betalingen van MVN aan Strocon voor specifiek GPS 10 en GPS 11 concreet uit blijken. Uit de verklaring van de directeur van Strocon van 15 januari 2025, waar [appellanten] naar verwijzen, blijkt dat de betalingen van MVN aan Strocon in de periode van 1 januari 2019 tot en met 15 januari 2025, in totaal € 1.019.500 exclusief btw, mede zagen op de mvi van “Pluk te Boekel”. Dat verwijst naar de mvi voor GPS 9. Daarmee is nog niet gezegd dat, en zo ja hoe veel, er is betaald voor (onderdelen van) mvi’s voor GPS 10 dan wel GPS 11. Uit de overzichten van bankmutaties die zijdens [appellanten] zijn overgelegd valt ook niet op te maken welke betalingen voor GPS 10 dan wel GPS 11 (zouden) zijn aangewend. Die specifieke informatie ontbreekt, terwijl alle gegevens (zoals opdrachtbevestigingen en facturen) zich in het domein van [appellanten] (moeten) bevinden. 4.10. Het voorgaande betekent dat [appellanten] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat de inleg van de participanten door MVN is uitgegeven, maar niet, althans niet volledig, is besteed aan de mvi’s voor GPS 10 en GPS 11. Volgens [participanten] had hun inleg op de rekening van MVN niet alleen geblokkeerd moeten zijn, althans geoormerkt moeten zijn voor GPS 10 en GPS 11, maar ook had enige betaling door MVN aan Strocon pas mogen plaatsvinden wanneer de mvi’s mechanisch en elektrisch waren gemonteerd, wat nooit is gebeurd. Volgens [appellanten] mocht MVN vrijelijk over de inleg beschikken en deze naar eigen inzicht besteden, althans mocht de inleg worden gebruikt voor ‘een’ mvi, ongeacht of het specifiek de mvi betrof voor GPS 10 dan wel GPS 11. Het hof verwerpt het standpunt van [appellanten] , omdat het haaks staat op hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten op grond van het aanbiedingsmemorandum. Het hof neemt wel aan dat er aanbetalingen aan Strocon mochten worden gedaan. Het aanbiedingsmemorandum vermeldt weliswaar dat de inleg in eerste instantie op een geblokkeerde rekening van MVN zal worden gestort en pas aan Strocon zal worden betaald “zodra een mvi mechanisch en elektrisch is gemonteerd” (p. 45), maar ook dat een “aanbetaling van 30%” wordt gedaan waarna wordt “begonnen met de bouw van de MVI”, en dat wanneer de mvi voldoet aan de norm “het restant” wordt betaald (p. 19). Dat SFI en MVN, zoals [participanten] in wezen stellen, uit eigen middelen zowel de aanbetaling als het restant van de koopprijs zouden voorfinancieren sluit niet aan op de model Leningovereenkomst (Bijlage C bij het aanbiedingsmemorandum) en past ook verder niet goed in het investeringsmodel. Er was immers zowel eig In de verklaring van de fiscaal adviseur van 7 november 2025 waar [appellanten] en ook de participanten naar verwijzen, wordt ook bevestigd dat de desinvesteringsbijtelling reëel is, omdat de fiscale faciliteiten worden “teruggedraaid” als het bedrijfsmiddel niet binnen drie jaar na de gedane investering feitelijk in gebruik genomen is. 4.12. Nu het uitstel dat de Belastingdienst had verleend voor het in gebruik nemen van de mvi’s eind 2023 afliep, was het belang van de participanten bij tijdige oplevering van de mvi’s voor GPS 10 en GPS 11 gegeven. [appellanten] . hebben weliswaar gesteld dat er nog nader uitstel verkregen had kunnen worden, maar dat is om te beginnen niet door SFI of MVN verzocht. Bovendien is ook in hoger beroep onvoldoende concreet onderbouwd dat SFI en MVN zich genoegzaam hebben ingespannen om tijdig een locatie te vinden voor de mvi’s voor GPS 10 en GPS 11. Het mag zo zijn dat er aanvankelijk een huurovereenkomst voor een locatie was, maar die is beëindigd, zodat SFI en MVN op zoek moesten naar een nieuwe locatie. Veranderende marktomstandigheden (gewijzigd mestbeleid, Covid 19) ontsloegen SFI en MVN niet van deze verplichting. De verwijzing naar een huurovereenkomst voor een locatie uit september 2021 maakt dat niet anders, alleen al omdat nergens uit blijkt dat dit als locatie voor GPS 10 en/of GPS 11 zou zijn voorgesteld. [appellanten] hebben in hoger beroep nog verduidelijkt dat er weliswaar locaties beschikbaar waren, maar dat het daarbij ging om de meest aantrekkelijke locatie voor optimaal rendement. Dat doet er echter niet aan af dat zonder locatie de mvi niet in gebruik genomen kan worden, en de participanten dus met de desinvesteringsbijtelling te maken zouden krijgen (wat blijkens de overgelegde en betaalde voorlopige aanslagen naar aanleiding van hun IB aangiften over 2024 ook reëel is). Tegen deze achtergrond levert het ontbreken van een locatie voor de mvi’s eveneens een tekortkoming op van SFI en MVN. Het verwijt van [participanten] dat MVN en SFI niet alle in het aanbiedingsmemorandum voorziene model overeenkomsten zijn aangegaan, in het bijzonder dat MVN heeft geweigerd om de leningsovereenkomsten met GPS 10 en GPS 11 tot stand te brengen, heeft tegen deze achtergrond geen zelfstandige betekenis en hoeft verder geen bespreking. Verzuim (nodig) en schuldeisersverzuim? 4.13. Volgens [appellanten] is er geen sprake van verzuim van SFI en MVN, zodat de participanten niet tot ontbinding mochten overgaan. De mvi’s zouden nog altijd kunnen worden (af)gebouwd, aldus [appellanten] Het hof volgt dit niet. Door het uitgeven van een groot deel van de inleg aan andere zaken is het onmogelijk geworden om nog met het eigen vermogen van de maatschappen de koopprijs voor de mvi’s voor GPS 10 en GPS 11 te financieren. Verzuim is bij die stand van zaken niet vereist om tot ontbinding over te kunnen gaan (art. 6:265 lid 2). Verzuim is ook ingetreden door het uitblijven van een locatie voor de mvi’s. De participanten hebben sommaties doen uitgaan aan SFI en MVN met een uiterste termijn voor nakoming, en die termijn is niet gehaald. Volgens [appellanten] hebben de participanten een onredelijk korte opleveringstermijn voor de mvi’s gesteld (uiterlijk 10 maart 2023) in hun ingebrekestellingen van 16-26 februari 2023, maar het hof gaat daar niet in mee. In februari 2023 waren er intussen ruim vier jaren (GPS 10) respectievelijk ruim drie jaren (GPS 11) verstreken sinds de participanten hun inleg hadden gestort. Informatie over de besteding van de inleg en de voortgang van de projecten ontbrak, terwijl [participanten] daar wel om hebben gevraagd. Van de kant van SFI en MVN waren al die tijd vooral uitstelberichten ontvangen, zonder concreet uitzicht op de realisatie van de mvi’s. Het hof kan op grond van de gedingstukken ook niet vaststellen in hoeverre er mvi’s voor GPS 10 en GPS 11 bij Strocon ‘in aanbouw’ waren, laat staan dat – bij gebrek aan een locatie – de mvi’s in gebruik genomen konden worden voor eind 2 Het hof zal het vonnis van de rechtbank van 2 oktober 2024 in zoverre bekrachtigen. Daarmee komt het hof nu toe aan de bespreking van de aansprakelijkheid van [appellant] . Aansprakelijkheid van [appellant] 4.18. Volgens [participanten] is [appellant] als (indirect) bestuurder van SFI en MVN naast zijn vennootschappen aansprakelijk voor de schade bestaande uit de betaalde inleg, die hij moet terugbetalen (een totaalbedrag van € 978.500). Daarnaast hebben [participanten] hun eis in hoger beroep vermeerderd. Zij vorderen ook vergoeding van [appellant] van hun schade bestaande uit het gemiste fiscale voordeel (een totaalbedrag aan desinvesteringsbijtellingen van € 1.260.076,26) en gemist rendement (een totaalbedrag van € 1.411.772,20), omdat de overeenkomsten van het investeringsmodel niet zijn uitgevoerd maar zijn ontbonden (art. 6:277 BW). De rechtbank heeft in het vonnis van 2 oktober 2024 weliswaar de vorderingen tegen [appellant] afgewezen, maar heeft in rechtsoverwegingen 4.30 en 4.31 de eindbeslissingen gegeven dat [appellant] een persoonlijk ernstig verwijt treft en dat hij onrechtmatig heeft gehandeld, en dat [appellant] aansprakelijk is naast zijn vennootschappen en dat hij ‘mogelijk’ de inleg aan de participanten moet terugbetalen, in het geval dat SFI en MVN geen verhaal bieden. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter in het vonnis van 13 januari 2025 op grond van deze eindbeslissingen de vordering van [participanten] . tot terugbetaling van de inleg ook tegenover [appellant] toegewezen, omdat intussen duidelijk was geworden dat SFI en MVN geen verhaal bieden. 4.19. Het hof denkt anders over de aansprakelijkheid van [appellant] , en legt dat hierna uit. Hoewel de ‘voorwaardelijke’ veroordeling van [appellant] door de rechtbank voor de schade in verband met de inleg niet terugkomt in het dictum van het vonnis van 2 oktober 2024, heeft [appellant] voldoende belang bij zijn hoger beroep. De vaststelling in rechte dat hij jegens de participanten aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad moet hij tegen zich laten gelden (art. 236 Rv), zodat hij dit in de hogere instantie moet kunnen bestrijden. [participanten] hebben in hun hoger beroep de aansprakelijkheid van [appellant] voor de (vermeerderde) schade ook onderdeel gemaakt van de rechtsstrijd tussen partijen. Persoonlijk ernstig verwijt 4.20. Met de rechtbank stelt het hof voorop dat voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen worden gesteld dan in het algemeen het geval is. Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Wanneer de bestuurder van de vennootschap echter een persoonlijk ernstig verwijt van de benadeling kan worden gemaakt, kan er ook ruimte zijn voor diens aansprakelijkheid. De vraag of de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschendingen en de overige omstandigheden van het geval. Van een persoonlijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. 4.21. [appellant] is indirect bestuurder van SFI en MVN, via zijn persoonlijke holdings [bedrijf1] en [bedrijf2] (hierna samen ook: de holdings). Voor de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder geldt dat deze, ook indien de aansprakelijkheid is gebaseerd op artikel 6:162 BW, tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtsper Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het hof heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten dat de hoge drempel voor aansprakelijkheid hier wordt gehaald, ook als de verwijten van de participanten in onderlinge samenhang worden bezien. Dat de inleg niet (volledig) is besteed aan de koopprijs van de mvi’s voor GPS 10 en GPS 11 is een tekortkoming van SFI en MVN. [appellant] had het ongetwijfeld in zijn macht om de inleg op een geblokkeerde rekening van MVN te parkeren, maar dat betekent nog niet dat hij, door dat niet te doen, ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daardoor de gestelde schade heeft veroorzaakt. Weliswaar is onvoldoende onderbouwd betwist dat MVN en SFI, gelet op het feit dat de executoriale beslagen niet of nauwelijks doel hebben getroffen, thans geen verhaal bieden. Maar er is niet, althans onvoldoende concreet, gesteld dat en waarom [appellant] , toen hij besloot de inleg voor GPS 10 en GPS 11 gedeeltelijk aan te wenden voor andere projecten dan wel de algehele bedrijfsvoering van MVN wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat deze door hem bewerkstelligde handelwijze tot gevolg zou hebben dat de vennootschappen hun verplichtingen niet zouden nakomen en ook geen verhaal zouden bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Het verwijt dat het geld is ‘weggemaakt’ volstaat daartoe niet, noch het ‘gevoel’ bij de participanten dat zij door [appellant] zijn bedrogen. Dat de inleg (deels) is besteed aan de algehele bedrijfsvoering en andere projecten van MVN betekent verder niet dat [appellant] daar persoonlijk voordeel uit heeft getrokken. Ook ter zitting bij het hof hebben de participanten desgevraagd niet meer toelichting gegeven dan dat hun inleg weg is. Het hof ziet in hetgeen is gesteld en gebleken ook onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat het aanwenden van geoormerkte gelden voor andere doeleinden zodanig inherent benadelend was, dat voor het aannemen van een persoonlijke ernstig verwijt voldoende is dat [appellant] ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid van benadeling aan de zijde van de participanten en dat van dit laatste sprake is. 4.25. Het verwijt dat [appellant] als bestuurder ‘bewust’ het investeringsmodel niet heeft uitgevoerd (om grip te krijgen op de inleg van de participanten) is evenmin voldoende concreet uitgewerkt door [participanten] Het hof kan ook niet vaststellen dat [appellant] de vermogenspositie van SFI en MVN welbewust zou hebben uitgehold. Ter zitting bij het hof is door [appellant] nog nader toegelicht dat MVN werkte met externe financiering, waaronder een leverancierskrediet van Strocon. De mvi’s voor eerdere projecten – GPS 8 en GPS 9 – zijn geleverd, maar gaven problemen. Ook de participanten maken gewag van die problemen (er zijn ook rechtszaken over die andere projecten gevoerd), maar het is niet gesteld, en het hof ziet ook niet in, dat [appellant] (bewust) op die problemen heeft aangestuurd, of dat hij problemen met GPS 10 en GPS 11 op de koop toe heeft genomen. [appellant] heeft ook (onweersproken) gesteld dat hij € 250.000 aan eigen geld in MVN heeft gestoken. Het lijkt er veeleer op dat de problemen met andere projecten [appellant] gaandeweg boven het hoofd zijn gegroeid, en dat hij heeft getracht daar een mouw aan te passen, om (uiteindelijk) tot een totaaloplossing voor alle projecten te komen. Dat is niet gelukt, maar dat levert nog geen persoonlijk ernstig verwijt op. Voor zover de participanten bedoelen dat [appellant] het verhaal op SFI en MVN heeft gefrustreerd (omdat hun beslagen op SFI en MVN niet of nauwelijks doel hebben getroffen), is dat verwijt in het licht van het voorgaande onvoldoende uit de verf De vordering van [appellant] om [participanten] te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen door of ten behoeve van [appellant] op grond van de executiemaatregelen van [participanten] uit hoofde van het vonnis van 13 januari 2025 ten behoeve van [participanten] (reeds) is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen. Dit betekent ook dat [appellant] geen belang meer heeft bij de verdere bespreking van zijn grieven tegen het kort geding vonnis. Bewijs 4.32. Het hof passeert de bewijsaanbiedingen van partijen, omdat er geen voldoende concrete feiten en omstandigheden te bewijzen zijn aangeboden die, indien bewezen, zouden leiden toe een ander oordeel. De conclusie 4.33. Het hoger beroep van [appellanten] faalt voor zover het ziet op SFI en MVN, en slaagt voor zover het ziet op [appellant] . Het hoger beroep van de participanten faalt. Omdat partijen in de zaak 200.349.793 over en weer deels in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof de proceskosten bij de rechtbank en in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Omdat [participanten] in de zaak 200.350.892 in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen veroordelen in de proceskosten in hoger beroep van [appellant] . Omdat [participanten] in het ongelijk zullen worden gesteld in de zaak 200.351.177 zal het hof hen veroordelen in de proceskosten van [appellant] bij de voorzieningenrechter en in hoger beroep. Onder al die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover, die is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Omdat de mondelinge behandeling bij het hof in de drie zaken is gecombineerd, wordt hiervoor eenmaal een procespunt gerekend. 5 De beslissing Het hof: in de zaken 200.349.793 en 200.350.892 5.1. verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het vonnis in incident van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 4 oktober 2023; 5.2. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 2 oktober 2024, behoudens voor zover de aansprakelijkheid van [appellant] is vastgesteld (onder 4.30 en 4.31) en ten aanzien van de beslissing omtrent de proceskosten (onder 4.32-4.33 en 5.24-5.25 van het dictum), vernietigt het vonnis in zoverre en verstaat dat [appellant] niet persoonlijk aansprakelijk is voor de schade van [participanten] en beslist dat de proceskosten worden gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; in de zaak 200.349.793 verder 5.3. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt; in de zaak 200.350.892 verder 5.4. veroordeelt [participanten] tot betaling van de proceskosten van [appellant] , ter hoogte van € 2.053 aan griffierecht, en € 12.434 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x appeltarief VIII); 5.5. bepaalt dat deze proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na vandaag en dat als niet op tijd wordt betaald die kosten dan worden verhoogd met de wettelijke rente; 5.6. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; in de zaak 200.351.177 5.7. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 13 januari 2025, en beslist: 5.8. wijst de vorderingen af; 5.9. veroordeelt [participanten] tot terugbetaling van al hetgeen door of ten behoeve van [appellant] op grond van de executiemaatregelen van [participanten] uit hoofde van het vonnis van 13 januari 2025 ten behoeve van [participanten] (reeds) is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf het moment van betaling door of namens [appellant] tot aan het moment van de algehele terugbetaling; 5.10. veroordeelt [participanten] tot betaling van de proceskosten van [appellant] bij de voorzieningenrechter ter hoogte van € 2.723 aan griffierecht en € 1.107 aan salaris van de advocaat van [appellant] , en in hoger beroep ter hoogte van € 158,20 voor het betekenen