Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-12
ECLI:NL:GHARL:2026:2968
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,838 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2968 text/xml public 2026-05-20T12:00:04 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-12 200.357.269 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2968 text/html public 2026-05-15T12:17:46 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2968 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.357.269 Overeenstemming van partijen vastgelegd in beschikking GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.357.269 (zaaknummer rechtbank Gelderland 443347) beschikking van 12 mei 2026 inzake [verzoeker] , wonende in [woonplaats1] , Duitsland, verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man, thans zonder advocaat (voorheen: mr. A.J.M. van Haaren), en [verweerster] , wonende in [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. C.H. Tjabringa. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 juli 2025; het verweerschrift met producties; een journaalbericht namens de vrouw van 22 januari 2026 met producties; een journaalbericht namens de man van 23 januari 2026 met een productie; een journaalbericht namens de man van 28 januari 2026 met een productie; een journaalbericht namens de man van 3 februari 2026 waarin mr. Van Haaren zich onttrekt als advocaat van de man; een journaalbericht namens de man van 3 april 2026 met producties; een journaalbericht namens de vrouw van 15 april 2026 met als productie een door partijen op 15 april 2026 ondertekende vaststellingsovereenkomst. 3 De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2011, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] woont bij de vrouw. 3.2 In de (echtscheidings)beschikking van 23 oktober 2018 heeft de rechtbank, naast het uitspreken van de echtscheiding, bepaald dat: de man met ingang van 23 oktober 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) € 600,- per maand aan de vrouw zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; het aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, beide ondertekend op 16 september 2018, in die beschikking als opgenomen moeten worden beschouwd. 3.3 De man en de vrouw zijn in het hiervoor genoemde ouderschapsplan over de kinderalimentatie onder meer het volgende overeengekomen: “ Artikel 7 - Kinderalimentatie Lid 1: De kosten van [de minderjarige] hebben de ouders niet expliciet berekend, dan wel wensen zij niet berekend te hebben. Zij zijn in onderling overleg overeengekomen dat vader maandelijks € 600,- zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . (…) Lid 3: De vader verbeurt een boete van € 50,- voor iedere dag dat deze alimentatie later wordt overgemaakt. Toelichting: Door opdracht aan zijn bank tot automatische afschrijving van de kinderalimentatie kan de vader op eenvoudige wijze voorkomen dat hij de boete verschuldigd wordt. De moeder wil aldus voorkomen dat de vader het huidige wisselvallige betaalgedrag continueert. (...) Lid 5: Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per l januari 2018.” 3.4 Bij beschikking van 30 september 2021 heeft de rechtbank het hiervoor geciteerde artikel 7 lid 3 van het ouderschapsplan, waarin is bepaald dat de man een boete van € 50,- dient te betalen per dag dat de alimentatie te laat wordt betaald, nietig verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank in die beschikking het verzoek van de man om de kinderalimentatie te verlagen op de voet van artikel 1:401 lid 5 dan wel lid 1 BW, afgewezen. 3.5 De man heeft de rechtbank op 6 november 2024 (opnieuw) verzocht om de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie te verlagen. De vrouw heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en verzocht om wettelijke rente over de achterstallige kinderalimentatie en de toekomstige kinderalimentatie waarmee hij in verzuim is met de betaling. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank: bepaald dat de door de man te betalen achterstallige alimentatie dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de man in verzuim is met betaling daarvan tot aan de dag der algehele voldoening; bepaald dat de man de wettelijke rente verschuldigd is over toekomstige alimentatie waarmee hij in verzuim is met betaling, te rekenen vanaf de dag van verzuim, tot aan de dag der algehele voldoening; bepaald dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten betalen; en de verzoeken voor het overige afgewezen. 4.2 De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en zijn verzoeken in eerste aanleg alsnog toe te wijzen en de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen, kosten rechtens. 4.3 De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, dan wel deze verzoeken af te wijzen, dan wel te beslissen als het hof juist oordeelt. 5 De motivering van de beslissing Rechtsmacht 5.1 De man woont en werkt in Duitsland. Daarmee heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. 5.2 Op grond van artikel 3 aanhef en onder a. en onder b. van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek van de man tot verlaging van de kinderalimentatie, omdat de moeder en de minderjarige hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Overeenstemming 5.3 In de hiervoor onder 2. genoemde vaststellingsovereenkomst hebben partijen overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie. Partijen verzoeken het hof een beslissing te geven conform de inhoud van deze vaststellingsovereenkomst. Hieruit leidt het hof af dat de man zijn verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig heeft gewijzigd. 5.4 Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt. Het hof zal een kopie van de vaststellingsovereenkomst aan deze beschikking hechten. 5.5 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt. 6. De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 april 2025 en, opnieuw beschikkende: beslist conform de door partijen op 15 april 2026 ondertekende vaststellingsovereenkomst en bepaalt dat deze overeenkomst deel uitmaakt van deze beschikking en beslissing; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, R. Prakke-Nieuwenhuizen en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. Verordening (EU) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2968 text/xml public 2026-05-20T12:00:04 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-12 200.357.269 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2968 text/html public 2026-05-15T12:17:46 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2968 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.357.269 Overeenstemming van partijen vastgelegd in beschikking GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.357.269 (zaaknummer rechtbank Gelderland 443347) beschikking van 12 mei 2026 inzake [verzoeker] , wonende in [woonplaats1] , Duitsland, verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man, thans zonder advocaat (voorheen: mr. A.J.M. van Haaren), en [verweerster] , wonende in [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. C.H. Tjabringa. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 juli 2025; het verweerschrift met producties; een journaalbericht namens de vrouw van 22 januari 2026 met producties; een journaalbericht namens de man van 23 januari 2026 met een productie; een journaalbericht namens de man van 28 januari 2026 met een productie; een journaalbericht namens de man van 3 februari 2026 waarin mr. Van Haaren zich onttrekt als advocaat van de man; een journaalbericht namens de man van 3 april 2026 met producties; een journaalbericht namens de vrouw van 15 april 2026 met als productie een door partijen op 15 april 2026 ondertekende vaststellingsovereenkomst. 3 De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2011, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] woont bij de vrouw. 3.2 In de (echtscheidings)beschikking van 23 oktober 2018 heeft de rechtbank, naast het uitspreken van de echtscheiding, bepaald dat: de man met ingang van 23 oktober 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) € 600,- per maand aan de vrouw zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; het aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, beide ondertekend op 16 september 2018, in die beschikking als opgenomen moeten worden beschouwd. 3.3 De man en de vrouw zijn in het hiervoor genoemde ouderschapsplan over de kinderalimentatie onder meer het volgende overeengekomen: “ Artikel 7 - Kinderalimentatie Lid 1: De kosten van [de minderjarige] hebben de ouders niet expliciet berekend, dan wel wensen zij niet berekend te hebben. Zij zijn in onderling overleg overeengekomen dat vader maandelijks € 600,- zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . (…) Lid 3: De vader verbeurt een boete van € 50,- voor iedere dag dat deze alimentatie later wordt overgemaakt. Toelichting: Door opdracht aan zijn bank tot automatische afschrijving van de kinderalimentatie kan de vader op eenvoudige wijze voorkomen dat hij de boete verschuldigd wordt. De moeder wil aldus voorkomen dat de vader het huidige wisselvallige betaalgedrag continueert. (...) Lid 5: Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per l januari 2018.” 3.4 Bij beschikking van 30 september 2021 heeft de rechtbank het hiervoor geciteerde artikel 7 lid 3 van het ouderschapsplan, waarin is bepaald dat de man een boete van € 50,- dient te betalen per dag dat de alimentatie te laat wordt betaald, nietig verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank in die beschikking het verzoek van de man om de kinderalimentatie te verlagen op de voet van artikel 1:401 lid 5 dan wel lid 1 BW, afgewezen. 3.5 De man heeft de rechtbank op 6 november 2024 (opnieuw) verzocht om de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie te verlagen. De vrouw heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en verzocht om wettelijke rente over de achterstallige kinderalimentatie en de toekomstige kinderalimentatie waarmee hij in verzuim is met de betaling. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank: bepaald dat de door de man te betalen achterstallige alimentatie dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de man in verzuim is met betaling daarvan tot aan de dag der algehele voldoening; bepaald dat de man de wettelijke rente verschuldigd is over toekomstige alimentatie waarmee hij in verzuim is met betaling, te rekenen vanaf de dag van verzuim, tot aan de dag der algehele voldoening; bepaald dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten betalen; en de verzoeken voor het overige afgewezen. 4.2 De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en zijn verzoeken in eerste aanleg alsnog toe te wijzen en de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen, kosten rechtens. 4.3 De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, dan wel deze verzoeken af te wijzen, dan wel te beslissen als het hof juist oordeelt. 5 De motivering van de beslissing Rechtsmacht 5.1 De man woont en werkt in Duitsland. Daarmee heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. 5.2 Op grond van artikel 3 aanhef en onder a. en onder b. van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek van de man tot verlaging van de kinderalimentatie, omdat de moeder en de minderjarige hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Overeenstemming 5.3 In de hiervoor onder 2. genoemde vaststellingsovereenkomst hebben partijen overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie. Partijen verzoeken het hof een beslissing te geven conform de inhoud van deze vaststellingsovereenkomst. Hieruit leidt het hof af dat de man zijn verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig heeft gewijzigd. 5.4 Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt. Het hof zal een kopie van de vaststellingsovereenkomst aan deze beschikking hechten. 5.5 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt. 6. De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 april 2025 en, opnieuw beschikkende: beslist conform de door partijen op 15 april 2026 ondertekende vaststellingsovereenkomst en bepaalt dat deze overeenkomst deel uitmaakt van deze beschikking en beslissing; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, R. Prakke-Nieuwenhuizen en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. Verordening (EU) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.