Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-13
ECLI:NL:GHARL:2026:3050
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
17,951 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:3050 text/xml public 2026-05-19T12:29:20 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-13 21-005693-24 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3050 text/html public 2026-05-19T12:15:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:3050 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-05-2026 / 21-005693-24 Veroordeling voor diefstal met geweld (woningoverval) en voorhanden hebben twee vuurwapens en munitie. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005693-24 Uitspraakdatum: 13 mei 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 december 2024 met parketnummer 18-130459-24 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] , op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in P.I. [locatie] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 30 april 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte wordt veroordeeld voor de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd. Het vonnis De rechtbank heeft verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 16 maart 2024 te [plaats 1] , binnen de [gemeente] , in de woning gelegen aan de [adres 1] alhier, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, - een televisie (flatscreen), merk Hisense Q Led, 50 inch en/of - een telefoon merk Samsung A52 5g, In elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een persoon genaamd [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - bij die woning aan te bellen en/of (vervolgens) - toen de deur van de woning werd geopend door die [benadeelde] - die [benadeelde] tegen het lichaam te duwen, althans in die woning te duwen en/of (vervolgens) - die [benadeelde] meermalen in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of (vervolgens) - de mobiele telefoon (merk Samsung, inclusief hoesje) uit de hand van die [benadeelde] te pakken en/of te trekken en/of (vervolgens) - toen die [benadeelde] probeerde zijn telefoon terug te pakken - een klap met een vuurwapen tegen de slaap, althans in het gezicht van die [benadeelde] te geven, althans met een vuurwapen tegen de slaap, althans in het gezicht te slaan en/of (vervolgens) - een vuurwapen - op een afstand van ongeveer twee meter - op de borst, althans het lichaam van die [benadeelde] te richten en/of - een televisie(flatscreen) los te koppelen en/of (vervolgens) - met de mobiele telefoon en/of die televisie (flatscreen) de woning te verlaten en/of er met genoemde goederen in een auto vandoor te gaan; 2. hij op of omstreeks 19 april 2024 te [plaats 2] , in of nabij de woning [adres 2] en/of in de kelderbox behorende bij die woning, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd (alarm)pistool, van het merk Retay, type G19, kaliber 9 mm (kort), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of geschikt gemaakt voor het afschieten van kogelpatronen 9 mm en/of tien centraalvuur kogelpatronen van het merk Prvi Partizan, kaliber 9 mm (kort) zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie en/of 50 stuks knalpatronen , merk PA Knal, kaliber 9 mm , zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad; 3. hij op of omstreeks 19 april 2024 te [plaats 2] , in of nabij de woning [adres 2] en/of in de kelderbox behorende bij die woning, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd (gas)revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 zijnde een vuurwapen in de vorm van revolver geschikt gemaakt voor het verschieten van kogelpatronen kaliber.22 Long Rifle en/of acht kogelpatronen van het merk CCI, kaliber .22 Long Rifle, type Lead RoundNose, zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsmiddelen Ten aanzien van feit 1: 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 maart 2024, opgenomen op pagina 154 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN1R024021 van 15 oktober 2024, inhoudend als verklaring van [benadeelde] : Op 16 maart ging de deurbel van de [adres 1] . Ik zag toen die [medeverdachte] en een Antilliaan die ik niet kende voor de deur staan. [medeverdachte] zei dat ik zijn naam door had gegeven bij de politie. Ik zei dat dit niet zo was. Bij elke ontkenning gaf hij mij een klap in het gezicht. Toen pakte die Antilliaan mijn telefoon af. Ik stond op om die telefoon van die Antilliaan af te pakken en toen kreeg ik een klap met het vuurwapen in mijn gezicht. Deze klap kreeg ik van de Antilliaan. Toen zag ik dat [medeverdachte] de tv loskoppelde van de kabels en de tv meenam. Vervolgens gingen ze naar buiten en stapten ze in een auto. V: Wie is [medeverdachte] ? A: [medeverdachte] Ik ontkende dat ik zijn naam bij de politie had genoemd. Toen kreeg ik een klap in mijn gezicht. [medeverdachte] sloeg mij met zijn vlakke hand in mijn gezicht. Toen ontkende ik weer en kreeg ik weer een klap. Zo ging dat vier of vijf keer achter elkaar. Op een gegeven moment pakte die donkere jongen mijn telefoon af. Die wilde ik toen terugpakken. Ik had hem in mijn handen. Die jongen pakte hem toen weer terug en ik kreeg een klap met dat vuurwapen in mijn gezicht. Hij sloeg mij met het handvat van het vuurwapen tegen de linkerkant van mijn gezicht ter hoogte van mijn slaap. V: na die klap wat gebeurde er toen? A: Ik ben weer gaan zitten, omdat ik schrok. Toen richtte die donkere jongen dat wapen op mijn borst en zei dat ik moest blijven zitten. Toen begon [medeverdachte] de tv los te koppelen van de kabeltjes. [medeverdachte] zei tegen die jongen dat hij die tv in de auto moest leggen. V: Wat is er nu vandaag bij jou weggenomen? A: Mijn mobiele telefoon en mijn televisie. V: Wat voor telefoon heb je? A: Een Samsung Galaxy A52 5G, zwarte. V: Wat voor televisie heb je? A: Een Hisense 50 inch Qled. 2.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:3050 text/xml public 2026-05-19T12:29:20 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-13 21-005693-24 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3050 text/html public 2026-05-19T12:15:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:3050 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-05-2026 / 21-005693-24 Veroordeling voor diefstal met geweld (woningoverval) en voorhanden hebben twee vuurwapens en munitie. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005693-24 Uitspraakdatum: 13 mei 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 december 2024 met parketnummer 18-130459-24 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] , op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in P.I. [locatie] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 30 april 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte wordt veroordeeld voor de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd. Het vonnis De rechtbank heeft verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 16 maart 2024 te [plaats 1] , binnen de [gemeente] , in de woning gelegen aan de [adres 1] alhier, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, - een televisie (flatscreen), merk Hisense Q Led, 50 inch en/of - een telefoon merk Samsung A52 5g, In elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een persoon genaamd [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - bij die woning aan te bellen en/of (vervolgens) - toen de deur van de woning werd geopend door die [benadeelde] - die [benadeelde] tegen het lichaam te duwen, althans in die woning te duwen en/of (vervolgens) - die [benadeelde] meermalen in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of (vervolgens) - de mobiele telefoon (merk Samsung, inclusief hoesje) uit de hand van die [benadeelde] te pakken en/of te trekken en/of (vervolgens) - toen die [benadeelde] probeerde zijn telefoon terug te pakken - een klap met een vuurwapen tegen de slaap, althans in het gezicht van die [benadeelde] te geven, althans met een vuurwapen tegen de slaap, althans in het gezicht te slaan en/of (vervolgens) - een vuurwapen - op een afstand van ongeveer twee meter - op de borst, althans het lichaam van die [benadeelde] te richten en/of - een televisie(flatscreen) los te koppelen en/of (vervolgens) - met de mobiele telefoon en/of die televisie (flatscreen) de woning te verlaten en/of er met genoemde goederen in een auto vandoor te gaan; 2. hij op of omstreeks 19 april 2024 te [plaats 2] , in of nabij de woning [adres 2] en/of in de kelderbox behorende bij die woning, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd (alarm)pistool, van het merk Retay, type G19, kaliber 9 mm (kort), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of geschikt gemaakt voor het afschieten van kogelpatronen 9 mm en/of tien centraalvuur kogelpatronen van het merk Prvi Partizan, kaliber 9 mm (kort) zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie en/of 50 stuks knalpatronen , merk PA Knal, kaliber 9 mm , zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad; 3. hij op of omstreeks 19 april 2024 te [plaats 2] , in of nabij de woning [adres 2] en/of in de kelderbox behorende bij die woning, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd (gas)revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 zijnde een vuurwapen in de vorm van revolver geschikt gemaakt voor het verschieten van kogelpatronen kaliber.22 Long Rifle en/of acht kogelpatronen van het merk CCI, kaliber .22 Long Rifle, type Lead RoundNose, zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsmiddelen Ten aanzien van feit 1: 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 maart 2024, opgenomen op pagina 154 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN1R024021 van 15 oktober 2024, inhoudend als verklaring van [benadeelde] : Op 16 maart ging de deurbel van de [adres 1] . Ik zag toen die [medeverdachte] en een Antilliaan die ik niet kende voor de deur staan. [medeverdachte] zei dat ik zijn naam door had gegeven bij de politie. Ik zei dat dit niet zo was. Bij elke ontkenning gaf hij mij een klap in het gezicht. Toen pakte die Antilliaan mijn telefoon af. Ik stond op om die telefoon van die Antilliaan af te pakken en toen kreeg ik een klap met het vuurwapen in mijn gezicht. Deze klap kreeg ik van de Antilliaan. Toen zag ik dat [medeverdachte] de tv loskoppelde van de kabels en de tv meenam. Vervolgens gingen ze naar buiten en stapten ze in een auto. V: Wie is [medeverdachte] ? A: [medeverdachte] Ik ontkende dat ik zijn naam bij de politie had genoemd. Toen kreeg ik een klap in mijn gezicht. [medeverdachte] sloeg mij met zijn vlakke hand in mijn gezicht. Toen ontkende ik weer en kreeg ik weer een klap. Zo ging dat vier of vijf keer achter elkaar. Op een gegeven moment pakte die donkere jongen mijn telefoon af. Die wilde ik toen terugpakken. Ik had hem in mijn handen. Die jongen pakte hem toen weer terug en ik kreeg een klap met dat vuurwapen in mijn gezicht. Hij sloeg mij met het handvat van het vuurwapen tegen de linkerkant van mijn gezicht ter hoogte van mijn slaap. V: na die klap wat gebeurde er toen? A: Ik ben weer gaan zitten, omdat ik schrok. Toen richtte die donkere jongen dat wapen op mijn borst en zei dat ik moest blijven zitten. Toen begon [medeverdachte] de tv los te koppelen van de kabeltjes. [medeverdachte] zei tegen die jongen dat hij die tv in de auto moest leggen. V: Wat is er nu vandaag bij jou weggenomen? A: Mijn mobiele telefoon en mijn televisie. V: Wat voor telefoon heb je? A: Een Samsung Galaxy A52 5G, zwarte. V: Wat voor televisie heb je? A: Een Hisense 50 inch Qled. 2.
Volledig
Een schriftelijk stuk, te weten het arrest van hof Arnhem- Leeuwarden , locatie Leeuwarden , van 14 mei 2025 in de strafzaak tegen [medeverdachte] , voor zover inhoudende de verklaring van [medeverdachte] , afgelegd ter terechtzitting van het hof van 30 april 2025, zakelijk weergegeven: Ik ben bij [benadeelde] aanwezig geweest. De bedoeling was een verhit gesprek voeren. Dat is afgelopen met een klap en het ontnemen van een televisie en een telefoon. (…) Ik heb aan de kabels van de Chromecast bij de televisie gezeten. (…) Ik had geen kleine rol. Ik was degene die naar binnen wilde, die een gesprek wilde voeren en die hem een platte hand in zijn gezicht heeft gegeven. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 24 mei 2024, opgenomen op pagina 705 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] : V: Met wie reed jij naar [plaats 1] ? A: Met [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) V: En met wie nog meer? A: Met die [bijnaam verdachte] . [bijnaam verdachte] . Dat is hoe ik hem ken. V: Wat gebeurde er in [plaats 1] ? A: Ik weet dat zij naar binnen gingen. V: Waar gingen ze naar binnen? A: Bij een huis. Ik zag ze naar binnen gaan. V: Hoe komen ze naar buiten, hadden zij iets bij zich? A: Een tv. [medeverdachte] zei dat hij niet kon betalen en dat ze de tv meenamen. De tv kwam in eerste instantie in mijn auto en werd later meegenomen door [bijnaam verdachte] . V: Gingen [medeverdachte] en [bijnaam verdachte] samen naar binnen? A: Ja. V: We kunnen zien dat jouw telefoon op 16 maart 2024 een tijd stil heeft gestaan ter hoogte van [adres 2] . Waarom stopte je daar? A: Dat is de wijk waar wij [bijnaam verdachte] hebben opgehaald. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2024, opgenomen op pagina 77 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 1] : Tapgesprekken 16 maart 2024 (dag van de overval) 15:50 uur [medeverdachte] vraagt aan [naam 1] of hij (hiermee doelt hij vermoedelijk op [benadeelde] ) heeft gezongen bij de politie. [naam 1] zegt tegen [medeverdachte] dat hij had gehoord dat hij daar was geweest en dat zijn tv en zijn telefoon zijn meegenomen. Datum : 16-03-2024 15:50:32. Gebelde: [telefoonnummer 1] Tnv: [naam 1] NNM7972: [benadeelde] ... Heeft hij gezongen.... [naam 1] : Hoe bedoel je? NNM7972: (schreeuwt) Bij de wouten [naam 1] : Uh... bij de wouten uuh dat weet ik niet, wattan... NNM7972: Je zei net: Ik weet het en dit en dat. Je had nog wat gehoord. [naam 1] : Uh... dat jij daar was uuhh... geweest. NNM7972: Wat heeft hij allemaal gezegd [naam 1] : Hij heeft uuhh... gezegd uuh... dat zijn TV weg was en zijn telefoon. 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 maart 2024, opgenomen op pagina 247 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Toen we uitlegden dat er met zijn telefoon was gebeld en dat wij niet vermoedden dat hij er iets mee te maken had, gaf [naam 1] aan dat [benadeelde] helemaal overstuur bij hem was gekomen. Hij had geen telefoon meer en daarom had [benadeelde] de politie gebeld met zijn telefoon. [naam 1] gaf aan dat [benadeelde] met de politie had gesproken over [medeverdachte] en dat hij dat beter niet had kunnen doen. Dat nu zijn telefoon en tv waren gestolen door [medeverdachte] en nog een donkere jongen. 6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 april 2024, opgenomen op pagina 654 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte: V: Waar verblijf je naast je eigen woning? A: Ja, bij mijn moeder op [adres 2] . 7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2024, opgenomen op pagina 320 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 1] : [naam 2] heeft aangifte gedaan tegen [medeverdachte] . Zij spreekt over een [bijnaam verdachte] (fon). Op 16 maart 2024 werd [medeverdachte] aangehouden in verband met de diefstal met geweld. Bij hem werd een gsm aangetroffen die in beslag genomen werd. In deze telefoon spreekt [medeverdachte] over [bijnaam verdachte] en hier staat een telefoonnummer aan gekoppeld. Dit betreft het nummer [telefoonnummer 2] . Dit nummer blijkt door de politie te zijn geregistreerd in verband met een terugbelverzoek van een melder die “ zichzelf ” herkent op een foto die door de politie online was gezet. Dit terugbelverzoek is geregistreerd onder de gegevens: TEL [telefoonnummer 2] [verdachte] [geboortedag] . Bij het zoeken naar [verdachte] van [geboortedag] kom ik uit op: [verdachte] , geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] en woonachtig [adres 3] . Ik vermoed dat genoemde [verdachte] de persoon is die door [naam 2] [bijnaam verdachte] wordt genoemd. 8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 1] ) d.d. 26 maart 2024, opgenomen op pagina 364 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 3] : [benadeelde] had een hoesje om zijn telefoon. Dit telefoonhoesje is door de daders van de telefoon verwijderd en teruggegeven aan [benadeelde] . [benadeelde] vertelde dat hij zag dat de twee daders geen handschoenen droegen tijdens het incident. Op de tafel voor [benadeelde] zag ik een telefoonhoes liggen. Door mij is deze telefoonhoes veiliggesteld ten behoeve van een eventueel DNA-onderzoek. 9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 22 maart 2024, opgenomen op pagina 372 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 4] : Ik heb de hoeken van het kunststof gedeelte van het telefoonhoesje bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AARH8984NL, verpakt en verzegeld. 10. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.04.26.113, d.d. 19 juli 2024, opgenomen op pagina 427 van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. [naam 3] , op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend: AARH8984NL DNA kan afkomstig zijn van: Bewijskracht Hoeken kunststof gedeelte telefoonhoes minimaal vier personen een relatief kleine hoeveelheid DNA: (…) - [verdachte] Zie ‘bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek’ Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek en de uitgevoerde berekeningen volgt voor de vraag of [verdachte] individueel donor kan zijn: DNA-mengprofiel AARH8984NL#01 ongeveer 155 duizend keer waarschijnlijker is wanneer [verdachte] wel donor is, dan wanneer hij geen donor is. Bewijsoverweging Verdachte wordt onder feit 1 kortgezegd verweten dat hij op 16 maart 2024 samen met een ander diefstal met geweld heeft gepleegd in de woning (hierna: woningoverval) van aangever [benadeelde] . Op grond van diens aangifte en de bekennende verklaring van [medeverdachte] in diens eigen strafzaak, stelt het hof vast dat deze woningoverval heeft plaatsgevonden en dat [medeverdachte] deze samen met een ander heeft gepleegd. De verdediging heeft dit op zichzelf genomen niet bestreden. Verdachte heeft ontkend dat hij - als tweede persoon - betrokken is geweest bij de overval. Namens hem is dan ook vrijspraak bepleit. Daartoe is ingegaan op verschillende bewijsmiddelen in het dossier en is geconcludeerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op 16 maart 2024 in de woning van aangever kan worden geplaatst. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [getuige] op 16 maart 2024 samen met [medeverdachte] een tweede persoon heeft opgehaald bij de [straatnaam] in [plaats 2] en dat [medeverdachte] vervolgens samen met deze tweede persoon de woning van aangever is binnengegaan en de overval heeft gepleegd. Verdachte verbleef toentertijd vaak bij zijn moeder aan de [straatnaam] .
Volledig
Een schriftelijk stuk, te weten het arrest van hof Arnhem- Leeuwarden , locatie Leeuwarden , van 14 mei 2025 in de strafzaak tegen [medeverdachte] , voor zover inhoudende de verklaring van [medeverdachte] , afgelegd ter terechtzitting van het hof van 30 april 2025, zakelijk weergegeven: Ik ben bij [benadeelde] aanwezig geweest. De bedoeling was een verhit gesprek voeren. Dat is afgelopen met een klap en het ontnemen van een televisie en een telefoon. (…) Ik heb aan de kabels van de Chromecast bij de televisie gezeten. (…) Ik had geen kleine rol. Ik was degene die naar binnen wilde, die een gesprek wilde voeren en die hem een platte hand in zijn gezicht heeft gegeven. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 24 mei 2024, opgenomen op pagina 705 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] : V: Met wie reed jij naar [plaats 1] ? A: Met [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) V: En met wie nog meer? A: Met die [bijnaam verdachte] . [bijnaam verdachte] . Dat is hoe ik hem ken. V: Wat gebeurde er in [plaats 1] ? A: Ik weet dat zij naar binnen gingen. V: Waar gingen ze naar binnen? A: Bij een huis. Ik zag ze naar binnen gaan. V: Hoe komen ze naar buiten, hadden zij iets bij zich? A: Een tv. [medeverdachte] zei dat hij niet kon betalen en dat ze de tv meenamen. De tv kwam in eerste instantie in mijn auto en werd later meegenomen door [bijnaam verdachte] . V: Gingen [medeverdachte] en [bijnaam verdachte] samen naar binnen? A: Ja. V: We kunnen zien dat jouw telefoon op 16 maart 2024 een tijd stil heeft gestaan ter hoogte van [adres 2] . Waarom stopte je daar? A: Dat is de wijk waar wij [bijnaam verdachte] hebben opgehaald. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2024, opgenomen op pagina 77 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 1] : Tapgesprekken 16 maart 2024 (dag van de overval) 15:50 uur [medeverdachte] vraagt aan [naam 1] of hij (hiermee doelt hij vermoedelijk op [benadeelde] ) heeft gezongen bij de politie. [naam 1] zegt tegen [medeverdachte] dat hij had gehoord dat hij daar was geweest en dat zijn tv en zijn telefoon zijn meegenomen. Datum : 16-03-2024 15:50:32. Gebelde: [telefoonnummer 1] Tnv: [naam 1] NNM7972: [benadeelde] ... Heeft hij gezongen.... [naam 1] : Hoe bedoel je? NNM7972: (schreeuwt) Bij de wouten [naam 1] : Uh... bij de wouten uuh dat weet ik niet, wattan... NNM7972: Je zei net: Ik weet het en dit en dat. Je had nog wat gehoord. [naam 1] : Uh... dat jij daar was uuhh... geweest. NNM7972: Wat heeft hij allemaal gezegd [naam 1] : Hij heeft uuhh... gezegd uuh... dat zijn TV weg was en zijn telefoon. 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 maart 2024, opgenomen op pagina 247 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Toen we uitlegden dat er met zijn telefoon was gebeld en dat wij niet vermoedden dat hij er iets mee te maken had, gaf [naam 1] aan dat [benadeelde] helemaal overstuur bij hem was gekomen. Hij had geen telefoon meer en daarom had [benadeelde] de politie gebeld met zijn telefoon. [naam 1] gaf aan dat [benadeelde] met de politie had gesproken over [medeverdachte] en dat hij dat beter niet had kunnen doen. Dat nu zijn telefoon en tv waren gestolen door [medeverdachte] en nog een donkere jongen. 6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 april 2024, opgenomen op pagina 654 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte: V: Waar verblijf je naast je eigen woning? A: Ja, bij mijn moeder op [adres 2] . 7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2024, opgenomen op pagina 320 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 1] : [naam 2] heeft aangifte gedaan tegen [medeverdachte] . Zij spreekt over een [bijnaam verdachte] (fon). Op 16 maart 2024 werd [medeverdachte] aangehouden in verband met de diefstal met geweld. Bij hem werd een gsm aangetroffen die in beslag genomen werd. In deze telefoon spreekt [medeverdachte] over [bijnaam verdachte] en hier staat een telefoonnummer aan gekoppeld. Dit betreft het nummer [telefoonnummer 2] . Dit nummer blijkt door de politie te zijn geregistreerd in verband met een terugbelverzoek van een melder die “ zichzelf ” herkent op een foto die door de politie online was gezet. Dit terugbelverzoek is geregistreerd onder de gegevens: TEL [telefoonnummer 2] [verdachte] [geboortedag] . Bij het zoeken naar [verdachte] van [geboortedag] kom ik uit op: [verdachte] , geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] en woonachtig [adres 3] . Ik vermoed dat genoemde [verdachte] de persoon is die door [naam 2] [bijnaam verdachte] wordt genoemd. 8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 1] ) d.d. 26 maart 2024, opgenomen op pagina 364 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 3] : [benadeelde] had een hoesje om zijn telefoon. Dit telefoonhoesje is door de daders van de telefoon verwijderd en teruggegeven aan [benadeelde] . [benadeelde] vertelde dat hij zag dat de twee daders geen handschoenen droegen tijdens het incident. Op de tafel voor [benadeelde] zag ik een telefoonhoes liggen. Door mij is deze telefoonhoes veiliggesteld ten behoeve van een eventueel DNA-onderzoek. 9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 22 maart 2024, opgenomen op pagina 372 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 4] : Ik heb de hoeken van het kunststof gedeelte van het telefoonhoesje bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AARH8984NL, verpakt en verzegeld. 10. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.04.26.113, d.d. 19 juli 2024, opgenomen op pagina 427 van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. [naam 3] , op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend: AARH8984NL DNA kan afkomstig zijn van: Bewijskracht Hoeken kunststof gedeelte telefoonhoes minimaal vier personen een relatief kleine hoeveelheid DNA: (…) - [verdachte] Zie ‘bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek’ Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek en de uitgevoerde berekeningen volgt voor de vraag of [verdachte] individueel donor kan zijn: DNA-mengprofiel AARH8984NL#01 ongeveer 155 duizend keer waarschijnlijker is wanneer [verdachte] wel donor is, dan wanneer hij geen donor is. Bewijsoverweging Verdachte wordt onder feit 1 kortgezegd verweten dat hij op 16 maart 2024 samen met een ander diefstal met geweld heeft gepleegd in de woning (hierna: woningoverval) van aangever [benadeelde] . Op grond van diens aangifte en de bekennende verklaring van [medeverdachte] in diens eigen strafzaak, stelt het hof vast dat deze woningoverval heeft plaatsgevonden en dat [medeverdachte] deze samen met een ander heeft gepleegd. De verdediging heeft dit op zichzelf genomen niet bestreden. Verdachte heeft ontkend dat hij - als tweede persoon - betrokken is geweest bij de overval. Namens hem is dan ook vrijspraak bepleit. Daartoe is ingegaan op verschillende bewijsmiddelen in het dossier en is geconcludeerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op 16 maart 2024 in de woning van aangever kan worden geplaatst. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [getuige] op 16 maart 2024 samen met [medeverdachte] een tweede persoon heeft opgehaald bij de [straatnaam] in [plaats 2] en dat [medeverdachte] vervolgens samen met deze tweede persoon de woning van aangever is binnengegaan en de overval heeft gepleegd. Verdachte verbleef toentertijd vaak bij zijn moeder aan de [straatnaam] .
Volledig
[getuige] kent deze tweede persoon als ‘ [bijnaam verdachte] .’ Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat in de telefoon van [medeverdachte] een telefoonnummer was opgeslagen van iemand die de [medeverdachte] ‘ [bijnaam verdachte] ’ noemt. Dit betreft het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Dit nummer blijkt door de politie te zijn geregistreerd in verband met een terugbelverzoek van een melder die “ zichzelf ” herkent op een foto die door de politie online was gezet. Dit terugbelverzoek is geregistreerd onder de gegevens: TEL [telefoonnummer 2] [verdachte] [geboortedag] . Deze gegevens komen overeen met de achternaam en geboortedatum van verdachte. Nu de melder over zichzelf sprak, leidt het hof hieruit af dat verdachte in elk geval ten tijde van die melding (ook) de gebruiker van het genoemde telefoonnummer was. Het hof constateert dat op grond van deze bewijsmiddelen een verband kan worden gelegd tussen verdachte en zowel de [straatnaam] als het telefoonnummer dat onder de naam “ [bijnaam verdachte] ” in de telefoon stond bij [medeverdachte] . Dat er bij aangever en [getuige] bij een fotoconfrontatie niet sprake is geweest van een ondubbelzinnige herkenning van verdachte als de tweede persoon die aanwezig was, doet aan het voorgaande niets af. Dit is op zichzelf verklaarbaar nu aangever en de getuige verdachte niet goed kenden. Voorts is door het NFI onderzoek verricht naar het aangetroffen DNA op de telefoonhoes, die volgens aangever gedurende de woningoverval is aangeraakt door de tweede bij de woningoverval betrokken persoon. Hierop is een relatief kleine hoeveelheid DNA aangetroffen, dat afkomstig kan zijn van verdachte. Het onderzoeksresultaat houdt in dat het 155.000 keer waarschijnlijker is wanneer verdachte één van de donoren van het DNA-materiaal op de telefoonhoes van aangever is dan wanneer hij dit niet is. Het hof overweegt dat het niet om de hoogste waarschijnlijkheidswaardering van het NFI gaat. Gelet op de geringe hoeveelheid aangetroffen DNA-materiaal is dat op zichzelf niet verwonderlijk. Dat neemt niet weg dat ook deze waarschijnlijkheid een sterke aanwijzing vormt dat verdachte de telefoonhoes heeft aangeraakt. Namens verdachte is bepleit dat zijn DNA via secundaire overdracht op de telefoonhoes terecht kan zijn gekomen. Dit is niet aannemelijk geworden, nu door de verdediging geen concreet alternatief scenario is geschetst over de wijze waarop het DNA via secundaire overdracht op de telefoonhoes terecht is gekomen. De enkele stelling van de verdediging dat het DNA via [medeverdachte] op de telefoonhoes terecht is gekomen, is daarvoor onvoldoende, te meer nu verdachte aanvankelijk heeft verklaard dat hij [medeverdachte] niet eens kende. De verdediging heeft verder nog aangevoerd dat op basis van de zendmastgegevens niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld waar verdachte zich ten tijde van de woningoverval bevond. Het hof stelt voorop dat de zendmastgegevens niet voor het bewijs worden gebruikt. Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen met nadere uitleg omtrent de data van de uit het politieonderzoek verkregen historische telefoongegevens. Hieruit blijkt - samengevat - dat niet exact valt te achterhalen wanneer het basisstation is gebruikt binnen het tijdslot. Dat de telefoon van verdachte een zendmast heeft aangestraald in [plaats 2] binnen een tijdslot van drie uren rond het tijdstip van de overval, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat verdachte niet aanwezig kan zijn geweest bij de overval in [plaats 1] . Dit verschaft hem zodoende eveneens geen alibi. Het voorgaande laat zich als volgt samenvatten. Er heeft op 16 maart 2024 een woningoverval plaatsgevonden die door twee daders is gepleegd, van wie één een bekennende verklaring heeft afgelegd. Op weg naar de woning van aangever toe is door [getuige] en [medeverdachte] een persoon opgehaald in de straat waarin verdachte destijds verbleef en deze persoon stond bij een getuige bekend als ‘Miek’, welke naam via de telefoon van [medeverdachte] en een registratie bij de politie aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Op een telefoonhoes die tijdens de overval door de tweede persoon is aangeraakt, is DNA-materiaal aangetroffen dat met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid aan verdachte kan worden toegeschreven. Op grond van deze bevindingen, in onderling verband en in samenhang beschouwd, stelt het hof vast dat verdachte degene is geweest die op 16 maart 2024 door [getuige] en [medeverdachte] is opgehaald en dat hij vervolgens samen met [medeverdachte] de woningoverval in de woning van aangever heeft gepleegd. Het hof acht onder 1 tenlastegelegde daarom wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feiten 2 en 3 Het hof acht het onder 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Deze opgave luidt als volgt: De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank van 10 december 2024; Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 22 mei 2024, opgenomen op pagina 401 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN1R024021 d.d. 15 oktober 2024, inhoudend het relaas van [verbalisant 5] ; Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 23 mei 2024, opgenomen op pagina 409 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van [verbalisant 5] ; Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2024, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van [verbalisant 6] en [verbalisant 7] ; Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 19 april 2024, opgenomen op pagina 118 van voornoemd dossier; Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2024, opgenomen op pagina 349 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 1] . Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op 16 maart 2024 te [plaats 1] , in de woning gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een ander, - een televisie (flatscreen), merk Hisense Q Led, 50 inch en - een telefoon merk Samsung A52 5g, die aan [benadeelde] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door - die [benadeelde] meermalen in het gezicht te slaan en vervolgens - de mobiele telefoon, merk Samsung, inclusief hoesje, uit de hand van die [benadeelde] te pakken en vervolgens - toen die [benadeelde] probeerde zijn telefoon terug te pakken, een klap met een vuurwapen in het gezicht van die [benadeelde] te geven en vervolgens - een vuurwapen - op een afstand van ongeveer twee meter - op de borst van die [benadeelde] te richten en - een televisie los te koppelen en vervolgens - met de mobiele telefoon en die televisie de woning te verlaten en er met genoemde goederen in een auto vandoor te gaan. 2.
Volledig
[getuige] kent deze tweede persoon als ‘ [bijnaam verdachte] .’ Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat in de telefoon van [medeverdachte] een telefoonnummer was opgeslagen van iemand die de [medeverdachte] ‘ [bijnaam verdachte] ’ noemt. Dit betreft het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Dit nummer blijkt door de politie te zijn geregistreerd in verband met een terugbelverzoek van een melder die “ zichzelf ” herkent op een foto die door de politie online was gezet. Dit terugbelverzoek is geregistreerd onder de gegevens: TEL [telefoonnummer 2] [verdachte] [geboortedag] . Deze gegevens komen overeen met de achternaam en geboortedatum van verdachte. Nu de melder over zichzelf sprak, leidt het hof hieruit af dat verdachte in elk geval ten tijde van die melding (ook) de gebruiker van het genoemde telefoonnummer was. Het hof constateert dat op grond van deze bewijsmiddelen een verband kan worden gelegd tussen verdachte en zowel de [straatnaam] als het telefoonnummer dat onder de naam “ [bijnaam verdachte] ” in de telefoon stond bij [medeverdachte] . Dat er bij aangever en [getuige] bij een fotoconfrontatie niet sprake is geweest van een ondubbelzinnige herkenning van verdachte als de tweede persoon die aanwezig was, doet aan het voorgaande niets af. Dit is op zichzelf verklaarbaar nu aangever en de getuige verdachte niet goed kenden. Voorts is door het NFI onderzoek verricht naar het aangetroffen DNA op de telefoonhoes, die volgens aangever gedurende de woningoverval is aangeraakt door de tweede bij de woningoverval betrokken persoon. Hierop is een relatief kleine hoeveelheid DNA aangetroffen, dat afkomstig kan zijn van verdachte. Het onderzoeksresultaat houdt in dat het 155.000 keer waarschijnlijker is wanneer verdachte één van de donoren van het DNA-materiaal op de telefoonhoes van aangever is dan wanneer hij dit niet is. Het hof overweegt dat het niet om de hoogste waarschijnlijkheidswaardering van het NFI gaat. Gelet op de geringe hoeveelheid aangetroffen DNA-materiaal is dat op zichzelf niet verwonderlijk. Dat neemt niet weg dat ook deze waarschijnlijkheid een sterke aanwijzing vormt dat verdachte de telefoonhoes heeft aangeraakt. Namens verdachte is bepleit dat zijn DNA via secundaire overdracht op de telefoonhoes terecht kan zijn gekomen. Dit is niet aannemelijk geworden, nu door de verdediging geen concreet alternatief scenario is geschetst over de wijze waarop het DNA via secundaire overdracht op de telefoonhoes terecht is gekomen. De enkele stelling van de verdediging dat het DNA via [medeverdachte] op de telefoonhoes terecht is gekomen, is daarvoor onvoldoende, te meer nu verdachte aanvankelijk heeft verklaard dat hij [medeverdachte] niet eens kende. De verdediging heeft verder nog aangevoerd dat op basis van de zendmastgegevens niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld waar verdachte zich ten tijde van de woningoverval bevond. Het hof stelt voorop dat de zendmastgegevens niet voor het bewijs worden gebruikt. Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen met nadere uitleg omtrent de data van de uit het politieonderzoek verkregen historische telefoongegevens. Hieruit blijkt - samengevat - dat niet exact valt te achterhalen wanneer het basisstation is gebruikt binnen het tijdslot. Dat de telefoon van verdachte een zendmast heeft aangestraald in [plaats 2] binnen een tijdslot van drie uren rond het tijdstip van de overval, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat verdachte niet aanwezig kan zijn geweest bij de overval in [plaats 1] . Dit verschaft hem zodoende eveneens geen alibi. Het voorgaande laat zich als volgt samenvatten. Er heeft op 16 maart 2024 een woningoverval plaatsgevonden die door twee daders is gepleegd, van wie één een bekennende verklaring heeft afgelegd. Op weg naar de woning van aangever toe is door [getuige] en [medeverdachte] een persoon opgehaald in de straat waarin verdachte destijds verbleef en deze persoon stond bij een getuige bekend als ‘Miek’, welke naam via de telefoon van [medeverdachte] en een registratie bij de politie aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Op een telefoonhoes die tijdens de overval door de tweede persoon is aangeraakt, is DNA-materiaal aangetroffen dat met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid aan verdachte kan worden toegeschreven. Op grond van deze bevindingen, in onderling verband en in samenhang beschouwd, stelt het hof vast dat verdachte degene is geweest die op 16 maart 2024 door [getuige] en [medeverdachte] is opgehaald en dat hij vervolgens samen met [medeverdachte] de woningoverval in de woning van aangever heeft gepleegd. Het hof acht onder 1 tenlastegelegde daarom wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feiten 2 en 3 Het hof acht het onder 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Deze opgave luidt als volgt: De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank van 10 december 2024; Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 22 mei 2024, opgenomen op pagina 401 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN1R024021 d.d. 15 oktober 2024, inhoudend het relaas van [verbalisant 5] ; Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 23 mei 2024, opgenomen op pagina 409 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van [verbalisant 5] ; Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2024, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van [verbalisant 6] en [verbalisant 7] ; Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 19 april 2024, opgenomen op pagina 118 van voornoemd dossier; Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2024, opgenomen op pagina 349 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 1] . Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op 16 maart 2024 te [plaats 1] , in de woning gelegen aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een ander, - een televisie (flatscreen), merk Hisense Q Led, 50 inch en - een telefoon merk Samsung A52 5g, die aan [benadeelde] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door - die [benadeelde] meermalen in het gezicht te slaan en vervolgens - de mobiele telefoon, merk Samsung, inclusief hoesje, uit de hand van die [benadeelde] te pakken en vervolgens - toen die [benadeelde] probeerde zijn telefoon terug te pakken, een klap met een vuurwapen in het gezicht van die [benadeelde] te geven en vervolgens - een vuurwapen - op een afstand van ongeveer twee meter - op de borst van die [benadeelde] te richten en - een televisie los te koppelen en vervolgens - met de mobiele telefoon en die televisie de woning te verlaten en er met genoemde goederen in een auto vandoor te gaan. 2.
Volledig
hij op 19 april 2024 te [plaats 2] , in de woning [adres 2] en in de kelderbox behorende bij die woning, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd (alarm)pistool, van het merk Retay, type G19, kaliber 9 mm kort, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en geschikt gemaakt voor het afschieten van kogelpatronen 9 mm en tien centraalvuur kogelpatronen van het merk Prvi Partizan, kaliber 9 mm kort, zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie en 50 stuks knalpatronen, merk PA Knal, kaliber 9 mm, zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad; 3. hij op 19 april 2024 te [plaats 2] , in de kelderbox behorende bij die woning [adres 2] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd (gas)revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22, zijnde een vuurwapen in de vorm van revolver geschikt gemaakt voor het verschieten van kogelpatronen kaliber .22 Long Rifle en acht kogelpatronen van het merk CCI, kaliber .22 Long Rifle, type Lead RoundNose, zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert telkens op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging. Hij is samen met de medeverdachte naar de woning van een kwetsbaar slachtoffer gegaan, waarna het slachtoffer in zijn eigen vertrouwde omgeving met onder andere een vuurwapen is geslagen en bedreigd. Vervolgens hebben zij zijn televisie en telefoon meegenomen. Dit moet voor het slachtoffer een zeer angstige en heftige gebeurtenis zijn geweest. Verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en voor zijn eigendommen. Verdachte heeft kennelijk niet stilgestaan bij de impact die zijn gedragingen hebben op het slachtoffer. Ook ter terechtzitting heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van twee vuurwapens met bijbehorende munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt grote risico’s met zich voor de veiligheid van personen. Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 31 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor ernstige geweldsmisdrijven en vuurwapenbezit. Ook blijkt hieruit dat verdachte na de onderhavige feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Uit betrekkelijk gedateerde reclasseringsrapporten van 29 september 2023 en 22 april 2024 komt kort gezegd naar voren dat de reclassering in die periode reclasseringstoezicht, een behandelverplichting en woonbegeleiding aangewezen achtte. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij behandeling niet nodig acht. Hij is momenteel gedetineerd voor een andere strafzaak en met het geld dat hij binnen detentie verdient, lost hij zijn schulden af. Hij is bezig met een opleiding in de logistiek en wil daar ook zijn werk van maken na zijn detentieperiode. Bij het bepalen van de straf heeft het hof gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een woningoverval met licht geweld en/of bedreiging wordt in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend geacht. Daarnaast wordt voor het bezit van twee vuurwapens met munitie doorgaans een gevangenisstraf van meerdere maanden opgelegd. Gecombineerd met het hiervoor besproken strafblad van verdachte, komt het hof tot het oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest – net zoals de rechtbank eerder heeft opgelegd - passend en noodzakelijk is. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van [benadeelde] De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.150,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep (aanvankelijk) aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding. Materiële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van € 650,00 gevorderd voor materiële schade in verband met de gestolen telefoon en televisie. Ter terechtzitting van het hof is de vordering ten aanzien van de materiële schade verlaagd tot een bedrag van € 350,00. Het hof begrijpt dit zo, dat verdachte dit bedrag vordert voor uitsluitend de televisie, aangezien hij zijn telefoon inmiddels terug heeft gekregen. Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof maakt gebruik van de schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), en acht een bedrag van € 250,- billijk. Het hof zal deze schadepost tot dat bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen. Immateriële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.500,- gevorderd, betreffende immateriële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop dat artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van deze ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan ook sprake zijn als geen sprake is van naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel. Het is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in voornoemd wetsartikel. In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat verdachte samen met een ander tijdens een woningoverval de benadeelde partij heeft geduwd, meermalen geslagen en bedreigd met een vuurwapen.
Volledig
hij op 19 april 2024 te [plaats 2] , in de woning [adres 2] en in de kelderbox behorende bij die woning, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd (alarm)pistool, van het merk Retay, type G19, kaliber 9 mm kort, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en geschikt gemaakt voor het afschieten van kogelpatronen 9 mm en tien centraalvuur kogelpatronen van het merk Prvi Partizan, kaliber 9 mm kort, zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie en 50 stuks knalpatronen, merk PA Knal, kaliber 9 mm, zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad; 3. hij op 19 april 2024 te [plaats 2] , in de kelderbox behorende bij die woning [adres 2] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd (gas)revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22, zijnde een vuurwapen in de vorm van revolver geschikt gemaakt voor het verschieten van kogelpatronen kaliber .22 Long Rifle en acht kogelpatronen van het merk CCI, kaliber .22 Long Rifle, type Lead RoundNose, zijnde munitie van de categorie III Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert telkens op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging. Hij is samen met de medeverdachte naar de woning van een kwetsbaar slachtoffer gegaan, waarna het slachtoffer in zijn eigen vertrouwde omgeving met onder andere een vuurwapen is geslagen en bedreigd. Vervolgens hebben zij zijn televisie en telefoon meegenomen. Dit moet voor het slachtoffer een zeer angstige en heftige gebeurtenis zijn geweest. Verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en voor zijn eigendommen. Verdachte heeft kennelijk niet stilgestaan bij de impact die zijn gedragingen hebben op het slachtoffer. Ook ter terechtzitting heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van twee vuurwapens met bijbehorende munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt grote risico’s met zich voor de veiligheid van personen. Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 31 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor ernstige geweldsmisdrijven en vuurwapenbezit. Ook blijkt hieruit dat verdachte na de onderhavige feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Uit betrekkelijk gedateerde reclasseringsrapporten van 29 september 2023 en 22 april 2024 komt kort gezegd naar voren dat de reclassering in die periode reclasseringstoezicht, een behandelverplichting en woonbegeleiding aangewezen achtte. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij behandeling niet nodig acht. Hij is momenteel gedetineerd voor een andere strafzaak en met het geld dat hij binnen detentie verdient, lost hij zijn schulden af. Hij is bezig met een opleiding in de logistiek en wil daar ook zijn werk van maken na zijn detentieperiode. Bij het bepalen van de straf heeft het hof gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een woningoverval met licht geweld en/of bedreiging wordt in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend geacht. Daarnaast wordt voor het bezit van twee vuurwapens met munitie doorgaans een gevangenisstraf van meerdere maanden opgelegd. Gecombineerd met het hiervoor besproken strafblad van verdachte, komt het hof tot het oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest – net zoals de rechtbank eerder heeft opgelegd - passend en noodzakelijk is. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van [benadeelde] De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.150,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep (aanvankelijk) aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding. Materiële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van € 650,00 gevorderd voor materiële schade in verband met de gestolen telefoon en televisie. Ter terechtzitting van het hof is de vordering ten aanzien van de materiële schade verlaagd tot een bedrag van € 350,00. Het hof begrijpt dit zo, dat verdachte dit bedrag vordert voor uitsluitend de televisie, aangezien hij zijn telefoon inmiddels terug heeft gekregen. Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof maakt gebruik van de schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), en acht een bedrag van € 250,- billijk. Het hof zal deze schadepost tot dat bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen. Immateriële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.500,- gevorderd, betreffende immateriële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop dat artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van deze ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan ook sprake zijn als geen sprake is van naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel. Het is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in voornoemd wetsartikel. In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat verdachte samen met een ander tijdens een woningoverval de benadeelde partij heeft geduwd, meermalen geslagen en bedreigd met een vuurwapen.
Volledig
Onder deze omstandigheden is sprake van een zodanige ernstige normschending dat het voor de hand ligt dat dit handelen een zodanige impact op het slachtoffer heeft gehad dat aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW kan worden aangenomen. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft het hof acht geslagen op de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een naar billijkheid vast te stellen bedrag van € 1.000,-. Het hof zal de vordering voor het overige deel van de immateriële schade afwijzen. Het hof stelt vast dat verdachte het feit tezamen met een ander heeft gepleegd. Verdachte is op grond van artikel 6:166 BW samen met de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de schade en dus tot vergoeding daarvan gehouden, behalve voor zover de schade al door de medeverdachte is vergoed. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof wijst daarbij de wettelijke rente toe met ingang van 16 maart 2024. Wetsartikelen De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 maart 2024. Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 mei 2026. Procesdossier p.343-344.
Volledig
Onder deze omstandigheden is sprake van een zodanige ernstige normschending dat het voor de hand ligt dat dit handelen een zodanige impact op het slachtoffer heeft gehad dat aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW kan worden aangenomen. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft het hof acht geslagen op de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een naar billijkheid vast te stellen bedrag van € 1.000,-. Het hof zal de vordering voor het overige deel van de immateriële schade afwijzen. Het hof stelt vast dat verdachte het feit tezamen met een ander heeft gepleegd. Verdachte is op grond van artikel 6:166 BW samen met de medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de schade en dus tot vergoeding daarvan gehouden, behalve voor zover de schade al door de medeverdachte is vergoed. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof wijst daarbij de wettelijke rente toe met ingang van 16 maart 2024. Wetsartikelen De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 maart 2024. Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 mei 2026. Procesdossier p.343-344.