Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-12
ECLI:NL:GHARL:2026:2972
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
10,451 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2972 text/xml public 2026-05-20T12:00:05 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-12 200.360.610 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2972 text/html public 2026-05-15T12:53:42 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2972 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.360.610 1:253a BW. Hof beslist naar welke school de minderjarige zal gaan. Belangenafweging. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.610/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594545) beschikking van 12 mei 2026 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. R.B. Sikkens, en [verweerster] , wonende te [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. R. Vermeer. 1 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 oktober 2025; het verweerschrift, tevens aanvullend verzoek, tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met producties; het verweerschrift in het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen; een brief namens de moeder van 23 januari 2026 met producties; een journaalbericht namens de moeder van 25 maart 2026 met een productie. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). 2.3 Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling beslist dat de productie bij het journaalbericht namens de moeder van 25 maart 2026 buiten beschouwing blijft, omdat deze productie omvangrijk is en zonder noodzaak kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling is ingediend. 3 De feiten 3.1 De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2021. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . 3.2 [de minderjarige] woont bij de moeder. 3.3 De ouders hebben op 16 augustus 2022 een ouderschapsplan ondertekend. De ouders hebben in dat ouderschapsplan afgesproken dat [de minderjarige] in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader verblijft met het wisselmoment tussen de middag op woensdag. Het wisselmoment is in onderling overleg gewijzigd naar de donderdagochtend. Verder is afgesproken dat de vakanties en feestdagen in overleg tussen de ouders worden gedeeld. 3.4 [de minderjarige] is door de ouders ingeschreven op zowel een school in [woonplaats1] ( [school1] ) als een school in [woonplaats2] ( [school2] ). De ouders hebben in het ouderschapsplan afgesproken dat zij tijdig met elkaar in overleg gaan over voornoemde inschrijvingen op beide scholen en over de vraag naar welke school [de minderjarige] gaat. Hierbij zijn de ouders uitdrukkelijk overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder geen enkele invloed heeft op de uiteindelijke schoolkeuze. 3.5 De moeder heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht om te bepalen dat: [de minderjarige] vanaf haar vierde jaar naar de basisschool [school2] in [woonplaats2] gaat; en als zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast te stellen dat [de minderjarige] drie weekenden per maand bij de vader verblijft, met uitzondering van de maanden in maart en oktober van de regeling, zodat de moeder ook twee weekenden met [de minderjarige] kan doorbrengen. Ter compensatie daarvan worden meer studiedagen aan de vader toebedeeld. De vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld, met dien verstande dat aan iedere ouder jaarlijks één kerstdag toekomt en Oud en Nieuw en de verjaardag van [de minderjarige] per jaar gewisseld wordt; kosten rechtens. 3.6 De vader heeft in eerste aanleg verweer gevoerd. De vader heeft de rechtbank gevraagd: de verzoeken van de moeder af te wijzen; aan hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] definitief in te schrijven op basisschool [school3] in [woonplaats1] en dat [de minderjarige] vanaf haar vierde jaar naar deze school gaat; en als zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vast te stellen dat [de minderjarige] doordeweeks bij de vader verblijft en dat zij vanaf vrijdagmiddag tot en met zondag bij de moeder is. Daarnaast verzoekt de vader om de vakanties bij helfte te verdelen, maar kortere blokken van maximaal zeven dagen. 4 De omvang van het geschil 4.1 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank beslist dat [de minderjarige] vanaf haar vierde jaar naar de basisschool [school2] in [woonplaats2] gaat, een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de vader en de moeder voor hun dochter [de minderjarige] en de definitieve beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van het verloop van het uniform hulpaanbod. De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorlopige zorgregeling luidt als volgt: vanaf 11 oktober 2025 verblijft [de minderjarige] drie weekenden per maand van donderdag 15.15 uur (uit school) tot maandag naar school bij de vader, met uitzondering van de maanden maart en november. In die maanden verblijft [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen (in de oneven weken) van donderdag 15.15 uur (uit school) tot maandag bij de vader. daarnaast verblijft [de minderjarige] de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader: o voorjaarsvakantie jaarlijks wisselend: bij de vader in schooljaar 2025/2026; o herfstvakantie jaarlijks wisselend: bij de moeder in schooljaar 2025/2026; o meivakantie: jaarlijks wisselend. In het schooljaar 2025/2026 is [de minderjarige] de eerste week bij de vader en in de tweede week bij de moeder, met het wisselmoment op zondag 26 april om 19.00 uur; o kerstvakantie: jaarlijks wisselend waarbij, in het ene jaar [de minderjarige] bij de moeder verblijft op kerstavond en eerste kerstdag en bij vader op tweede kerstdag en oud nieuw. In het schooljaar 2025/2026 verblijft [de minderjarige] van vrijdag 19 december uit school tot en met 26 december 10.00/11.00 uur bij moeder en vanaf 26 december tot en met 2 januari 19:00 uur bij de vader. In het laatste weekend van de kerstvakantie verblijft [de minderjarige] weer bij haar moeder; o verjaardag van [de minderjarige] : jaarlijkse afwisseling tussen de ouders; o Pasen: bij de moeder; o Hemelvaart en Pinksteren bij de vader; o studiedagen: in totaal zes studiedagen, waarvan [de minderjarige] vier dagen bij haar vader verblijft. De vader haalt [de minderjarige] de dag voorafgaand aan de studiedag op van school (om 15.15 uur). 4.2 De vader is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, aan hem vervangende toestemming te verlenen voor definitieve inschrijving van [de minderjarige] op basisschool [school3] in [woonplaats1] en dat [de minderjarige] zo snel mogelijk dan wel met ingang van een datum als het hof juist oordeelt, naar deze school in [woonplaats1] gaat. Daarnaast verzoekt de vader een (voorlopige) zorgregeling tussen de moeder [de minderjarige] vast te stellen, waarbij [de minderjarige] doordeweeks bij de vader verblijft en vrijdagmiddag tot en met zondag bij de moeder en waarbij de schoolvakanties bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat de vakanties worden opgedeeld in blokken van maximaal zeven dagen dan wel een beslissing te nemen als het hof juist oordeelt. 4.3 De moeder voert verweer.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2972 text/xml public 2026-05-20T12:00:05 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-12 200.360.610 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2972 text/html public 2026-05-15T12:53:42 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2972 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.360.610 1:253a BW. Hof beslist naar welke school de minderjarige zal gaan. Belangenafweging. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.610/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594545) beschikking van 12 mei 2026 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. R.B. Sikkens, en [verweerster] , wonende te [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. R. Vermeer. 1 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 oktober 2025; het verweerschrift, tevens aanvullend verzoek, tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met producties; het verweerschrift in het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen; een brief namens de moeder van 23 januari 2026 met producties; een journaalbericht namens de moeder van 25 maart 2026 met een productie. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). 2.3 Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling beslist dat de productie bij het journaalbericht namens de moeder van 25 maart 2026 buiten beschouwing blijft, omdat deze productie omvangrijk is en zonder noodzaak kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling is ingediend. 3 De feiten 3.1 De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2021. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . 3.2 [de minderjarige] woont bij de moeder. 3.3 De ouders hebben op 16 augustus 2022 een ouderschapsplan ondertekend. De ouders hebben in dat ouderschapsplan afgesproken dat [de minderjarige] in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader verblijft met het wisselmoment tussen de middag op woensdag. Het wisselmoment is in onderling overleg gewijzigd naar de donderdagochtend. Verder is afgesproken dat de vakanties en feestdagen in overleg tussen de ouders worden gedeeld. 3.4 [de minderjarige] is door de ouders ingeschreven op zowel een school in [woonplaats1] ( [school1] ) als een school in [woonplaats2] ( [school2] ). De ouders hebben in het ouderschapsplan afgesproken dat zij tijdig met elkaar in overleg gaan over voornoemde inschrijvingen op beide scholen en over de vraag naar welke school [de minderjarige] gaat. Hierbij zijn de ouders uitdrukkelijk overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder geen enkele invloed heeft op de uiteindelijke schoolkeuze. 3.5 De moeder heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht om te bepalen dat: [de minderjarige] vanaf haar vierde jaar naar de basisschool [school2] in [woonplaats2] gaat; en als zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast te stellen dat [de minderjarige] drie weekenden per maand bij de vader verblijft, met uitzondering van de maanden in maart en oktober van de regeling, zodat de moeder ook twee weekenden met [de minderjarige] kan doorbrengen. Ter compensatie daarvan worden meer studiedagen aan de vader toebedeeld. De vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld, met dien verstande dat aan iedere ouder jaarlijks één kerstdag toekomt en Oud en Nieuw en de verjaardag van [de minderjarige] per jaar gewisseld wordt; kosten rechtens. 3.6 De vader heeft in eerste aanleg verweer gevoerd. De vader heeft de rechtbank gevraagd: de verzoeken van de moeder af te wijzen; aan hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] definitief in te schrijven op basisschool [school3] in [woonplaats1] en dat [de minderjarige] vanaf haar vierde jaar naar deze school gaat; en als zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vast te stellen dat [de minderjarige] doordeweeks bij de vader verblijft en dat zij vanaf vrijdagmiddag tot en met zondag bij de moeder is. Daarnaast verzoekt de vader om de vakanties bij helfte te verdelen, maar kortere blokken van maximaal zeven dagen. 4 De omvang van het geschil 4.1 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank beslist dat [de minderjarige] vanaf haar vierde jaar naar de basisschool [school2] in [woonplaats2] gaat, een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de vader en de moeder voor hun dochter [de minderjarige] en de definitieve beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van het verloop van het uniform hulpaanbod. De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorlopige zorgregeling luidt als volgt: vanaf 11 oktober 2025 verblijft [de minderjarige] drie weekenden per maand van donderdag 15.15 uur (uit school) tot maandag naar school bij de vader, met uitzondering van de maanden maart en november. In die maanden verblijft [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen (in de oneven weken) van donderdag 15.15 uur (uit school) tot maandag bij de vader. daarnaast verblijft [de minderjarige] de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader: o voorjaarsvakantie jaarlijks wisselend: bij de vader in schooljaar 2025/2026; o herfstvakantie jaarlijks wisselend: bij de moeder in schooljaar 2025/2026; o meivakantie: jaarlijks wisselend. In het schooljaar 2025/2026 is [de minderjarige] de eerste week bij de vader en in de tweede week bij de moeder, met het wisselmoment op zondag 26 april om 19.00 uur; o kerstvakantie: jaarlijks wisselend waarbij, in het ene jaar [de minderjarige] bij de moeder verblijft op kerstavond en eerste kerstdag en bij vader op tweede kerstdag en oud nieuw. In het schooljaar 2025/2026 verblijft [de minderjarige] van vrijdag 19 december uit school tot en met 26 december 10.00/11.00 uur bij moeder en vanaf 26 december tot en met 2 januari 19:00 uur bij de vader. In het laatste weekend van de kerstvakantie verblijft [de minderjarige] weer bij haar moeder; o verjaardag van [de minderjarige] : jaarlijkse afwisseling tussen de ouders; o Pasen: bij de moeder; o Hemelvaart en Pinksteren bij de vader; o studiedagen: in totaal zes studiedagen, waarvan [de minderjarige] vier dagen bij haar vader verblijft. De vader haalt [de minderjarige] de dag voorafgaand aan de studiedag op van school (om 15.15 uur). 4.2 De vader is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, aan hem vervangende toestemming te verlenen voor definitieve inschrijving van [de minderjarige] op basisschool [school3] in [woonplaats1] en dat [de minderjarige] zo snel mogelijk dan wel met ingang van een datum als het hof juist oordeelt, naar deze school in [woonplaats1] gaat. Daarnaast verzoekt de vader een (voorlopige) zorgregeling tussen de moeder [de minderjarige] vast te stellen, waarbij [de minderjarige] doordeweeks bij de vader verblijft en vrijdagmiddag tot en met zondag bij de moeder en waarbij de schoolvakanties bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat de vakanties worden opgedeeld in blokken van maximaal zeven dagen dan wel een beslissing te nemen als het hof juist oordeelt. 4.3 De moeder voert verweer.
Volledig
De moeder vraagt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: het verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen; de bestreden beschikking te bekrachtigen met de aanvulling dat de vader een dwangsom verbeurt van € 500,- per dagdeel dat hij de (voorlopige) zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-; en als voorlopige voorziening te treffen dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dagdeel dat hij de (voorlopige) zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-; kosten rechtens. 4.4 Grief V van de vader mist zelfstandige betekenis en zal daarom niet afzonderlijk worden besproken. 4.5 Het hof heeft op 12 februari 2026 het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-. 5 De motivering van de beslissing Juridisch kader vervangende toestemming schoolkeuze 5.1 Op grond van artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. 5.2 Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil zoals hier aan de orde is, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over de schoolkeuze van het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen. 5.3 De ouders hebben in hoger beroep hun standpunten zoals deze in eerste aanleg aan de rechtbank zijn voorgelegd, herhaald en nader toegelicht. De kern van het geschil ziet op de vraag naar welke school [de minderjarige] zal gaan: [school3] in [woonplaats1] of [school2] in [woonplaats2] . De vader wil graag dat [de minderjarige] naar basisschool [school3] gaat, omdat deze school ligt in de voor [de minderjarige] bekende sociale omgeving en de school kleinschaliger is en daarmee meer aansluit bij de behoeften van [de minderjarige] . De moeder voert aan dat partijen twee scholen voor [de minderjarige] op het oog hadden en dat [de minderjarige] nu naar één van deze scholen gaat, omdat de school die partijen in [woonplaats1] voor ogen hadden ( [school1] ) geen plek voor [de minderjarige] had. [de minderjarige] heeft het volgens de moeder naar haar zin op [school2] en zij ontwikkelt zich goed. 5.4 De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad vindt de situatie waarin [de minderjarige] verkeert heel zorgelijk, zo zorgelijk zelfs dat de raad een beschermingsonderzoek heeft overwogen. De zorgen betreffen niet zozeer de feitelijke schoolkeuze, maar wel de manier waarop ouders tegenover elkaar staan in alles wat met [de minderjarige] te maken heeft. De vader vertrouwt de manier waarop de moeder [de minderjarige] opvoedt niet en doet er alles aan om dit te onderbouwen. De moeder acteert daar vervolgens weer op, met als gevolg dat [de minderjarige] er tussen zit. De raad heeft van een beschermingsonderzoek afgezien, omdat Veilig Thuis inmiddels betrokken is geraakt en er hulpverlening zal worden opgestart. De vader moet stoppen met het veelvuldig wegen van [de minderjarige] en het maken van foto’s mag alleen gebeuren in overleg met professionals, aldus nog steeds de raad. De vader doet veel zorgmeldingen, maar het beeld dat de vader schetst, wordt niet herkend door de peuterspeelzaal of school. De huidige situatie is volgens de raad belastend voor [de minderjarige] . 5.5 Het hof zal, net als de rechtbank, beslissen dat [de minderjarige] naar basisschool [school2] in [woonplaats2] gaat. Dit is ook overeenkomstig het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2026. Nergens blijkt uit dat [school2] voor [de minderjarige] geen goede school is of dat [de minderjarige] hier ondergesneeuwd raakt, zoals de vader vreest. De moeder heeft in dit kader verklaard dat juist [school2] , ondanks de grootte van de school, veel aandacht heeft voor het individuele kind. Weliswaar hebben beide ouders verklaard dat [de minderjarige] timide is en dat zij minder praat sinds zij naar school gaat, maar hiervoor is logopedie gestart. Daarbij komt het niet vreemd voor dat een jong kind wat stiller is nadat zij net op de basisschool is gestart. Dat geldt voor [de minderjarige] nog meer, omdat de ouders niet op één lijn zitten over de schoolgang en verzorging van [de minderjarige] . De spanningen die deze verschillen van inzicht met zich brengen, merkt [de minderjarige] ook en hebben invloed op haar ontwikkeling en gedrag. Het hof ziet hierin geen reden om [de minderjarige] van school te laten wisselen, omdat dit de spanningen tussen de ouders niet zal wegnemen. Tot slot weegt het hof in deze beoordeling mee dat de vader eenzijdig, dus zonder overleg met de moeder, beslissingen neemt over de vraag wanneer [de minderjarige] in staat is om naar school te gaan. De vader houdt [de minderjarige] op regelmatige basis thuis van school, omdat zij volgens hem te ziek is om naar school te gaan. Op de vrijdagen dat [de minderjarige] bij de vader verblijft, kiest de vader er bovendien voor om [de minderjarige] helemaal niet naar school te laten gaan, omdat zij daar volgens hem te vermoeid voor is. Het hof oordeelt deze handelswijze niet in het belang van [de minderjarige] . 5.6 De vader heeft nog gesteld dat de ouders gezamenlijk hebben gekozen voor zowel een school in [woonplaats1] als in [woonplaats2] . Omdat de [school1] niet doorging, mocht hij een andere school aanleveren in [woonplaats1] . Het hof volgt de vader in zoverre daarin, dat het afvallen van de [school1] niet zonder meer met zich brengt dat dus [school2] overblijft voor [de minderjarige] . Echter, [school3] , waar de vader [de minderjarige] vervolgens heeft ingeschreven, is niet in overleg met de moeder uitgezocht en kan dus ook niet gezien worden als een alternatief. Daarvoor is immers nodig dat beide ouders zich daarin kunnen vinden. Zorgregeling 5.7 Tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2026 heeft mr. Sikkens namens de vader verklaard dat vader uitsluitend wijziging van de (voorlopige) zorgregeling vraagt in de situatie dat [de minderjarige] in [woonplaats1] naar school gaat. Nu [de minderjarige] in [woonplaats2] naar school zal blijven gaan, behoefte dit verzoek dus geen bespreking. Aanvullend verzoek – dwangsom 5.8 De moeder heeft het hof verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat een dwangsom wordt verbonden aan de uitvoering van de (voorlopige) zorgregeling. 5.9 In de beschikking van 17 februari 2026 heeft het hof hierover het volgende overwogen: “ Het hof zal het verzoek van de moeder toewijzen en aan de nakoming van de (voorlopige) zorgregeling door de vader een dwangsom verbinden. Gebleken is dat de vader verschillende keren, zonder daarover in (constructief) overleg te treden met de moeder, de zorgregeling niet is nagekomen door [de minderjarige] na een verblijf bij de vader niet terug te brengen bij de moeder en zo te onttrekken aan de zorg van de moeder. De vader heeft [de minderjarige] op 10 november 2025 niet naar de moeder teruggebracht en haar meerdere dagen bij zich gehouden. Na het weekend van 22 november 2025 heeft de vader [de minderjarige] opnieuw niet teruggebracht naar de moeder en [de minderjarige] een dag en nacht langer bij zich gehouden dan volgens de zorgregeling bepaald. Op maandag 8 december 2025 heeft de vader [de minderjarige] opnieuw tegen de zorgregeling in niet naar de moeder gebracht en haar een dag en een nacht langer bij zich gehouden.
Volledig
De moeder vraagt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: het verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen; de bestreden beschikking te bekrachtigen met de aanvulling dat de vader een dwangsom verbeurt van € 500,- per dagdeel dat hij de (voorlopige) zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-; en als voorlopige voorziening te treffen dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dagdeel dat hij de (voorlopige) zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-; kosten rechtens. 4.4 Grief V van de vader mist zelfstandige betekenis en zal daarom niet afzonderlijk worden besproken. 4.5 Het hof heeft op 12 februari 2026 het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-. 5 De motivering van de beslissing Juridisch kader vervangende toestemming schoolkeuze 5.1 Op grond van artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. 5.2 Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil zoals hier aan de orde is, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over de schoolkeuze van het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen. 5.3 De ouders hebben in hoger beroep hun standpunten zoals deze in eerste aanleg aan de rechtbank zijn voorgelegd, herhaald en nader toegelicht. De kern van het geschil ziet op de vraag naar welke school [de minderjarige] zal gaan: [school3] in [woonplaats1] of [school2] in [woonplaats2] . De vader wil graag dat [de minderjarige] naar basisschool [school3] gaat, omdat deze school ligt in de voor [de minderjarige] bekende sociale omgeving en de school kleinschaliger is en daarmee meer aansluit bij de behoeften van [de minderjarige] . De moeder voert aan dat partijen twee scholen voor [de minderjarige] op het oog hadden en dat [de minderjarige] nu naar één van deze scholen gaat, omdat de school die partijen in [woonplaats1] voor ogen hadden ( [school1] ) geen plek voor [de minderjarige] had. [de minderjarige] heeft het volgens de moeder naar haar zin op [school2] en zij ontwikkelt zich goed. 5.4 De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad vindt de situatie waarin [de minderjarige] verkeert heel zorgelijk, zo zorgelijk zelfs dat de raad een beschermingsonderzoek heeft overwogen. De zorgen betreffen niet zozeer de feitelijke schoolkeuze, maar wel de manier waarop ouders tegenover elkaar staan in alles wat met [de minderjarige] te maken heeft. De vader vertrouwt de manier waarop de moeder [de minderjarige] opvoedt niet en doet er alles aan om dit te onderbouwen. De moeder acteert daar vervolgens weer op, met als gevolg dat [de minderjarige] er tussen zit. De raad heeft van een beschermingsonderzoek afgezien, omdat Veilig Thuis inmiddels betrokken is geraakt en er hulpverlening zal worden opgestart. De vader moet stoppen met het veelvuldig wegen van [de minderjarige] en het maken van foto’s mag alleen gebeuren in overleg met professionals, aldus nog steeds de raad. De vader doet veel zorgmeldingen, maar het beeld dat de vader schetst, wordt niet herkend door de peuterspeelzaal of school. De huidige situatie is volgens de raad belastend voor [de minderjarige] . 5.5 Het hof zal, net als de rechtbank, beslissen dat [de minderjarige] naar basisschool [school2] in [woonplaats2] gaat. Dit is ook overeenkomstig het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2026. Nergens blijkt uit dat [school2] voor [de minderjarige] geen goede school is of dat [de minderjarige] hier ondergesneeuwd raakt, zoals de vader vreest. De moeder heeft in dit kader verklaard dat juist [school2] , ondanks de grootte van de school, veel aandacht heeft voor het individuele kind. Weliswaar hebben beide ouders verklaard dat [de minderjarige] timide is en dat zij minder praat sinds zij naar school gaat, maar hiervoor is logopedie gestart. Daarbij komt het niet vreemd voor dat een jong kind wat stiller is nadat zij net op de basisschool is gestart. Dat geldt voor [de minderjarige] nog meer, omdat de ouders niet op één lijn zitten over de schoolgang en verzorging van [de minderjarige] . De spanningen die deze verschillen van inzicht met zich brengen, merkt [de minderjarige] ook en hebben invloed op haar ontwikkeling en gedrag. Het hof ziet hierin geen reden om [de minderjarige] van school te laten wisselen, omdat dit de spanningen tussen de ouders niet zal wegnemen. Tot slot weegt het hof in deze beoordeling mee dat de vader eenzijdig, dus zonder overleg met de moeder, beslissingen neemt over de vraag wanneer [de minderjarige] in staat is om naar school te gaan. De vader houdt [de minderjarige] op regelmatige basis thuis van school, omdat zij volgens hem te ziek is om naar school te gaan. Op de vrijdagen dat [de minderjarige] bij de vader verblijft, kiest de vader er bovendien voor om [de minderjarige] helemaal niet naar school te laten gaan, omdat zij daar volgens hem te vermoeid voor is. Het hof oordeelt deze handelswijze niet in het belang van [de minderjarige] . 5.6 De vader heeft nog gesteld dat de ouders gezamenlijk hebben gekozen voor zowel een school in [woonplaats1] als in [woonplaats2] . Omdat de [school1] niet doorging, mocht hij een andere school aanleveren in [woonplaats1] . Het hof volgt de vader in zoverre daarin, dat het afvallen van de [school1] niet zonder meer met zich brengt dat dus [school2] overblijft voor [de minderjarige] . Echter, [school3] , waar de vader [de minderjarige] vervolgens heeft ingeschreven, is niet in overleg met de moeder uitgezocht en kan dus ook niet gezien worden als een alternatief. Daarvoor is immers nodig dat beide ouders zich daarin kunnen vinden. Zorgregeling 5.7 Tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2026 heeft mr. Sikkens namens de vader verklaard dat vader uitsluitend wijziging van de (voorlopige) zorgregeling vraagt in de situatie dat [de minderjarige] in [woonplaats1] naar school gaat. Nu [de minderjarige] in [woonplaats2] naar school zal blijven gaan, behoefte dit verzoek dus geen bespreking. Aanvullend verzoek – dwangsom 5.8 De moeder heeft het hof verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat een dwangsom wordt verbonden aan de uitvoering van de (voorlopige) zorgregeling. 5.9 In de beschikking van 17 februari 2026 heeft het hof hierover het volgende overwogen: “ Het hof zal het verzoek van de moeder toewijzen en aan de nakoming van de (voorlopige) zorgregeling door de vader een dwangsom verbinden. Gebleken is dat de vader verschillende keren, zonder daarover in (constructief) overleg te treden met de moeder, de zorgregeling niet is nagekomen door [de minderjarige] na een verblijf bij de vader niet terug te brengen bij de moeder en zo te onttrekken aan de zorg van de moeder. De vader heeft [de minderjarige] op 10 november 2025 niet naar de moeder teruggebracht en haar meerdere dagen bij zich gehouden. Na het weekend van 22 november 2025 heeft de vader [de minderjarige] opnieuw niet teruggebracht naar de moeder en [de minderjarige] een dag en nacht langer bij zich gehouden dan volgens de zorgregeling bepaald. Op maandag 8 december 2025 heeft de vader [de minderjarige] opnieuw tegen de zorgregeling in niet naar de moeder gebracht en haar een dag en een nacht langer bij zich gehouden.
Volledig
Op maandag 15 december 2025 heeft de vader [de minderjarige] , tegen de zorgregeling in, niet naar school gebracht en haar pas om 14.00 uur bij de moeder teruggebracht. Op vrijdag 19 december 2025 zou [de minderjarige] volgens de zorgregeling uit school naar de moeder moeten worden gebracht. De vader heeft haar die dag niet naar school laten gaan en pas om 19.00 uur ’s avonds bij de moeder gebracht. Daarmee staat vast dat de vader de zorgregeling niet nakomt en [de minderjarige] veelvuldig aan de zorg van de moeder heeft onttrokken. De vader zegt dat hij daarvoor een goede reden heeft. Hij zegt grote zorgen te hebben over de gezondheid van [de minderjarige] en dat zij vaak bleek en met opkomende koorts bij hem komt. Kennelijk acht hij zich vrij de zorgregeling niet te hoeven nakomen als volgens hem de gezondheidstoestand van [de minderjarige] niet toelaat dat hij haar naar school brengt of terugbrengt naar de moeder. Daarmee miskent de vader de betekenis van de zorgregeling en een zorgvuldige uitvoering daarvan. Ook als [de minderjarige] ziek, verzwakt of vermoeid zou zijn, moet de vader haar terugbrengen naar de moeder op het moment dat zij weer de zorg voor [de minderjarige] heeft volgens de zorgregeling. Niet is gebleken dat de toestand van [de minderjarige] zodanig slecht was dat zij niet vervoerd kon worden. Bovendien ligt het op de weg van de vader om in het geval [de minderjarige] ziek is, in constructief overleg te treden met de moeder. Uit de overgelegde correspondentie blijkt echter dat de vader dat niet doet. De vader beslist steeds eigenmachtig wanneer en waarom [de minderjarige] , tegen de zorgregeling in, bij hem moet blijven. Ook bepaalt hij zonder overleg met de moeder of [de minderjarige] al dan niet kan worden vervoerd naar de moeder. Het is allerminst in het belang van [de minderjarige] dat de vader haar aan de zorg van de moeder onttrekt en zo de zorgregeling frustreert die nu juist in het belang van [de minderjarige] is vastgesteld. Het hof acht een dwangsom van € 500 per dagdeel dat de vader zich niet houdt aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde (voorlopige) zorgregeling, met een maximum van € 10.000, zoals door de moeder is verzocht, passend bij het inkomen van de vader van ongeveer € 3.000 per maand. Dat is voor hem een voldoende prikkel de zorgregeling na te leven. ” 5.10 De moeder heeft het hof ook in de hoofdzaak verzocht om een dwangsom te verbinden aan de uitvoering van de (voorlopige) zorgregeling. 5.11 Tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2026 hebben partijen eensluidend verklaard dat de (voorlopige) zorgregeling sinds het opleggen van de dwangsom goed wordt uitgevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader desgevraagd ontkend dat hij de zorgregeling voorafgaand aan het opleggen van de dwangsom niet is nagekomen. Na verdere vragen van het hof heeft de vader vervolgens verklaard dat hij [de minderjarige] soms ziek thuis kreeg, maar dat de vader haar op die momenten niet thuis had mogen houden. Het hof is van oordeel dat uit de verklaringen van de vader niet blijkt van enig inzicht in zijn handelen voorafgaand aan het opleggen van de dwangsom. Daarmee is niet te verwachten dat de vader - als de dwangsom verdwijnt - zijn gedrag zal aanpassen. Het hof ziet daarom aanleiding om, net als in het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, een dwangsom te verbinden aan het nakomen van de vader van de (voorlopige) zorgregeling. Ook nu oordeelt het hof een dwangsom van € 500,- per dagdeel dat de vader zich niet houdt aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde (voorlopige) zorgregeling, met een maximum van € 10.000,-, zoals door de moeder is verzocht, passend bij het inkomen van de vader van ongeveer € 3.000,- per maand. 6 De slotsom 6.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover deze ziet op de beslissing waar [de minderjarige] naar school gaat, bekrachtigen. Daarnaast zal het hof aanvullend een dwangsom verbinden aan het nakomen van de vastgestelde (voorlopige) zorgregeling. 6.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. 7 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juli 2025, voor zover deze ziet op de beslissing waar [de minderjarige] naar school gaat; bepaalt aanvullend dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
Op maandag 15 december 2025 heeft de vader [de minderjarige] , tegen de zorgregeling in, niet naar school gebracht en haar pas om 14.00 uur bij de moeder teruggebracht. Op vrijdag 19 december 2025 zou [de minderjarige] volgens de zorgregeling uit school naar de moeder moeten worden gebracht. De vader heeft haar die dag niet naar school laten gaan en pas om 19.00 uur ’s avonds bij de moeder gebracht. Daarmee staat vast dat de vader de zorgregeling niet nakomt en [de minderjarige] veelvuldig aan de zorg van de moeder heeft onttrokken. De vader zegt dat hij daarvoor een goede reden heeft. Hij zegt grote zorgen te hebben over de gezondheid van [de minderjarige] en dat zij vaak bleek en met opkomende koorts bij hem komt. Kennelijk acht hij zich vrij de zorgregeling niet te hoeven nakomen als volgens hem de gezondheidstoestand van [de minderjarige] niet toelaat dat hij haar naar school brengt of terugbrengt naar de moeder. Daarmee miskent de vader de betekenis van de zorgregeling en een zorgvuldige uitvoering daarvan. Ook als [de minderjarige] ziek, verzwakt of vermoeid zou zijn, moet de vader haar terugbrengen naar de moeder op het moment dat zij weer de zorg voor [de minderjarige] heeft volgens de zorgregeling. Niet is gebleken dat de toestand van [de minderjarige] zodanig slecht was dat zij niet vervoerd kon worden. Bovendien ligt het op de weg van de vader om in het geval [de minderjarige] ziek is, in constructief overleg te treden met de moeder. Uit de overgelegde correspondentie blijkt echter dat de vader dat niet doet. De vader beslist steeds eigenmachtig wanneer en waarom [de minderjarige] , tegen de zorgregeling in, bij hem moet blijven. Ook bepaalt hij zonder overleg met de moeder of [de minderjarige] al dan niet kan worden vervoerd naar de moeder. Het is allerminst in het belang van [de minderjarige] dat de vader haar aan de zorg van de moeder onttrekt en zo de zorgregeling frustreert die nu juist in het belang van [de minderjarige] is vastgesteld. Het hof acht een dwangsom van € 500 per dagdeel dat de vader zich niet houdt aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde (voorlopige) zorgregeling, met een maximum van € 10.000, zoals door de moeder is verzocht, passend bij het inkomen van de vader van ongeveer € 3.000 per maand. Dat is voor hem een voldoende prikkel de zorgregeling na te leven. ” 5.10 De moeder heeft het hof ook in de hoofdzaak verzocht om een dwangsom te verbinden aan de uitvoering van de (voorlopige) zorgregeling. 5.11 Tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2026 hebben partijen eensluidend verklaard dat de (voorlopige) zorgregeling sinds het opleggen van de dwangsom goed wordt uitgevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader desgevraagd ontkend dat hij de zorgregeling voorafgaand aan het opleggen van de dwangsom niet is nagekomen. Na verdere vragen van het hof heeft de vader vervolgens verklaard dat hij [de minderjarige] soms ziek thuis kreeg, maar dat de vader haar op die momenten niet thuis had mogen houden. Het hof is van oordeel dat uit de verklaringen van de vader niet blijkt van enig inzicht in zijn handelen voorafgaand aan het opleggen van de dwangsom. Daarmee is niet te verwachten dat de vader - als de dwangsom verdwijnt - zijn gedrag zal aanpassen. Het hof ziet daarom aanleiding om, net als in het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, een dwangsom te verbinden aan het nakomen van de vader van de (voorlopige) zorgregeling. Ook nu oordeelt het hof een dwangsom van € 500,- per dagdeel dat de vader zich niet houdt aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde (voorlopige) zorgregeling, met een maximum van € 10.000,-, zoals door de moeder is verzocht, passend bij het inkomen van de vader van ongeveer € 3.000,- per maand. 6 De slotsom 6.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover deze ziet op de beslissing waar [de minderjarige] naar school gaat, bekrachtigen. Daarnaast zal het hof aanvullend een dwangsom verbinden aan het nakomen van de vastgestelde (voorlopige) zorgregeling. 6.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. 7 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juli 2025, voor zover deze ziet op de beslissing waar [de minderjarige] naar school gaat; bepaalt aanvullend dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.