Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-12
ECLI:NL:GHARL:2026:2951
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
10,868 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2951 text/xml public 2026-05-19T12:00:28 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-12 200.359.382/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2951 text/html public 2026-05-19T09:25:54 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2951 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.359.382/01 Familierecht. Zorgregeling en kinderalimentatie. Alimentatieberekening op basis van werkelijke woonlasten. Bij de vrouw wordt uitgegaan van haar lagere werkelijke woonlasten omdat er een draagkrachttekort is. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.359.382/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 329077) beschikking van 12 mei 2026 in de zaak van [verzoekster] (de vrouw), die woont in [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer, en [verweerder] (de man), die woont in [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. R.E. Verhagen-Kiela te Deventer. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming , regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 26 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 18 september 2025; - het verweerschrift tevens (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met bijlage(n); - een brief namens de vrouw van 27 november 2025 met bijlage(n); - het verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met bijlage(n); - een brief van de raad van 3 februari 2026 waarin de raad zich afmeldt voor de zitting; - een journaalbericht namens de man van 12 maart 2026 met bijlage(n). 2.2 [de minderjarige1] heeft bij brief van 18 februari 2026 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek voor zover dat gaat over de zorgregeling. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2.4 Na de mondelinge behandeling is ingekomen een e-mail namens de vrouw van 25 maart 2026 met bijlage(n). Het hof heeft deze stukken niet in behandeling genomen. Deze stukken waren al eerder bij het hof ingediend en mr. Aarnoudse had deze stukken na de zitting alleen naar mr. Verhagen-Kiela kunnen sturen. Zij bleek ter zitting de betreffende stukken nog niet te hebben ontvangen en wilde controleren of mr. Aarnoudse wel de juiste stukken had ingediend. Mr. Verhagen-Kiela heeft het hof op 1 april 2026 bericht dat zij alsnog kennis heeft kunnen nemen van de onder 2.1 genoemde brief van 27 november 2025 met bijlage(n). Zij heeft echter geconstateerd dat de daarbij door mr. Aarnoudse overgelegde productie 10 – die hoort bij een namens de man in eerste aanleg ingediend journaalbericht van 30 april 2025 – niet correct is. Mr. Verhagen-Kiela heeft de volgens haar juiste productie 10 overgelegd bij haar e-mail van 1 april 2026. Dit stuk is aan het dossier toegevoegd. 3 De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn de ouders van: [de minderjarige1] , geboren [in] 2015, en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , beiden geboren [in] 2019. 3.2 De ouders zijn in november 2023 uit elkaar gegaan. De kinderen wonen sindsdien grotendeels bij de vrouw. De ouders hebben in mei 2025 bij de burgerlijke stand vastgelegd dat zij samen het gezag hebben over de kinderen. 3.3 De ouders hebben in 2023 via mediation geprobeerd afspraken te maken, onder andere over de kinderalimentatie. Dit traject is niet afgerond. Op advies van de mediator is de man de vrouw op enig moment in 2023 wel € 406,- per maand aan kinderalimentatie gaan betalen. Vanaf januari 2025 is dit bedrag geïndexeerd naar € 432,39 per maand, hetgeen de man tot en met juni 2025 aan de vrouw heeft betaald. Partijen duiden deze betalingen beiden als betalingen op basis van een natuurlijke verbintenis. 4 Het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is een zorgregeling vastgesteld waarbij – voor zover hier van belang – onder meer is bepaald dat de kinderen eenmaal per twee weken vanaf vrijdag 18.30 uur tot maandagochtend naar school bij de man verblijven. Verder heeft de rechtbank de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) die de man aan de vrouw moet betalen met ingang van 13 februari 2025 bepaald op € 5,- per kind per maand. 4.2 De vrouw is met zeven grieven, waarvan één voorwaardelijk, in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 juni 2025. Deze grieven zien op de kinderalimentatie, in het bijzonder de draagkracht van partijen, en de ingangsdatum. De vrouw verzoekt de beschikking van 26 juni 2025 te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover daarbij een beslissing is genomen over de kinderalimentatie) en (in zoverre) een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie te bepalen van € 255,- per maand voor het oudste kind en € 199,- per kind per maand voor de twee jongste kinderen, ofwel een bedrag van € 653,- per maand voor alle drie de kinderen tezamen, gerekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de beschikking (naar ter zitting is toegelicht:) van de rechtbank wordt gegeven dan wel vanaf de datum van die beschikking. 4.3 De man voert verweer in het principaal hoger beroep. Hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen en de beschikking van 26 juni 2025 te bekrachtigen met uitzondering van het tijdstip genoemd onder de beslissing onder 6.1, derde aandachtsstreepje. 4.4 De man is op zijn beurt met drie grieven (voorwaardelijk) in incidenteel hoger beroep gekomen. De (voorwaardelijke) grieven één en twee zien op de kinderalimentatie en grief drie ziet op de zorgregeling. Voor het geval het hof de vrouw ontvangt in haar verzoek en de beschikking van 26 juni 2025 vernietigt op het punt van de kinderalimentatie, de kinderalimentatie opnieuw berekent en de man een bedrag aan kinderalimentatie dient te voldoen, verzoekt de man het hof te bepalen dat het hem is toegestaan de door hem te betalen kinderalimentatie (waaronder begrepen de toekomstige termijnen), te verrekenen met de te veel door hem betaalde kinderalimentatie (uit hoofde van een natuurlijke verbintenis) vanaf 13 februari 2025. De man verzoekt de beschikking van 26 juni 2025 te vernietigen op het punt van het tijdstip genoemd onder de beslissing onder 6.1, derde aandachtsstreepje en, opnieuw rechtdoende, (na wijziging) te bepalen dat de kinderen eenmaal per twee weken vanaf vrijdag 15.00 uur tot maandagochtend naar school bij hem verblijven. 4.5 De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep. Zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn (voorwaardelijk) incidenteel appel, dan wel zijn (voorwaardelijk) incidenteel appel af te wijzen. 4.6 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5 De overwegingen voor de beslissing Zorgregeling 5.1 De rechtbank heeft het tijdstip waarop de kinderen op vrijdag naar de man gaan bepaald op 18.30 uur. De man wil dat veranderd zien in 15.00 uur. Volgens de man zijn de kinderen bijna klaar met zwemles op vrijdagmiddag en dan wil hij ze graag direct na zijn werk bij zich hebben, zodat hij wat meer tijd met de kinderen kan doorbrengen . De vrouw wil dat het tijdstip van overdracht 18.30 uur blijft. Vrijdag is haar vrije dag en ook zij wil dan graag quality time met de kinderen hebben. 5.2 [de minderjarige1] heeft in haar brief aangegeven dat zij blij is met hoe het nu is en dat zij dat niet wil veranderen. [de minderjarige1] vindt het fijn om op vrijdag eerst bij de vrouw te eten en daarna om 18.30 uur naar de man te gaan.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2951 text/xml public 2026-05-19T12:00:28 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-12 200.359.382/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2951 text/html public 2026-05-19T09:25:54 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2951 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.359.382/01 Familierecht. Zorgregeling en kinderalimentatie. Alimentatieberekening op basis van werkelijke woonlasten. Bij de vrouw wordt uitgegaan van haar lagere werkelijke woonlasten omdat er een draagkrachttekort is. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.359.382/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 329077) beschikking van 12 mei 2026 in de zaak van [verzoekster] (de vrouw), die woont in [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer, en [verweerder] (de man), die woont in [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. R.E. Verhagen-Kiela te Deventer. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming , regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 26 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 18 september 2025; - het verweerschrift tevens (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met bijlage(n); - een brief namens de vrouw van 27 november 2025 met bijlage(n); - het verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met bijlage(n); - een brief van de raad van 3 februari 2026 waarin de raad zich afmeldt voor de zitting; - een journaalbericht namens de man van 12 maart 2026 met bijlage(n). 2.2 [de minderjarige1] heeft bij brief van 18 februari 2026 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek voor zover dat gaat over de zorgregeling. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2.4 Na de mondelinge behandeling is ingekomen een e-mail namens de vrouw van 25 maart 2026 met bijlage(n). Het hof heeft deze stukken niet in behandeling genomen. Deze stukken waren al eerder bij het hof ingediend en mr. Aarnoudse had deze stukken na de zitting alleen naar mr. Verhagen-Kiela kunnen sturen. Zij bleek ter zitting de betreffende stukken nog niet te hebben ontvangen en wilde controleren of mr. Aarnoudse wel de juiste stukken had ingediend. Mr. Verhagen-Kiela heeft het hof op 1 april 2026 bericht dat zij alsnog kennis heeft kunnen nemen van de onder 2.1 genoemde brief van 27 november 2025 met bijlage(n). Zij heeft echter geconstateerd dat de daarbij door mr. Aarnoudse overgelegde productie 10 – die hoort bij een namens de man in eerste aanleg ingediend journaalbericht van 30 april 2025 – niet correct is. Mr. Verhagen-Kiela heeft de volgens haar juiste productie 10 overgelegd bij haar e-mail van 1 april 2026. Dit stuk is aan het dossier toegevoegd. 3 De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn de ouders van: [de minderjarige1] , geboren [in] 2015, en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , beiden geboren [in] 2019. 3.2 De ouders zijn in november 2023 uit elkaar gegaan. De kinderen wonen sindsdien grotendeels bij de vrouw. De ouders hebben in mei 2025 bij de burgerlijke stand vastgelegd dat zij samen het gezag hebben over de kinderen. 3.3 De ouders hebben in 2023 via mediation geprobeerd afspraken te maken, onder andere over de kinderalimentatie. Dit traject is niet afgerond. Op advies van de mediator is de man de vrouw op enig moment in 2023 wel € 406,- per maand aan kinderalimentatie gaan betalen. Vanaf januari 2025 is dit bedrag geïndexeerd naar € 432,39 per maand, hetgeen de man tot en met juni 2025 aan de vrouw heeft betaald. Partijen duiden deze betalingen beiden als betalingen op basis van een natuurlijke verbintenis. 4 Het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is een zorgregeling vastgesteld waarbij – voor zover hier van belang – onder meer is bepaald dat de kinderen eenmaal per twee weken vanaf vrijdag 18.30 uur tot maandagochtend naar school bij de man verblijven. Verder heeft de rechtbank de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) die de man aan de vrouw moet betalen met ingang van 13 februari 2025 bepaald op € 5,- per kind per maand. 4.2 De vrouw is met zeven grieven, waarvan één voorwaardelijk, in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 juni 2025. Deze grieven zien op de kinderalimentatie, in het bijzonder de draagkracht van partijen, en de ingangsdatum. De vrouw verzoekt de beschikking van 26 juni 2025 te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover daarbij een beslissing is genomen over de kinderalimentatie) en (in zoverre) een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie te bepalen van € 255,- per maand voor het oudste kind en € 199,- per kind per maand voor de twee jongste kinderen, ofwel een bedrag van € 653,- per maand voor alle drie de kinderen tezamen, gerekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de beschikking (naar ter zitting is toegelicht:) van de rechtbank wordt gegeven dan wel vanaf de datum van die beschikking. 4.3 De man voert verweer in het principaal hoger beroep. Hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen en de beschikking van 26 juni 2025 te bekrachtigen met uitzondering van het tijdstip genoemd onder de beslissing onder 6.1, derde aandachtsstreepje. 4.4 De man is op zijn beurt met drie grieven (voorwaardelijk) in incidenteel hoger beroep gekomen. De (voorwaardelijke) grieven één en twee zien op de kinderalimentatie en grief drie ziet op de zorgregeling. Voor het geval het hof de vrouw ontvangt in haar verzoek en de beschikking van 26 juni 2025 vernietigt op het punt van de kinderalimentatie, de kinderalimentatie opnieuw berekent en de man een bedrag aan kinderalimentatie dient te voldoen, verzoekt de man het hof te bepalen dat het hem is toegestaan de door hem te betalen kinderalimentatie (waaronder begrepen de toekomstige termijnen), te verrekenen met de te veel door hem betaalde kinderalimentatie (uit hoofde van een natuurlijke verbintenis) vanaf 13 februari 2025. De man verzoekt de beschikking van 26 juni 2025 te vernietigen op het punt van het tijdstip genoemd onder de beslissing onder 6.1, derde aandachtsstreepje en, opnieuw rechtdoende, (na wijziging) te bepalen dat de kinderen eenmaal per twee weken vanaf vrijdag 15.00 uur tot maandagochtend naar school bij hem verblijven. 4.5 De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep. Zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn (voorwaardelijk) incidenteel appel, dan wel zijn (voorwaardelijk) incidenteel appel af te wijzen. 4.6 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5 De overwegingen voor de beslissing Zorgregeling 5.1 De rechtbank heeft het tijdstip waarop de kinderen op vrijdag naar de man gaan bepaald op 18.30 uur. De man wil dat veranderd zien in 15.00 uur. Volgens de man zijn de kinderen bijna klaar met zwemles op vrijdagmiddag en dan wil hij ze graag direct na zijn werk bij zich hebben, zodat hij wat meer tijd met de kinderen kan doorbrengen . De vrouw wil dat het tijdstip van overdracht 18.30 uur blijft. Vrijdag is haar vrije dag en ook zij wil dan graag quality time met de kinderen hebben. 5.2 [de minderjarige1] heeft in haar brief aangegeven dat zij blij is met hoe het nu is en dat zij dat niet wil veranderen. [de minderjarige1] vindt het fijn om op vrijdag eerst bij de vrouw te eten en daarna om 18.30 uur naar de man te gaan.
Volledig
Het hof zal aansluiten bij de wens van [de minderjarige1] en de situatie laten zoals die is. Het hof acht dat in het belang van [de minderjarige1] . Zij is elf jaar en heeft duidelijk haar mening uitgesproken. Het belang van de tweeling volgt hierbij het belang van [de minderjarige1] en niet gebleken is dat een ander aanvangstijdstip in hun belang zou zijn. Kinderalimentatie 5.3 De richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatie zullen worden toegepast. Ingangsdatum 5.4 Het hof is van oordeel dat 13 februari 2025 als ingangsdatum moet worden gehanteerd, omdat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie op die datum bij de rechtbank is ingediend en het hof in hetgeen de vrouw heeft gesteld geen aanleiding ziet van een andere datum uit te gaan. Behoefte kinderen 5.5 Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2025 € 542,- per kind per maand bedroeg. Draagkracht man 5.6 Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken. 5.7 Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt nemen. Gelet op hetgeen onder 5.4 ten aanzien van de ingangsdatum wordt overwogen zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 13 februari 2025. 5.8 Het NBI van de man is in geschil. Uit de stukken blijkt dat de man parttime (90%) werkt in loondienst. Voor het resterende deel stelt de man onbetaald ouderschapsverlof te hebben opgenomen. De vrouw vindt dat rekening gehouden moet worden met een fulltime salaris. Volgens haar mogen de financiële gevolgen van de keuze van de man om niet 100% te werken niet op de kinderen afgewenteld worden. Uit de stukken blijkt dat de man in 2020 ook al niet meer dan 90% werkte. Partijen woonden toen nog samen en de tweeling was kort daarvoor geboren. Het ligt voor de hand dat partijen destijds samen hebben afgesproken dat de man minder zou gaan werken om ook een deel van de zorg voor de kinderen op zich te kunnen nemen (en kosten van kinderopvang uit te sparen), zoals de man stelt. Het hof is daarom van oordeel dat rekening gehouden moet worden met het feit dat de man ouderschapsverlof opneemt en een parttime aanstelling van 90% heeft. Uit de jaaropgave 2025 volgt voor de man een inkomen van € 45.320,-. De man heeft voldoende onderbouwd gesteld dat dit salaris nog gecorrigeerd moet worden omdat daar een eenmalige gratificatie in zit. De man heeft in juli 2025 een jubileumuitkering gekregen omdat hij toen 12,5 jaar in dienst was. Het door de man gecorrigeerde jaarinkomen van (€ 45.320 – € 2.398,20 =) € 42.921,80 als zodanig is door de vrouw niet bestreden. Het hof zal daarvan uitgaan. 5.9 Uit de berekening op blad 8 volgt dat het NBI van de man € 2.935,- per maand bedraagt. Van dat inkomen heeft hij een deel nodig om de eigen noodzakelijke lasten te voldoen: het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bedraagt volgens de in 2025 geldende formule 30% van het NBI – primair ter bestrijding van woonlasten – plus € 1.310,- (tarieven 2025-I) ter bestrijding van de overige lasten. Van het resterende inkomen is 70% beschikbaar voor de betaling van kinderalimentatie: de draagkracht. 5.10 De rechtbank zag reden om aan de zijde van de man uit te gaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het forfait van 30% (het woonbudget). De rechtbank rekende met een woonlast van € 867,- per maand voor kale huur en servicekosten. De vrouw heeft hier een voorwaardelijke grief tegen gericht, uitdrukkelijk alleen als het hof bij de man uitgaat van een NBI van minder dan € 2.843,- per maand. In dat geval vindt zij dat gerekend moet worden met het woonbudget. Nu het hof echter uitgaat van een hoger NBI is niet voldaan aan die voorwaarde en neemt het hof de door de rechtbank gehanteerde werkelijke woonlasten in dit geval over. Anders dan de vrouw in hoger beroep betoogt, ziet het hof geen reden om aan de kant van de man daarbij rekening te houden met huurtoeslag. Uit de voorschotbeschikking 2025 volgt dat de man daar niet voor in aanmerking komt. Namens de man is in hoger beroep betoogd dat naast de huur- en servicekosten rekening gehouden moet worden met lokale belastingen (€ 45,- per maand) en polder- en waterschapslasten (€ 18,- per maand), nu deze kosten niet in de gecorrigeerde bijstandsnorm van € 1.310,- zijn verdisconteerd. Het hof is het daarmee eens en zal deze lasten, die onderbouwd zijn met stukken, in de draagkrachtberekening van de man opnemen. Alles bij elkaar heeft de man dan een werkelijke woonlast van € 930,- per maand. 5.11 Uit de stukken blijkt dat de man op 12 februari 2025 tegen 3% rente per jaar een lening van € 4.922,52 heeft afgesloten bij [naam] (een familielid van de man) om zijn openstaande schulden ter hoogte van dat bedrag te voldoen. De rechtbank heeft aanleiding gezien het draagkrachtloos inkomen van de man te verhogen met een bedrag van € 150,- per maand wegens rente en aflossing op deze lening. De vrouw is het daar niet mee eens. Zij bestrijdt de noodzaak van deze lening en is van mening dat het vermijdbare en verwijtbare schulden betreft. Het hof is het eens met de rechtbank dat de man de noodzaak voor het aangaan van deze lening genoegzaam heeft aangetoond en dat de onderliggende schulden niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Het hof neemt rechtsoverweging 5.19. van de rechtbank op dit punt – na eigen onderzoek – over. De man heeft in hoger beroep de vermijdbaarheid en verwijtbaarheid per schuld (nogmaals) gemotiveerd en onderbouwd met stukken weersproken. Uit de stukken in hoger beroep blijkt dat de schuld van de man aan [naam] wegens advocaatkosten op 14 oktober 2025 is verhoogd naar € 11.208,- en om diezelfde reden in februari jl. was opgelopen tot € 13.201,52. Uit de stukken blijkt ook dat de man elke maand € 150,- aan (alleen) aflossing betaalt en over 2025 € 252,62 aan rente heeft betaald. Gezien de toenemende hoogte van de geleende bedragen en het met [naam] afgesproken rentepercentage acht het hof het conform de stelling van de man redelijk om naast de aflossing rekening te houden met een bedrag van € 25,- per maand aan rente. Het hof zal het draagkrachtloos inkomen van de man daarom corrigeren met een bedrag van € 175,- per maand. 5.12 Uit de berekening op blad 8 volgt dan verder dat de man met voormeld NBI een draagkracht heeft van € 364,- per maand. Draagkracht vrouw 5.13 Het NBI van de vrouw is tussen partijen in geschil. Uit de salarisspecificaties van de vrouw van (2024 en) 2025 blijkt dat de vrouw in loondienst werkt en een aanstelling heeft van 70%. De man heeft de onderbouwde stelling van de vrouw dat zij al vanaf de geboorte van de tweeling 70% werkt onvoldoende weersproken. Uit de salarisspecificaties van (2024 en) 2025 blijkt voorts dat de vrouw gebruikmaakt van een regeling voor onbetaald ouderschapsverlof waardoor haar inkomen feitelijk is gedaald naar 60%. Overeenkomstig de stelling van de vrouw heeft de rechtbank gerekend met dit lagere inkomen van € 28.512,- per jaar. De man is het daar niet mee eens. Hij vindt dat het onbetaald ouderschapsverlof bij de bepaling van het NBI van de vrouw buiten beschouwing moet blijven en uitgegaan moet worden van een belastbaar loon van € 31.590,- per jaar. De man gebruikt daarvoor hetzelfde argument als de vrouw in de omgekeerde situatie, namelijk dat de financiële gevolgen van de keuze van de vrouw om minder te gaan werken niet op de kinderen afgewenteld mogen worden. De man had graag gezien dat de vrouw over het opnemen van onbetaald ouderschapsverlof met hem overleg had gevoerd. Hij voert aan dat zijn ouders wel een dag hadden willen oppassen. Om dezelfde redenen als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, oordeelt het hof dat redelijkerwijs rekening gehouden moet worden met het onbetaald ouderschapsverlof van de vrouw. Aangezien partijen de gevolgen van hun relatiebreuk voor de kinderen via de rechter hebben moeten regelen lijkt het door de man gewenste overleg niet reëel.
Volledig
Het hof zal aansluiten bij de wens van [de minderjarige1] en de situatie laten zoals die is. Het hof acht dat in het belang van [de minderjarige1] . Zij is elf jaar en heeft duidelijk haar mening uitgesproken. Het belang van de tweeling volgt hierbij het belang van [de minderjarige1] en niet gebleken is dat een ander aanvangstijdstip in hun belang zou zijn. Kinderalimentatie 5.3 De richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatie zullen worden toegepast. Ingangsdatum 5.4 Het hof is van oordeel dat 13 februari 2025 als ingangsdatum moet worden gehanteerd, omdat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie op die datum bij de rechtbank is ingediend en het hof in hetgeen de vrouw heeft gesteld geen aanleiding ziet van een andere datum uit te gaan. Behoefte kinderen 5.5 Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2025 € 542,- per kind per maand bedroeg. Draagkracht man 5.6 Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken. 5.7 Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt nemen. Gelet op hetgeen onder 5.4 ten aanzien van de ingangsdatum wordt overwogen zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 13 februari 2025. 5.8 Het NBI van de man is in geschil. Uit de stukken blijkt dat de man parttime (90%) werkt in loondienst. Voor het resterende deel stelt de man onbetaald ouderschapsverlof te hebben opgenomen. De vrouw vindt dat rekening gehouden moet worden met een fulltime salaris. Volgens haar mogen de financiële gevolgen van de keuze van de man om niet 100% te werken niet op de kinderen afgewenteld worden. Uit de stukken blijkt dat de man in 2020 ook al niet meer dan 90% werkte. Partijen woonden toen nog samen en de tweeling was kort daarvoor geboren. Het ligt voor de hand dat partijen destijds samen hebben afgesproken dat de man minder zou gaan werken om ook een deel van de zorg voor de kinderen op zich te kunnen nemen (en kosten van kinderopvang uit te sparen), zoals de man stelt. Het hof is daarom van oordeel dat rekening gehouden moet worden met het feit dat de man ouderschapsverlof opneemt en een parttime aanstelling van 90% heeft. Uit de jaaropgave 2025 volgt voor de man een inkomen van € 45.320,-. De man heeft voldoende onderbouwd gesteld dat dit salaris nog gecorrigeerd moet worden omdat daar een eenmalige gratificatie in zit. De man heeft in juli 2025 een jubileumuitkering gekregen omdat hij toen 12,5 jaar in dienst was. Het door de man gecorrigeerde jaarinkomen van (€ 45.320 – € 2.398,20 =) € 42.921,80 als zodanig is door de vrouw niet bestreden. Het hof zal daarvan uitgaan. 5.9 Uit de berekening op blad 8 volgt dat het NBI van de man € 2.935,- per maand bedraagt. Van dat inkomen heeft hij een deel nodig om de eigen noodzakelijke lasten te voldoen: het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bedraagt volgens de in 2025 geldende formule 30% van het NBI – primair ter bestrijding van woonlasten – plus € 1.310,- (tarieven 2025-I) ter bestrijding van de overige lasten. Van het resterende inkomen is 70% beschikbaar voor de betaling van kinderalimentatie: de draagkracht. 5.10 De rechtbank zag reden om aan de zijde van de man uit te gaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het forfait van 30% (het woonbudget). De rechtbank rekende met een woonlast van € 867,- per maand voor kale huur en servicekosten. De vrouw heeft hier een voorwaardelijke grief tegen gericht, uitdrukkelijk alleen als het hof bij de man uitgaat van een NBI van minder dan € 2.843,- per maand. In dat geval vindt zij dat gerekend moet worden met het woonbudget. Nu het hof echter uitgaat van een hoger NBI is niet voldaan aan die voorwaarde en neemt het hof de door de rechtbank gehanteerde werkelijke woonlasten in dit geval over. Anders dan de vrouw in hoger beroep betoogt, ziet het hof geen reden om aan de kant van de man daarbij rekening te houden met huurtoeslag. Uit de voorschotbeschikking 2025 volgt dat de man daar niet voor in aanmerking komt. Namens de man is in hoger beroep betoogd dat naast de huur- en servicekosten rekening gehouden moet worden met lokale belastingen (€ 45,- per maand) en polder- en waterschapslasten (€ 18,- per maand), nu deze kosten niet in de gecorrigeerde bijstandsnorm van € 1.310,- zijn verdisconteerd. Het hof is het daarmee eens en zal deze lasten, die onderbouwd zijn met stukken, in de draagkrachtberekening van de man opnemen. Alles bij elkaar heeft de man dan een werkelijke woonlast van € 930,- per maand. 5.11 Uit de stukken blijkt dat de man op 12 februari 2025 tegen 3% rente per jaar een lening van € 4.922,52 heeft afgesloten bij [naam] (een familielid van de man) om zijn openstaande schulden ter hoogte van dat bedrag te voldoen. De rechtbank heeft aanleiding gezien het draagkrachtloos inkomen van de man te verhogen met een bedrag van € 150,- per maand wegens rente en aflossing op deze lening. De vrouw is het daar niet mee eens. Zij bestrijdt de noodzaak van deze lening en is van mening dat het vermijdbare en verwijtbare schulden betreft. Het hof is het eens met de rechtbank dat de man de noodzaak voor het aangaan van deze lening genoegzaam heeft aangetoond en dat de onderliggende schulden niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Het hof neemt rechtsoverweging 5.19. van de rechtbank op dit punt – na eigen onderzoek – over. De man heeft in hoger beroep de vermijdbaarheid en verwijtbaarheid per schuld (nogmaals) gemotiveerd en onderbouwd met stukken weersproken. Uit de stukken in hoger beroep blijkt dat de schuld van de man aan [naam] wegens advocaatkosten op 14 oktober 2025 is verhoogd naar € 11.208,- en om diezelfde reden in februari jl. was opgelopen tot € 13.201,52. Uit de stukken blijkt ook dat de man elke maand € 150,- aan (alleen) aflossing betaalt en over 2025 € 252,62 aan rente heeft betaald. Gezien de toenemende hoogte van de geleende bedragen en het met [naam] afgesproken rentepercentage acht het hof het conform de stelling van de man redelijk om naast de aflossing rekening te houden met een bedrag van € 25,- per maand aan rente. Het hof zal het draagkrachtloos inkomen van de man daarom corrigeren met een bedrag van € 175,- per maand. 5.12 Uit de berekening op blad 8 volgt dan verder dat de man met voormeld NBI een draagkracht heeft van € 364,- per maand. Draagkracht vrouw 5.13 Het NBI van de vrouw is tussen partijen in geschil. Uit de salarisspecificaties van de vrouw van (2024 en) 2025 blijkt dat de vrouw in loondienst werkt en een aanstelling heeft van 70%. De man heeft de onderbouwde stelling van de vrouw dat zij al vanaf de geboorte van de tweeling 70% werkt onvoldoende weersproken. Uit de salarisspecificaties van (2024 en) 2025 blijkt voorts dat de vrouw gebruikmaakt van een regeling voor onbetaald ouderschapsverlof waardoor haar inkomen feitelijk is gedaald naar 60%. Overeenkomstig de stelling van de vrouw heeft de rechtbank gerekend met dit lagere inkomen van € 28.512,- per jaar. De man is het daar niet mee eens. Hij vindt dat het onbetaald ouderschapsverlof bij de bepaling van het NBI van de vrouw buiten beschouwing moet blijven en uitgegaan moet worden van een belastbaar loon van € 31.590,- per jaar. De man gebruikt daarvoor hetzelfde argument als de vrouw in de omgekeerde situatie, namelijk dat de financiële gevolgen van de keuze van de vrouw om minder te gaan werken niet op de kinderen afgewenteld mogen worden. De man had graag gezien dat de vrouw over het opnemen van onbetaald ouderschapsverlof met hem overleg had gevoerd. Hij voert aan dat zijn ouders wel een dag hadden willen oppassen. Om dezelfde redenen als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, oordeelt het hof dat redelijkerwijs rekening gehouden moet worden met het onbetaald ouderschapsverlof van de vrouw. Aangezien partijen de gevolgen van hun relatiebreuk voor de kinderen via de rechter hebben moeten regelen lijkt het door de man gewenste overleg niet reëel.
Volledig
Een en ander betekent dat door het hof van de feitelijke situatie zal worden uitgegaan. 5.14 De vrouw heeft in hoger beroep geen actuele inkomensgegevens overgelegd. Dat lag wel op haar weg. Het hof ziet daarom aanleiding om uit te gaan van het bruto maandloon dat de vrouw volgens opgave van mr. Aarnoudse ter zitting in januari en februari 2026 heeft ontvangen, te weten € 2.273,40. Rekening houdend met 8% vakantietoeslag resulteert dat in een bruto jaarloon van € 29.458,-. 5.15 Uit de berekening op blad 9 volgt dat het NBI van de vrouw, inclusief kindgebonden budget, € 3.359,- per maand bedraagt. Uit die berekening volgt dan verder dat de vrouw met voormeld NBI een draagkracht heeft van € 729,- per maand. 5.16 Aangezien partijen samen onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien ziet het hof, net als de rechtbank, reden om aan de zijde van de vrouw uit te gaan van haar werkelijke woonlasten die aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. De hoogte van de feitelijke en actuele woonlasten van de vrouw waarmee gerekend moet worden staat ter discussie. De rechtbank is op basis van de toen beschikbare stukken uitgegaan van een netto woonlast van € 345,- per maand (€ 124,- hypotheekrente in 2024 en € 221,- premie spaarhypotheekverzekering). In verband met een aflossing in 2024 op de hypotheek becijfert de man de netto woonlast van de vrouw voor 2025 op € 324,- per maand. De vrouw heeft in hoger beroep geen recente en/of aanvullende stukken met betrekking tot haar woonlasten overgelegd. Anders dan de man heeft de vrouw de door haar in hoger beroep gestelde gemeentelijke en regionale lasten van in totaal € 121,- per maand niet onderbouwd. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat haar (niet in de gecorrigeerde bijstandsnorm verdisconteerde) woonlasten in 2025 hoger zijn dan het door de man gestelde bedrag van € 324,- per maand. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de man heeft de vrouw haar stelling dat zij elke maand € 175,- reserveert voor onderhouds- en/of verbouwingskosten aan de woning evenmin genoegzaam onderbouwd. Dat de woning sterk verouderd is en daarom hoge onderhoudskosten noodzakelijk zijn, is niet gebleken. Uitgaande van de werkelijke woonlasten heeft de vrouw een draagkracht van € 1.209,- per maand. Beschikbare draagkracht per kind 5.17 De behoefte van de kinderen bedraagt in 2025 in totaal € 1.626,- per maand. De ouders beschikken samen over onvoldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Daarom kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Vermindering met de zorgkorting 5.18 De rechtbank heeft een zorgkorting van 25% gehanteerd. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat. 5.19 Het tekort aan draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien moeten de ouders ieder voor de helft dragen en daarom zal het hof de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op de bijdrage. De helft van het tekort bedraagt € 9,- per kind en dat vermindert de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt afgetrokken van het bedrag dat de man dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding. 5.20 Uit de berekening op blad 12 volgt dat de man na aftrek van de zorgkorting geen bijdrage voor de kinderen aan de vrouw meer verschuldigd is. Terugbetalingsverplichting 5.21 Zoals hiervoor is overwogen hanteert het hof als ingangsdatum van de kinderalimentatie 13 februari 2025. 5.22 Niet ter discussie staat dat de man tot en met juni 2025 € 432,39 per maand aan de vrouw heeft betaald ten behoeve van de kinderen, welk bedrag, zoals volgt uit de berekeningen van het hof, boven zijn draagkracht lag. Het hof is van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij het sinds 13 februari 2025 te veel ontvangene aan de man terugbetaalt. Zij is daar sinds de bestreden beschikking al mee begonnen, in die zin dat de man met instemming van de vrouw de door hem teveel betaalde kinderalimentatie al verrekende met de tot nu toe lopende alimentatietermijnen. De vrouw ontvangt dus al maanden feitelijk geen bijdrage meer van de man in de kosten van de kinderen en niet gesteld of gebleken is dat dat voor haar tot onoverkomelijke problemen heeft geleid. 6 De slotsom in het principaal en incidenteel hoger beroep Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking voor zover het de zorgregeling betreft bekrachtigen en voor zover het de kinderalimentatie betreft vernietigen en beslissen als volgt. 7 De beslissing Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 26 juni 2025, wat betreft de zorgregeling voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 26 juni 2025, wat betreft de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw beschikkende: stelt de door de man met ingang van 13 februari 2025 aan te vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2015, [de minderjarige2] , geboren [in] 2019, en [de minderjarige3] , geboren [in] 2019, op nihil; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. K.H.P. Selcraig en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
Een en ander betekent dat door het hof van de feitelijke situatie zal worden uitgegaan. 5.14 De vrouw heeft in hoger beroep geen actuele inkomensgegevens overgelegd. Dat lag wel op haar weg. Het hof ziet daarom aanleiding om uit te gaan van het bruto maandloon dat de vrouw volgens opgave van mr. Aarnoudse ter zitting in januari en februari 2026 heeft ontvangen, te weten € 2.273,40. Rekening houdend met 8% vakantietoeslag resulteert dat in een bruto jaarloon van € 29.458,-. 5.15 Uit de berekening op blad 9 volgt dat het NBI van de vrouw, inclusief kindgebonden budget, € 3.359,- per maand bedraagt. Uit die berekening volgt dan verder dat de vrouw met voormeld NBI een draagkracht heeft van € 729,- per maand. 5.16 Aangezien partijen samen onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien ziet het hof, net als de rechtbank, reden om aan de zijde van de vrouw uit te gaan van haar werkelijke woonlasten die aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. De hoogte van de feitelijke en actuele woonlasten van de vrouw waarmee gerekend moet worden staat ter discussie. De rechtbank is op basis van de toen beschikbare stukken uitgegaan van een netto woonlast van € 345,- per maand (€ 124,- hypotheekrente in 2024 en € 221,- premie spaarhypotheekverzekering). In verband met een aflossing in 2024 op de hypotheek becijfert de man de netto woonlast van de vrouw voor 2025 op € 324,- per maand. De vrouw heeft in hoger beroep geen recente en/of aanvullende stukken met betrekking tot haar woonlasten overgelegd. Anders dan de man heeft de vrouw de door haar in hoger beroep gestelde gemeentelijke en regionale lasten van in totaal € 121,- per maand niet onderbouwd. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat haar (niet in de gecorrigeerde bijstandsnorm verdisconteerde) woonlasten in 2025 hoger zijn dan het door de man gestelde bedrag van € 324,- per maand. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de man heeft de vrouw haar stelling dat zij elke maand € 175,- reserveert voor onderhouds- en/of verbouwingskosten aan de woning evenmin genoegzaam onderbouwd. Dat de woning sterk verouderd is en daarom hoge onderhoudskosten noodzakelijk zijn, is niet gebleken. Uitgaande van de werkelijke woonlasten heeft de vrouw een draagkracht van € 1.209,- per maand. Beschikbare draagkracht per kind 5.17 De behoefte van de kinderen bedraagt in 2025 in totaal € 1.626,- per maand. De ouders beschikken samen over onvoldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Daarom kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Vermindering met de zorgkorting 5.18 De rechtbank heeft een zorgkorting van 25% gehanteerd. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat. 5.19 Het tekort aan draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien moeten de ouders ieder voor de helft dragen en daarom zal het hof de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op de bijdrage. De helft van het tekort bedraagt € 9,- per kind en dat vermindert de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt afgetrokken van het bedrag dat de man dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding. 5.20 Uit de berekening op blad 12 volgt dat de man na aftrek van de zorgkorting geen bijdrage voor de kinderen aan de vrouw meer verschuldigd is. Terugbetalingsverplichting 5.21 Zoals hiervoor is overwogen hanteert het hof als ingangsdatum van de kinderalimentatie 13 februari 2025. 5.22 Niet ter discussie staat dat de man tot en met juni 2025 € 432,39 per maand aan de vrouw heeft betaald ten behoeve van de kinderen, welk bedrag, zoals volgt uit de berekeningen van het hof, boven zijn draagkracht lag. Het hof is van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij het sinds 13 februari 2025 te veel ontvangene aan de man terugbetaalt. Zij is daar sinds de bestreden beschikking al mee begonnen, in die zin dat de man met instemming van de vrouw de door hem teveel betaalde kinderalimentatie al verrekende met de tot nu toe lopende alimentatietermijnen. De vrouw ontvangt dus al maanden feitelijk geen bijdrage meer van de man in de kosten van de kinderen en niet gesteld of gebleken is dat dat voor haar tot onoverkomelijke problemen heeft geleid. 6 De slotsom in het principaal en incidenteel hoger beroep Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking voor zover het de zorgregeling betreft bekrachtigen en voor zover het de kinderalimentatie betreft vernietigen en beslissen als volgt. 7 De beslissing Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 26 juni 2025, wat betreft de zorgregeling voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 26 juni 2025, wat betreft de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw beschikkende: stelt de door de man met ingang van 13 februari 2025 aan te vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2015, [de minderjarige2] , geboren [in] 2019, en [de minderjarige3] , geboren [in] 2019, op nihil; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. K.H.P. Selcraig en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.