Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-30
ECLI:NL:GHARL:2026:3054
Strafrecht
Raadkamer
4,023 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:3054 text/xml public 2026-05-18T10:51:48 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-30 P25/364 Uitspraak Raadkamer NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3054 text/html public 2026-05-18T10:51:19 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:3054 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-04-2026 / P25/364 TBS. De rechtbank heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering omdat deze vordering voortijdig is ingediend. Tegen deze beslissing is hoger beroep ingesteld. De huidige maatregel loopt op grond van eerdere beslissingen van het hof zowel bij afwijzen van de vordering als bij toewijzen tot medio 2027 door. Gelet hierop heeft de terbeschikkinggestelde geen rechtens te respecteren belang bij een appel. Het hof ziet ambtshalve ook geen reden voor behandeling van de zaak in beroep. Het hof zal daarom wegens een gebrek aan belang de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep en komt dan niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de raadsman. TBS P25/364 Beslissing van 30 april 2026 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [Terbeschikkinggestelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, verblijvende in [instelling] , verder te noemen: de terbeschikkinggestelde. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 4 november 2025. Deze beslissing houdt in de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling van 22 augustus 2025 en afwijzing van het verzoek tot beëindiging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op: - het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; - de beslissing waarvan beroep; - de akte van 5 november 2025 waarbij de terbeschikkinggestelde beroep heeft ingesteld; - de aanvullende informatie van FPC [naam] van 2 april 2026, met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 25 september 2025 tot 28 maart 2023. Het hof heeft ter zitting van 16 april 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. R.J.A. Segerink, en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.W.F. Faber, advocaat te Eindhoven. Overwegingen Procesverloop De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft op 18 juli 2023 de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren verlengd. Tegen deze beslissing van de rechtbank heeft de terbeschikkinggestelde hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft het hof op 7 maart 2024 een tussenbeslissing gewezen en opdracht gegeven tot het laten verrichten van nader onderzoek door het Pieter Baan Centrum (PBC). Omdat de plaatsing in het PBC op zich liet wachten, heeft de officier van justitie zekerheidshalve op 30 mei 2024 een vordering tot verlenging van de termijn met twee jaren ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft vervolgens op 16 augustus 2024 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering. Tegen deze beslissing van de rechtbank van 16 augustus 2024 heeft de terbeschikkinggestelde hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft het hof op 4 maart 2025 twee beslissingen gewezen. In de ene beslissing van 4 september 2025 heeft het hof de beslissing van de rechtbank van 18 juli 2023 bevestigd, inhoudende de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren. In de andere beslissing van 4 september 2025 heeft het hof - anders dan de rechtbank op 16 augustus 2024 - de officier van justitie alsnog ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren verlengd. Een dag na de zitting van het hof op 22 augustus 2025, die ten grondslag lag aan de beslissingen van 4 september 2025, heeft de officier van justitie zekerheidshalve nóg een keer een vordering tot verlenging van de verpleging van overheidswege ingediend. Deze vordering wordt door de rechtbank op 4 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing van de rechtbank heeft de terbeschikkinggestelde op 18 november 2025 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft te beslissen op dit ingestelde hoger beroep. Het standpunt van de terbeschikkinggestelde Er is sprake van een wirwar aan verlengingsvorderingen. Ook zijn de wettelijke termijnen niet nageleefd en/of wordt er te creatief mee omgesprongen. De onderhavige maatregel is medio april 2021 gaan lopen en vanaf dat moment worden de termijnen in deze maatregel onjuist toegepast. Er is sprake van termijn overschrijdingen en het hof heeft op 4 september 2025 op een buitenwettelijke wijze besloten tot een verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren. Er is gaandeweg een lappendeken aan noodverbanden aangelegd met als doel om de huidige maatregel te kunnen laten voortduren. In dat verband heeft de raadsman verzocht om de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege te beëindigen omdat er sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het standpunt van het openbaar ministerie De rechtbank heeft op 18 juli 2023 de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren verlengd. De terbeschikkinggestelde heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 4 september 2025 de beslissing van de rechtbank bevestigd. Voor de eindbeslissing van 4 september 2025 heeft het hof bij tussenbeslissing van 7 maart 2024 bepaald dat de terbeschikkinggestelde in het PBC zal worden opgenomen en onderzocht. De officier van justitie heeft toen, anticiperend op een eventuele eindbeslissing van het hof met een verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar, op 30 mei 2024 een vordering tot verlenging met twee jaren ingediend. Het hof heeft op 4 september 2024 op deze vordering beslist tot een verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaren. In de tussentijd heeft de officier van justitie, naar aanleiding van de brief van 20 augustus 2025 van de Divisie Individuele Zaken (DIZ) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, op 22 augustus 2025 een nieuwe vordering tot verlenging van de verpleging van overheidswege ingediend. Omdat het hof op 4 september 2025 de vordering tot verlenging van 30 mei 2024 heeft toegewezen, heeft de officier van justitie de verlengingsvordering van 22 augustus 2025 voortijdig ingediend. De rechtbank heeft de officier van justitie dan ook terecht op 4 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De terbeschikkinggestelde heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld, maar de vraag is welk belang de terbeschikkinggestelde heeft bij dit appel nu op 4 september 2025 door het hof de terbeschikkingstelling met twee jaren is verlengd. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de terbeschikkinggestelde in het door hem op 5 november 2025 ingestelde hoger beroep. Aan een beoordeling van het verzoek van de raadsman om de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege - gelet op het bepaalde in artikel 5, vierde lid, EVRM - komt het hof dan niet toe. Daarnaast heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat het hof zich niet expliciet heeft uitgesproken over de nieuwe expiratiedatum van de maatregel. De rechtbank heeft deze vastgesteld op 30 juni 2027. De advocaat-generaal acht het wenselijk dat het hof zich hierover uitlaat in de beslissing. Het oordeel van het hof Het hof stelt vast dat het hoger beroep van de terbeschikkinggestelde is gericht tegen de beslissing van de rechtbank van 4 november 2025 waar de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering omdat deze vordering voortijdig is ingediend.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:3054 text/xml public 2026-05-18T10:51:48 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-30 P25/364 Uitspraak Raadkamer NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3054 text/html public 2026-05-18T10:51:19 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:3054 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-04-2026 / P25/364 TBS. De rechtbank heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering omdat deze vordering voortijdig is ingediend. Tegen deze beslissing is hoger beroep ingesteld. De huidige maatregel loopt op grond van eerdere beslissingen van het hof zowel bij afwijzen van de vordering als bij toewijzen tot medio 2027 door. Gelet hierop heeft de terbeschikkinggestelde geen rechtens te respecteren belang bij een appel. Het hof ziet ambtshalve ook geen reden voor behandeling van de zaak in beroep. Het hof zal daarom wegens een gebrek aan belang de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep en komt dan niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de raadsman. TBS P25/364 Beslissing van 30 april 2026 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [Terbeschikkinggestelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, verblijvende in [instelling] , verder te noemen: de terbeschikkinggestelde. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 4 november 2025. Deze beslissing houdt in de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling van 22 augustus 2025 en afwijzing van het verzoek tot beëindiging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op: - het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; - de beslissing waarvan beroep; - de akte van 5 november 2025 waarbij de terbeschikkinggestelde beroep heeft ingesteld; - de aanvullende informatie van FPC [naam] van 2 april 2026, met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 25 september 2025 tot 28 maart 2023. Het hof heeft ter zitting van 16 april 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. R.J.A. Segerink, en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.W.F. Faber, advocaat te Eindhoven. Overwegingen Procesverloop De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft op 18 juli 2023 de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren verlengd. Tegen deze beslissing van de rechtbank heeft de terbeschikkinggestelde hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft het hof op 7 maart 2024 een tussenbeslissing gewezen en opdracht gegeven tot het laten verrichten van nader onderzoek door het Pieter Baan Centrum (PBC). Omdat de plaatsing in het PBC op zich liet wachten, heeft de officier van justitie zekerheidshalve op 30 mei 2024 een vordering tot verlenging van de termijn met twee jaren ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft vervolgens op 16 augustus 2024 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering. Tegen deze beslissing van de rechtbank van 16 augustus 2024 heeft de terbeschikkinggestelde hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft het hof op 4 maart 2025 twee beslissingen gewezen. In de ene beslissing van 4 september 2025 heeft het hof de beslissing van de rechtbank van 18 juli 2023 bevestigd, inhoudende de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren. In de andere beslissing van 4 september 2025 heeft het hof - anders dan de rechtbank op 16 augustus 2024 - de officier van justitie alsnog ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren verlengd. Een dag na de zitting van het hof op 22 augustus 2025, die ten grondslag lag aan de beslissingen van 4 september 2025, heeft de officier van justitie zekerheidshalve nóg een keer een vordering tot verlenging van de verpleging van overheidswege ingediend. Deze vordering wordt door de rechtbank op 4 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing van de rechtbank heeft de terbeschikkinggestelde op 18 november 2025 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft te beslissen op dit ingestelde hoger beroep. Het standpunt van de terbeschikkinggestelde Er is sprake van een wirwar aan verlengingsvorderingen. Ook zijn de wettelijke termijnen niet nageleefd en/of wordt er te creatief mee omgesprongen. De onderhavige maatregel is medio april 2021 gaan lopen en vanaf dat moment worden de termijnen in deze maatregel onjuist toegepast. Er is sprake van termijn overschrijdingen en het hof heeft op 4 september 2025 op een buitenwettelijke wijze besloten tot een verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren. Er is gaandeweg een lappendeken aan noodverbanden aangelegd met als doel om de huidige maatregel te kunnen laten voortduren. In dat verband heeft de raadsman verzocht om de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege te beëindigen omdat er sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het standpunt van het openbaar ministerie De rechtbank heeft op 18 juli 2023 de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren verlengd. De terbeschikkinggestelde heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 4 september 2025 de beslissing van de rechtbank bevestigd. Voor de eindbeslissing van 4 september 2025 heeft het hof bij tussenbeslissing van 7 maart 2024 bepaald dat de terbeschikkinggestelde in het PBC zal worden opgenomen en onderzocht. De officier van justitie heeft toen, anticiperend op een eventuele eindbeslissing van het hof met een verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar, op 30 mei 2024 een vordering tot verlenging met twee jaren ingediend. Het hof heeft op 4 september 2024 op deze vordering beslist tot een verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaren. In de tussentijd heeft de officier van justitie, naar aanleiding van de brief van 20 augustus 2025 van de Divisie Individuele Zaken (DIZ) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, op 22 augustus 2025 een nieuwe vordering tot verlenging van de verpleging van overheidswege ingediend. Omdat het hof op 4 september 2025 de vordering tot verlenging van 30 mei 2024 heeft toegewezen, heeft de officier van justitie de verlengingsvordering van 22 augustus 2025 voortijdig ingediend. De rechtbank heeft de officier van justitie dan ook terecht op 4 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De terbeschikkinggestelde heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld, maar de vraag is welk belang de terbeschikkinggestelde heeft bij dit appel nu op 4 september 2025 door het hof de terbeschikkingstelling met twee jaren is verlengd. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de terbeschikkinggestelde in het door hem op 5 november 2025 ingestelde hoger beroep. Aan een beoordeling van het verzoek van de raadsman om de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege - gelet op het bepaalde in artikel 5, vierde lid, EVRM - komt het hof dan niet toe. Daarnaast heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat het hof zich niet expliciet heeft uitgesproken over de nieuwe expiratiedatum van de maatregel. De rechtbank heeft deze vastgesteld op 30 juni 2027. De advocaat-generaal acht het wenselijk dat het hof zich hierover uitlaat in de beslissing. Het oordeel van het hof Het hof stelt vast dat het hoger beroep van de terbeschikkinggestelde is gericht tegen de beslissing van de rechtbank van 4 november 2025 waar de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering omdat deze vordering voortijdig is ingediend.