Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-12
ECLI:NL:GHARL:2026:2980
Civiel recht
Hoger beroep
7,715 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2980 text/xml public 2026-05-20T12:00:01 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-12 200.336.693 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2025:6543 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2980 text/html public 2026-05-15T09:57:14 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2980 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.336.693 Effectenlease. Dexia. Vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW. Verlengde overeenkomst door echtgenote rechtsgeldig vernietigd. Vernietigingsrecht ten aanzien van oorspronkelijke overeenkomst verjaard. Tussenarrest 21 oktober 2025: ECLI:NL:GHARL:2025:6543 GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.336.693 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 9399152 arrest van 12 mei 2026 in de zaak van Dexia Nederland B.V. die is gevestigd in Amsterdam die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiseres hierna: Dexia advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer tegen [geïntimeerde] die woont in [woonplaats] en bij de kantonrechter optrad als gedaagde hierna: de afnemer advocaat: mr. J.B. Maliepaard 1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 20 januari 2026 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na het getuigenverhoor hebben partijen memories na enquête genomen. 2 De kern van de zaak 2.1. Tussen Dexia en de afnemer is in oktober 1999 een effectenleaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer] tot stand gekomen (hierna: de oorspronkelijke overeenkomst), die in oktober 2002 is verlengd (hierna: de verlengde overeenkomst). De afnemer is getrouwd met [echtgenote] (hierna: [echtgenote] ). [echtgenote] heeft geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst. Zij heeft op 31 maart 2007 aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van haar toestemming, de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij, vanwege die vernietiging van de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard. 3 De verdere beoordeling door het hof Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW/1:89 lid 1 BW 3.1. Dexia voert in dit hoger beroep drie grieven aan. De grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat de afnemer op een eerdere datum dan 13 maart 2000 al bekend was met de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat de afnemer niet voor 13 maart 2000 bekend was met de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst. Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief I), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief II) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief III). 3.2. Het hof heeft in het tussenarrest vastgesteld dat Dexia wat betreft de verlengde overeenkomst heeft erkend dat die overeenkomst door [echtgenote] is vernietigd. Verder volgt uit het tussenarrest dat het vernietigingsrecht van [echtgenote] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring ten aanzien van de oorspronkelijke overeenkomst alleen verjaard was, als de verjaringstermijn voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [echtgenote] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de oorspronkelijke overeenkomst. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest. 3.3. Het hof heeft in het tussenarrest verder geoordeeld dat het er (voorshands) vanuit gaat dat de betalingen ten aanzien van de oorspronkelijke overeenkomst vanaf de aanvang daarvan zijn gedaan vanaf een gezamenlijke rekening (een “en/of-rekening”). Gelet daarop heeft het hof geoordeeld wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, dat [echtgenote] al vóór 13 maart 2000 bekend was van het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst. De afnemer is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen dat vermoeden. Hij heeft een nadere productie overgelegd en heeft zichzelf en [echtgenote] als (partij)getuige laten horen. Dexia heeft afgezien van contra-enquête. 3.4. De afnemer heeft een bankafschrift van de rekening met nummer [rekeningnummer] overgelegd waarop alleen de naam van de afnemer is vermeld en niet ook de naam van [echtgenote] . Het hof overweegt dat dit hetzelfde rekeningnummer betreft dat is vermeld op de oorspronkelijke overeenkomst. De betalingen ten aanzien van de oorspronkelijke overeenkomst zijn dus gedaan vanaf een privérekening van de afnemer en niet van een gezamenlijke rekening, op grond waarvan het hof het voornoemde bewijsvermoeden heeft aangenomen. Het hof is echter van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat [echtgenote] al vóór 13 maart 2000 bekend was van het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst. Hiervoor is het volgende van belang. 3.5. De afnemer heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. De afnemer is destijds via advertenties in de krant bekend geraakt met de financiële producten van Dexia. Bij de totstandkoming was geen adviseur betrokken. De afnemer heeft het contract via de post thuisgestuurd gekregen en vervolgens ondertekend teruggestuurd. Hij heeft het contract afgesloten omdat het er gunstig uitzag naar zijn gevoel. De afnemer is in gemeenschap van goederen getrouwd met [echtgenote] . Het aangaan van het contract heeft hij niet met haar besproken. Er is ook een effectenleaseovereenkomst op naam van [echtgenote] gesloten. Daarvan was [echtgenote] wel op de hoogte. De afnemer weet niet meer of hij [echtgenote] op het idee heeft gebracht om het contract af te sluiten. Hij en [echtgenote] hebben naar aanleiding van advertenties in de krant gesproken over de producten en vervolgens wilde [echtgenote] een contract aangaan. De afnemer wilde zijn eigen contract geheimhouden voor [echtgenote] . Hij hoefde het ook niet te vertellen. Het was een verrassing. De afnemer had destijds een winkel in meubelen en meubelpakketten en [echtgenote] deed het huishouden. Zij had geen eigen inkomen. De afnemer en [echtgenote] bespraken hun gezamenlijke financiële positie niet met elkaar. Zij beslisten wel samen over de huishoudelijke uitgaven. Ook wist [echtgenote] dat er maandelijks een bedrag werd betaald voor het contract op haar naam. Voor die betalingen zorgde de afnemer. In het huishouden was er een bankrekening op naam van de afnemer, waarvan de betalingen aan Dexia werden gedaan. Daarnaast was er een bankrekening voor de winkel. De afnemer deed de financiële administratie. De belastingaangifte werd opgesteld door een boekhouder. [echtgenote] deed geen belastingaangifte. Zij bemoeide zich ook niet met de belastingaangifte. De post in het huishouden opende de afnemer. [echtgenote] opende geen post. Zij bekeek de bankafschriften niet en had geen bankpas van de rekening. De afnemer gaf haar contant geld voor de boodschappen. [echtgenote] weet sinds 2001, 2002 of 2003 van het bestaan van het contract van de afnemer. Er werd destijds een televisie-uitzending van Radar of Kassa over effectenleasecontracten uitgezonden. In eerste instantie heeft de afnemer verklaard dat hij [echtgenote] tijdens de televisie-uitzending heeft verteld over zijn contract met Dexia. Later in het getuigenverhoor heeft de afnemer zijn verklaring aangepast en verklaard dat hij en [echtgenote] tijdens de televisie-uitzending alleen over het contract van [echtgenote] hebben gesproken.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2980 text/xml public 2026-05-20T12:00:01 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-12 200.336.693 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2025:6543 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2980 text/html public 2026-05-15T09:57:14 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2980 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.336.693 Effectenlease. Dexia. Vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW. Verlengde overeenkomst door echtgenote rechtsgeldig vernietigd. Vernietigingsrecht ten aanzien van oorspronkelijke overeenkomst verjaard. Tussenarrest 21 oktober 2025: ECLI:NL:GHARL:2025:6543 GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.336.693 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 9399152 arrest van 12 mei 2026 in de zaak van Dexia Nederland B.V. die is gevestigd in Amsterdam die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiseres hierna: Dexia advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer tegen [geïntimeerde] die woont in [woonplaats] en bij de kantonrechter optrad als gedaagde hierna: de afnemer advocaat: mr. J.B. Maliepaard 1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 20 januari 2026 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na het getuigenverhoor hebben partijen memories na enquête genomen. 2 De kern van de zaak 2.1. Tussen Dexia en de afnemer is in oktober 1999 een effectenleaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer] tot stand gekomen (hierna: de oorspronkelijke overeenkomst), die in oktober 2002 is verlengd (hierna: de verlengde overeenkomst). De afnemer is getrouwd met [echtgenote] (hierna: [echtgenote] ). [echtgenote] heeft geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst. Zij heeft op 31 maart 2007 aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van haar toestemming, de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij, vanwege die vernietiging van de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard. 3 De verdere beoordeling door het hof Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW/1:89 lid 1 BW 3.1. Dexia voert in dit hoger beroep drie grieven aan. De grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat de afnemer op een eerdere datum dan 13 maart 2000 al bekend was met de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat de afnemer niet voor 13 maart 2000 bekend was met de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst. Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief I), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief II) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief III). 3.2. Het hof heeft in het tussenarrest vastgesteld dat Dexia wat betreft de verlengde overeenkomst heeft erkend dat die overeenkomst door [echtgenote] is vernietigd. Verder volgt uit het tussenarrest dat het vernietigingsrecht van [echtgenote] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring ten aanzien van de oorspronkelijke overeenkomst alleen verjaard was, als de verjaringstermijn voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [echtgenote] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de oorspronkelijke overeenkomst. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest. 3.3. Het hof heeft in het tussenarrest verder geoordeeld dat het er (voorshands) vanuit gaat dat de betalingen ten aanzien van de oorspronkelijke overeenkomst vanaf de aanvang daarvan zijn gedaan vanaf een gezamenlijke rekening (een “en/of-rekening”). Gelet daarop heeft het hof geoordeeld wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, dat [echtgenote] al vóór 13 maart 2000 bekend was van het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst. De afnemer is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen dat vermoeden. Hij heeft een nadere productie overgelegd en heeft zichzelf en [echtgenote] als (partij)getuige laten horen. Dexia heeft afgezien van contra-enquête. 3.4. De afnemer heeft een bankafschrift van de rekening met nummer [rekeningnummer] overgelegd waarop alleen de naam van de afnemer is vermeld en niet ook de naam van [echtgenote] . Het hof overweegt dat dit hetzelfde rekeningnummer betreft dat is vermeld op de oorspronkelijke overeenkomst. De betalingen ten aanzien van de oorspronkelijke overeenkomst zijn dus gedaan vanaf een privérekening van de afnemer en niet van een gezamenlijke rekening, op grond waarvan het hof het voornoemde bewijsvermoeden heeft aangenomen. Het hof is echter van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat [echtgenote] al vóór 13 maart 2000 bekend was van het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst. Hiervoor is het volgende van belang. 3.5. De afnemer heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. De afnemer is destijds via advertenties in de krant bekend geraakt met de financiële producten van Dexia. Bij de totstandkoming was geen adviseur betrokken. De afnemer heeft het contract via de post thuisgestuurd gekregen en vervolgens ondertekend teruggestuurd. Hij heeft het contract afgesloten omdat het er gunstig uitzag naar zijn gevoel. De afnemer is in gemeenschap van goederen getrouwd met [echtgenote] . Het aangaan van het contract heeft hij niet met haar besproken. Er is ook een effectenleaseovereenkomst op naam van [echtgenote] gesloten. Daarvan was [echtgenote] wel op de hoogte. De afnemer weet niet meer of hij [echtgenote] op het idee heeft gebracht om het contract af te sluiten. Hij en [echtgenote] hebben naar aanleiding van advertenties in de krant gesproken over de producten en vervolgens wilde [echtgenote] een contract aangaan. De afnemer wilde zijn eigen contract geheimhouden voor [echtgenote] . Hij hoefde het ook niet te vertellen. Het was een verrassing. De afnemer had destijds een winkel in meubelen en meubelpakketten en [echtgenote] deed het huishouden. Zij had geen eigen inkomen. De afnemer en [echtgenote] bespraken hun gezamenlijke financiële positie niet met elkaar. Zij beslisten wel samen over de huishoudelijke uitgaven. Ook wist [echtgenote] dat er maandelijks een bedrag werd betaald voor het contract op haar naam. Voor die betalingen zorgde de afnemer. In het huishouden was er een bankrekening op naam van de afnemer, waarvan de betalingen aan Dexia werden gedaan. Daarnaast was er een bankrekening voor de winkel. De afnemer deed de financiële administratie. De belastingaangifte werd opgesteld door een boekhouder. [echtgenote] deed geen belastingaangifte. Zij bemoeide zich ook niet met de belastingaangifte. De post in het huishouden opende de afnemer. [echtgenote] opende geen post. Zij bekeek de bankafschriften niet en had geen bankpas van de rekening. De afnemer gaf haar contant geld voor de boodschappen. [echtgenote] weet sinds 2001, 2002 of 2003 van het bestaan van het contract van de afnemer. Er werd destijds een televisie-uitzending van Radar of Kassa over effectenleasecontracten uitgezonden. In eerste instantie heeft de afnemer verklaard dat hij [echtgenote] tijdens de televisie-uitzending heeft verteld over zijn contract met Dexia. Later in het getuigenverhoor heeft de afnemer zijn verklaring aangepast en verklaard dat hij en [echtgenote] tijdens de televisie-uitzending alleen over het contract van [echtgenote] hebben gesproken.
Volledig
Pas een tijd later, de afnemer weet niet meer hoeveel later, heeft de afnemer aan [echtgenote] verteld dat hij ook een contract met Dexia had gesloten. [echtgenote] vond het vreemd dat de afnemer haar niet had verteld over zijn contract. 3.6. [echtgenote] heeft in aanvulling op haar schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. [echtgenote] is in gemeenschap van goederen getrouwd met de afnemer. Zij wist niet dat de afnemer een effectenleaseovereenkomst met Dexia had afgesloten. Zij wist wel van het bestaan van haar eigen effectenleaseovereenkomst met Dexia. Volgens [echtgenote] was er een actie waarbij je drie keer zoveel rente kreeg als je spaarde. De afnemer wilde het contract voor [echtgenote] afsluiten en vroeg of zij het contract wilde tekenen. [echtgenote] en de afnemer bespraken hun gezamenlijke financiële positie niet met elkaar. Zij beslisten wel samen over bijvoorbeeld de aanschaf van een stofzuiger of een wasmachine. De afnemer had een bankrekening. [echtgenote] en de afnemer hadden geen gezamenlijke rekening. Verder had [echtgenote] geen bankpas van de rekening van de afnemer. Als zij geld nodig had, dan kreeg ze dat van de afnemer. [echtgenote] weet niet van welke bankrekening de betalingen voor het contract van de afnemer en voor haar eigen contract werden gedaan. Zij wist wel dat er voor haar eigen contract maandelijks een bedrag werd betaald aan Dexia. In het huishouden van [echtgenote] had de afnemer een betaalde baan. [echtgenote] had destijds in 1999 geen werk. Zij zorgde voor de kinderen en het huishouden. De afnemer deed de financiële administratie en de belastingaangifte. [echtgenote] deed zelf geen belastingaangifte. Ook bekeek zij de belastingaangiftes van de afnemer niet. Verder opende de afnemer de post in het huishouden. [echtgenote] bekeek de post nooit. Ook de bankafschriften bekeek zij niet. [echtgenote] weet niet meer sinds welk jaar zij weet van het bestaan van het contract van de afnemer. Op een gegeven moment werd de effectenleaseproblematiek besproken in Kassa of Radar. De afnemer heeft [echtgenote] naderhand verteld dat hij ook zo’n contract had afgesloten. Van de omstandigheid dat de afnemer het contract heeft verlengd is [echtgenote] pas een paar jaar later op de hoogte geraakt toen de afnemer de afrekening van dat contract kreeg. 3.7. Het hof acht de verklaring dat [echtgenote] pas sinds 2001, 2002 of 2003 weet van het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst onvoldoende overtuigend. Daarbij betrekt het hof dat [echtgenote] in oktober 1999 op haar eigen naam een effectenleaseovereenkomst met Dexia is aangegaan. De afnemer heeft bij de kantonrechter aangevoerd dat dat contract op zijn initiatief is afgesloten, dat [echtgenote] het contract blindelings heeft getekend en omdat [echtgenote] niet bekend was met het contract op haar eigen naam, zij ook geen post van Dexia op haar naam heeft opgemerkt. Tijdens het getuigenverhoor bij het hof is echter gebleken dat [echtgenote] wel degelijk op de hoogte was van de overeenkomst op haar eigen naam en van de inhoud daarvan. De afnemer en [echtgenote] hebben bij het afsluiten van het contract samen de inhoud daarvan besproken en [echtgenote] wilde het contract ook zelf aangaan. Ook wist zij dat er betalingen moesten worden gedaan aan Dexia voor het contract. [echtgenote] heeft het contract dus niet blindelings getekend. Hoewel deze stellingen en verklaringen niet zien op de overeenkomst die nu aan de orde is, weegt de gebleken onjuistheid daarvan – gelet ook om de omstandigheid dat de verklaringen zien op een vergelijkbare overeenkomst die in dezelfde maand gesloten is – wel mee bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de overige verklaringen en stellingen van de afnemer en [echtgenote] . Het hof acht verder van belang dat de oorspronkelijke overeenkomst en het contract van [echtgenote] in een tijdsbestek van minder dan twee weken na elkaar zijn afgesloten en dat de overeenkomsten nagenoeg identiek zijn. Beide zien op een gelijk aantal aandelen in dezelfde fondsen tegen een maandbedrag van circa NLG 500,-. Ook moet de maandelijkse aflossing van in totaal circa NLG 1.000,- een grote impact hebben gehad op het maandelijkse budget van het echtpaar. Het hof acht het, gelet ook op de eerder genoemde tegenstrijdigheid, daarom niet waarschijnlijk dat de afnemer en [echtgenote] het aangaan van de oorspronkelijke overeenkomst door de afnemer niet met elkaar hebben besproken. De verklaring van de afnemer dat hij het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst geheim heeft gehouden omdat het een verrassing was voor [echtgenote] , acht het hof gelet op de omvang van de daarmee gemoeide financiële belangen en gelet op ontbreken van een verdere onderbouwing daarvan, onvoldoende geloofwaardig en overtuigend. Naar het oordeel van het hof heeft Dexia met haar stellingen en de door haar overgelegde stukken, in samenhang met de afgelegde getuigenverklaringen, afdoende bewezen dat [echtgenote] voor 13 maart 2000 op de hoogte was van de oorspronkelijke overeenkomst en dat daarmee ook de verjaringstermijn voor het inroepen van de vernietiging voor die datum is gaan lopen. De afnemer is ook niet in het leveren van tegenbewijs geslaagd. Gelet ook op wat het hof in het tussenarrest reeds heeft vastgesteld, staat daarmee vast dat het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard. De conclusie 3.8. Het hoger beroep van Dexia slaagt wat betreft de oorspronkelijke overeenkomst. Ten aanzien van de verlengde overeenkomst is Dexia, zoals zij in haar akte van 2 juli 2024 alsnog erkend heeft, nog een bedrag verschuldigd aan de afnemer, en wel van € 2.993,60 te vermeerderen met wettelijke rente. Het hof zal bepalen dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen van de procedures bij de kantonrechter en bij het hof (compensatie van proceskosten), omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen. 3.9. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 juni 2022 en 21 september 2023 en beslist als volgt: 4.2. verklaart voor recht dat Dexia wat betreft de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst – na betaling aan de afnemer van een bedrag van € 2.993,60, te vermeerderen met wettelijke rente ten aanzien van de verlengde overeenkomst – jegens de afnemer aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd; 4.3. veroordeelt de afnemer tot terugbetaling aan Dexia van hetgeen hij op grond van het vonnis van 21 september 2023 teveel heeft ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door Dexia tot aan de dag van terugbetaling; 4.4. verklaart de bovenstaande veroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de kantonrechter en het hof; 4.6. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
Volledig
Pas een tijd later, de afnemer weet niet meer hoeveel later, heeft de afnemer aan [echtgenote] verteld dat hij ook een contract met Dexia had gesloten. [echtgenote] vond het vreemd dat de afnemer haar niet had verteld over zijn contract. 3.6. [echtgenote] heeft in aanvulling op haar schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. [echtgenote] is in gemeenschap van goederen getrouwd met de afnemer. Zij wist niet dat de afnemer een effectenleaseovereenkomst met Dexia had afgesloten. Zij wist wel van het bestaan van haar eigen effectenleaseovereenkomst met Dexia. Volgens [echtgenote] was er een actie waarbij je drie keer zoveel rente kreeg als je spaarde. De afnemer wilde het contract voor [echtgenote] afsluiten en vroeg of zij het contract wilde tekenen. [echtgenote] en de afnemer bespraken hun gezamenlijke financiële positie niet met elkaar. Zij beslisten wel samen over bijvoorbeeld de aanschaf van een stofzuiger of een wasmachine. De afnemer had een bankrekening. [echtgenote] en de afnemer hadden geen gezamenlijke rekening. Verder had [echtgenote] geen bankpas van de rekening van de afnemer. Als zij geld nodig had, dan kreeg ze dat van de afnemer. [echtgenote] weet niet van welke bankrekening de betalingen voor het contract van de afnemer en voor haar eigen contract werden gedaan. Zij wist wel dat er voor haar eigen contract maandelijks een bedrag werd betaald aan Dexia. In het huishouden van [echtgenote] had de afnemer een betaalde baan. [echtgenote] had destijds in 1999 geen werk. Zij zorgde voor de kinderen en het huishouden. De afnemer deed de financiële administratie en de belastingaangifte. [echtgenote] deed zelf geen belastingaangifte. Ook bekeek zij de belastingaangiftes van de afnemer niet. Verder opende de afnemer de post in het huishouden. [echtgenote] bekeek de post nooit. Ook de bankafschriften bekeek zij niet. [echtgenote] weet niet meer sinds welk jaar zij weet van het bestaan van het contract van de afnemer. Op een gegeven moment werd de effectenleaseproblematiek besproken in Kassa of Radar. De afnemer heeft [echtgenote] naderhand verteld dat hij ook zo’n contract had afgesloten. Van de omstandigheid dat de afnemer het contract heeft verlengd is [echtgenote] pas een paar jaar later op de hoogte geraakt toen de afnemer de afrekening van dat contract kreeg. 3.7. Het hof acht de verklaring dat [echtgenote] pas sinds 2001, 2002 of 2003 weet van het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst onvoldoende overtuigend. Daarbij betrekt het hof dat [echtgenote] in oktober 1999 op haar eigen naam een effectenleaseovereenkomst met Dexia is aangegaan. De afnemer heeft bij de kantonrechter aangevoerd dat dat contract op zijn initiatief is afgesloten, dat [echtgenote] het contract blindelings heeft getekend en omdat [echtgenote] niet bekend was met het contract op haar eigen naam, zij ook geen post van Dexia op haar naam heeft opgemerkt. Tijdens het getuigenverhoor bij het hof is echter gebleken dat [echtgenote] wel degelijk op de hoogte was van de overeenkomst op haar eigen naam en van de inhoud daarvan. De afnemer en [echtgenote] hebben bij het afsluiten van het contract samen de inhoud daarvan besproken en [echtgenote] wilde het contract ook zelf aangaan. Ook wist zij dat er betalingen moesten worden gedaan aan Dexia voor het contract. [echtgenote] heeft het contract dus niet blindelings getekend. Hoewel deze stellingen en verklaringen niet zien op de overeenkomst die nu aan de orde is, weegt de gebleken onjuistheid daarvan – gelet ook om de omstandigheid dat de verklaringen zien op een vergelijkbare overeenkomst die in dezelfde maand gesloten is – wel mee bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de overige verklaringen en stellingen van de afnemer en [echtgenote] . Het hof acht verder van belang dat de oorspronkelijke overeenkomst en het contract van [echtgenote] in een tijdsbestek van minder dan twee weken na elkaar zijn afgesloten en dat de overeenkomsten nagenoeg identiek zijn. Beide zien op een gelijk aantal aandelen in dezelfde fondsen tegen een maandbedrag van circa NLG 500,-. Ook moet de maandelijkse aflossing van in totaal circa NLG 1.000,- een grote impact hebben gehad op het maandelijkse budget van het echtpaar. Het hof acht het, gelet ook op de eerder genoemde tegenstrijdigheid, daarom niet waarschijnlijk dat de afnemer en [echtgenote] het aangaan van de oorspronkelijke overeenkomst door de afnemer niet met elkaar hebben besproken. De verklaring van de afnemer dat hij het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst geheim heeft gehouden omdat het een verrassing was voor [echtgenote] , acht het hof gelet op de omvang van de daarmee gemoeide financiële belangen en gelet op ontbreken van een verdere onderbouwing daarvan, onvoldoende geloofwaardig en overtuigend. Naar het oordeel van het hof heeft Dexia met haar stellingen en de door haar overgelegde stukken, in samenhang met de afgelegde getuigenverklaringen, afdoende bewezen dat [echtgenote] voor 13 maart 2000 op de hoogte was van de oorspronkelijke overeenkomst en dat daarmee ook de verjaringstermijn voor het inroepen van de vernietiging voor die datum is gaan lopen. De afnemer is ook niet in het leveren van tegenbewijs geslaagd. Gelet ook op wat het hof in het tussenarrest reeds heeft vastgesteld, staat daarmee vast dat het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard. De conclusie 3.8. Het hoger beroep van Dexia slaagt wat betreft de oorspronkelijke overeenkomst. Ten aanzien van de verlengde overeenkomst is Dexia, zoals zij in haar akte van 2 juli 2024 alsnog erkend heeft, nog een bedrag verschuldigd aan de afnemer, en wel van € 2.993,60 te vermeerderen met wettelijke rente. Het hof zal bepalen dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen van de procedures bij de kantonrechter en bij het hof (compensatie van proceskosten), omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen. 3.9. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 juni 2022 en 21 september 2023 en beslist als volgt: 4.2. verklaart voor recht dat Dexia wat betreft de oorspronkelijke en de verlengde overeenkomst – na betaling aan de afnemer van een bedrag van € 2.993,60, te vermeerderen met wettelijke rente ten aanzien van de verlengde overeenkomst – jegens de afnemer aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd; 4.3. veroordeelt de afnemer tot terugbetaling aan Dexia van hetgeen hij op grond van het vonnis van 21 september 2023 teveel heeft ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door Dexia tot aan de dag van terugbetaling; 4.4. verklaart de bovenstaande veroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de kantonrechter en het hof; 4.6. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.