Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-20
ECLI:NL:GHARL:2026:312
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001998-22 Uitspraakdatum: 20 januari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 mei 2022 met parketnummer 05-051216-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] , op dit moment verblijvende in [P.I.] . Hoger beroep Namens verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4 december 2025 en 20 januari 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. O.F. Qane, hebben aangevoerd. Tevens heeft het hof kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 8] . , [benadeelde 7] en [benadeelde 8] door hun advocaat, mr. F.J.M. Hamers, en namens de benadeelde partij [benadeelde 9] , door haar advocaat, mr. M.Ü. Özsüren, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als medeplegen van poging tot moord (feit 1) en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten is (feit 2) en verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft tevens beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof komt tot een iets andere kwalificatie, legt aan verdachte een andere straf op en komt tot een andere beslissing ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1.hij in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij de vrachtwagen ( [merk] , kenteken [kenteken] ) waarin die [benadeelde 10] op dat moment lag te slapen, welke brand zich (razendsnel) ontwikkelde tot een uitslaande brand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2.hij in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een vrachtwagen ( [merk] , kenteken [kenteken] ) (die op dat moment geparkeerd stond aan [straat] ), immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk motorbenzine, althans een brandbare stof, gesprenkeld/gegooid op/tegen/bij voornoemde vrachtwagen en/of (vervolgens) (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemde motorbenzine, althans met die brandbare stof en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) op/aan/bij die vrachtwagen, ten gevolge waarvan die vrachtwagen en/of een of meer brandbare stof(fen) in/aan/bij die vrachtwagen en/of een caravan die zich in de nabijheid van die vrachtwagen bevond geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar voor de zich op dat moment in die vrachtwagen bevindende (en op dat moment slapende) persoon (te weten [benadeelde 1] ) en/of voor een of meer (slapende) perso(o)n(en) die zich bevonden in de woning in de directe nabijheid van voornoemde Ten aanzien van de voorbedachte raad voert de raadsman aan dat niet het voornemen heeft bestaan om een ander van het leven te beroven. Het plan was erop gericht om brand te stichten aan de vrachtwagen. Verdachte heeft zich dan ook niet beraden op het besluit om een ander van het leven te beroven. Ten aanzien van feit 2: Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het onderdeel dat levensgevaar te duchten was voor het slachtoffer en voor een of meer (slapende) personen die zich bevonden in de woning in de directe nabijheid van de vrachtwagen. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat het voorzienbaar was dat er levensgevaar voor iemand in de vrachtwagen ontstond. Daarnaast biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de aanname dat er daadwerkelijk levensgevaar is geweest voor andere(n) in die woning. Oordeel van het hof Rol van verdachte Verklaring [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] ( het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] , hierna: [medeverdachte 2] ) zijn opdrachtgever was. [medeverdachte 2] had hem in de week voor de brandstichting gevraagd een vrachtwagen in [gemeente] in brand te steken en [medeverdachte 1] heeft verdachte diezelfde dag gevraagd met hem mee te doen. had tegen verdachte gezegd dat er een vrachtwagen in brand moest worden gestoken en dat hij hier 500 euro voor zou krijgen. Verdachte had in eerste instantie gezegd dat hij niet wilde meehelpen, maar op 17 of 18 augustus 2020 heeft hij toch gezegd dat hij mee zou gaan. Op 19 augustus 2020 heeft verdachte hem in de avond thuis in [plaats 1] opgehaald. Voordat ze naar [gemeente] reden, zijn ze eerst gestopt bij [medeverdachte 2] in [plaats 2] . Daar kreeg [medeverdachte 1] twee jerrycans met vijf liter benzine, kentekenplaten en tie-wraps mee van [medeverdachte 2] . Verklaring verdachte Verdachte heeft verklaard dat hij 500 euro zou krijgen om [medeverdachte 1] te brengen. Medeplegen Het hof stelt op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden vast dat verdachte en [medeverdachte 1] in de betreffende nacht in opdracht van [medeverdachte 2] brand hebben gesticht aan de vrachtwagen van [benadeelde 8] . Het hof is van oordeel dat er hierbij sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het hof is dan ook van oordeel dat medeplegen kan worden bewezen. (Voorwaardelijk) opzet op de dood Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte noch zijn mededaders de intentie (het volle opzet) hebben gehad om [benadeelde 10] van het leven te beroven. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt immers niet op te maken dat verdachte en/of zijn mededaders de vrachtwagen in brand hebben willen steken met het doel [benadeelde 10] om het leven te brengen. Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet wor Het hof is dan ook van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte en zijn mededaders voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde 10] hebben gehad. Voorbedachte raad De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Het hof stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in de week voor de brandstichting door [medeverdachte 1] is benaderd. [medeverdachte 1] had van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om een vrachtwagen in brand te steken en heeft [verdachte] gevraagd om hem daarmee te helpen. Verdachte heeft in eerste instantie gezegd dat hij niet wilde meehelpen, maar een paar dagen voor de brandstichting, te weten op 17 of 18 augustus, heeft hij toch toegezegd dat hij mee ging. Het hof leidt hieruit af dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken of hij wilde mee helpen met het in brandsteken van de vrachtwagen en dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan, waarna hij tot het besluit is gekomen dat hij [medeverdachte 1] wilde helpen met het in brand steken van de vrachtwagen. Op de avond voor de brandstichting heeft verdachte [medeverdachte 1] in [plaats 1] opgehaald. Zij zijn langs [plaats 2] gereden om spullen voor de brandstichting op te halen en daarna zijn zij doorgereden naar [gemeente] om de vrachtwagen in brand te steken. Ook ten tijde van deze autorit(ten) heeft verdachte de gelegenheid gehad om na te denken over de brandstichting aan de vrachtwagen. Het hof merkt tevens op dat het hof de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij dacht dat er een personenauto in brand moest worden gestoken, gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat er een vrachtwagen in brand moest worden gestoken, niet geloofwaardig acht. Het hof leidt hieruit af dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan van verdachte en de medeverdachten om de vrachtwagen in brand te (laten) steken en dat zij tevens Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten: 1.hij in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft gesticht in/ aan /bij de vrachtwagen ( [merk] , kenteken [kenteken] ) waarin die [benadeelde 10] op dat moment lag te slapen, welke brand zich (razendsnel) ontwikkelde tot een uitslaande brand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2.hij in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer ander ( en ) , althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/ aan /bij een vrachtwagen ( [merk] , kenteken [kenteken] ) (die op dat moment geparkeerd stond aan [straat] ), immers hebben verdachte en /of een van zijn mededader ( s ) toen aldaar opzettelijk motorbenzine , althans een brandbare stof, gesprenkeld /gegooid op/ tegen/bij voornoemde vrachtwagen en /of ( vervolgens ) ( open ) vuur in aanraking gebracht met voornoemde motorbenzine, althans met die brandbare stof en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) op/aan/bij die vrachtwagen, ten gevolge waarvan die vrachtwagen en /of een of meer brandbare stof ( fen ) in/ aan/ bij die vrachtwagen en /of een caravan die zich in de nabijheid van die vrachtwagen bevond geheel of gedeeltelijk is/ zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar voor de zich op dat moment in die vrachtwagen bevindende (en op dat moment slapende) persoon (te weten [benadeelde 1] ) en /of voor een of meer (slapende) perso ( o ) n (en) die zich bevond in de woning in de directe nabijheid van voornoemde vrachtwagen te duchten was en /of er gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de belendende perce (e) l ( en ) van het terrein waarop die vrachtwagen geparkeerd stond (te weten het bedrijfspand van [benadeelde 8] en /of het bedrijfspand van [handelsonderneming] ) en /of een caravan en /of een of meer andere goed ( eren ) in /aan/ in de nabijheid van die vrachtwagen. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van: medeplegen van poging tot moord en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaar. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord. Verdachte heeft een nietsontziende brand gesticht aan e Standpunt van de raadsman De raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering aanzienlijk moet worden gematigd, omdat de omvang van de psychische schade niet kan worden ingeschat. Oordeel van het hof Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de hiervoor omschreven wijze. Aldus heeft hij jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en is hij gehouden tot vergoeding van de schade die daarvan rechtstreeks het gevolg is. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid. Het hof let daarbij op: - de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, - de aard en ernst van het handelen van de verdachte, - de in de strafmotivering beschreven omstandigheden waaronder zich dit handelen heeft afgespeeld. Het hof heeft hierbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde grote gevolgen heeft (gehad) en altijd zal hebben voor de benadeelde partij. De benadeelde partij had brandwonden op 65 procent van zijn lichaam en heeft 63 dagen op de intensive care gelegen. Gedurende deze periode dachten artsen dat hij het niet zou gaan redden en werd zijn familie verzocht afscheid van hem te nemen. Na een langdurig verblijf in het ziekenhuis is hij overgebracht naar een revalidatiecentrum. Er is sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft de benadeelde met chronische pijn. Concluderend hebben de bewezenverklaarde feiten tot gevolg gehad dat langdurige medische behandeling noodzakelijk was, dat de mate van pijn groot is, dat de feiten cosmetische gevolgen hebben gehad en dat dit alles iedere dag zijn weerslag heeft op zijn sociaal leven, zijn tijdsbesteding en zijn werk. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Er is immers een diepe inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en persoonlijke integriteit. Benadeelde is een volstrekt onschuldig slachtoffer, dat als gevolg van de brand niet alleen ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen, maar ook zijn passie, rijden op de vrachtwagen, nooit meer zal kunnen uitoefenen. Hij zal voor de rest van zijn leven worden geconfronteerd met de gevolgen van de feiten. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade op een bedrag van € 200.000,-. De verdachte is, net als de mededaders, tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij, partner van [benadeelde 10] , heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade (affectieschade Ten aanzien van de hypothetische kosten heeft de raadsman verzocht om de vordering af te wijzen dan wel om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de vordering niet is onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om de vordering ten aanzien van de kosten voor het retourticket en de hotelovernachting af te wijzen, omdat er geen causaal verband bestaat tussen de kosten en de bewezenverklaarde feiten. T.a.v. de immateriële schade: Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht om de vordering af te wijzen, omdat de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Oordeel van het hof Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De hoogte van de schade bedraagt € 29.281,83. De namens de verdachte niet betwiste delen van de vordering komen het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de vordering in zoverre voor toewijzing gereed ligt. T.a.v. de beschadigde inboedel in de vrachtwagen: Het hof is van oordeel dat de verdediging de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij met betrekking tot de beschadigde inboedel in de vrachtwagen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit deel van de vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen. T.a.v. de transportkosten van de verloren vracht: Het hof is van oordeel dat de verdediging de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij met betrekking tot de transportkosten van de verloren vracht onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit deel van de vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen. T.a.v. de extra kosten omtrent de aanschaf van de nieuwe vrachtwagen: Het hof overweegt dat de door de benadeelde partij aangeschafte vrachtwagen een tweedehands vrachtwagen betreft. Onder het rijklaar maken van deze vrachtwagen, vallen ook de extra reparatiekosten en de kosten ten aanzien van de aircoservice. Het hof is dan ook van oordeel dat er voldoende causaal verband bestaat tussen de reparatiekosten van de aangeschafte vrachtwagen en de kosten ten aanzien van de aircoservice en de bewezenverklaarde feiten, zodat de vordering voor dit deel kan worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot het matras, overweegt het hof dat het hof geen aanleiding heeft om aan te nemen dat het oude matras ouder was dan één jaar. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen. T.a.v. de extra kosten door wegvallen van het personeel en het ontbreken van de vrachtwagen: Het hof is van oordeel dat de verdediging de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij met de betrekking tot de vergoeding van het retourticket en de hotelovernachting onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit deel van de vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen. Het hof merkt daarbij tevens op dat een doelbewuste brandstichting geen bedrijfsrisico betreft waar een onderneming rekening mee dient te houden. Dat maakt dat de door de benadeelde partij gevorderde schadeposten niet snel in een te ver verwijderd verband staan met die brandstichting. Ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot de belettering van het gebouw (€ 811), de externe transportkosten (€ 5.019,36) en de immateriële schade (€ 3.500), is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade door de bewezenverklaarde feiten is veroorzaakt. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder ten aanzien van de immateriële schade dat onvoldoende is gebleken dat het oogmerk bestond om de benadeelde partij zodanig nadeel toe te brengen dan wel dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Deze onderdelen van de vordering ver Oordeel van het hof Op de zitting is voldoende gebleken dat de schade die de benadeelde partij heeft geleden in rechtstreek verband staat tot de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten en voldoende verband bestaat tussen de reeds gemaakte reiskosten in het kader van het re-integratietraject en de bewezenverklaarde feiten. De hoogte daarvan bedraagt samen met de kosten voor het re-integratietraject zelf € 3.779,52, zodat de vordering voor dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde schade aangaande toekomstige reiskosten, is het hof van oordeel dat een beoordeling, anders dan van inmiddels verwezenlijkte schade, van toekomstig nog opkomende schade dan wel verder oplopende schade een onevenredige belasting van het strafgeding met zich zou brengen. Het hof zal bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de geprognosticeerde schadepost de vordering op dat onderdeel niet-ontvankelijk verklaren. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op. Proceskosten Het hof zal verdachte voorts veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij. Het hof gaat ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2021 en begroot één punt op € 478 (Tarief I: zaken van een geldswaarde tot € 10.000). Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep gaat het hof uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2024, wat maakt dat één punt wordt begroot op € 858. Het hof kent ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg twee punten toe en ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep één punt. Het hof zal de tot op heden gemaakte proceskosten in deze vordering begroten op in totaal € 1.814. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11] De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.954,50 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat uit de vordering tot schadevergoeding niet is gebleken dat degene die de vordering heeft ingediend, vertegenwoordigingsbevoegd was om de vordering in te dienen. Oordeel van het hof Het hof overweegt dat bij de vordering tot schadevergoeding geen stukken zijn gevoegd, waaruit volgt wie de benadeelde partij in rechte mag vertegenwoordigen en een vordering tot schadevergoeding in kan dienen, dan wel daartoe gemachtigd is. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat het voegingsformulier is ondertekend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon. Nader onderzoek naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van deze persoon levert een onevenredige belasting van de strafprocedure op. Daarom zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12] De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.615,40 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat uit de vordering tot schadevergoeding niet is gebleken dat degene die de vordering heeft ingediend, vertegenwoordigingsbevoegd was om de vordering in te dienen. Oordeel van het hof Het hof overweegt dat bij de vordering tot schadevergoeding geen stukken zijn gevoegd, waaruit volgt wie de benadeelde partij in rechte mag vertegenwoordigen en een vordering tot schadevergoeding in kan dienen, dan wel daartoe gemachtigd is. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat het voegingsformulier is ondertekend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon. Nader onderzoek naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van deze persoon levert een onevenredige bel Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200.000 (tweehonderdduizend euro) ter zake van immateriële schade , waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200.000 (tweehonderdduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 219 (tweehonderdnegentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade , waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade , waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Be , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 29.281,83 (negenentwintigduizend tweehonderdeenentachtig euro en drieëntachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 maart 2022. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] tot schadevergoeding af. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.779,52 (drieduizend zevenhonderdnegenenzeventig euro en tweeënvijftig cent) ter zake van materiële schade , waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.814 (duizend achthonderdveertien euro). Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.779,52 (drieduizend zevenhonderdnegenenzeventig euro en tweeënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 maart 2022. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 11] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 12] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 13] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en