Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-07
ECLI:NL:GHARL:2026:2820
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,021 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2820 text/xml public 2026-05-15T12:00:28 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-07 200.362.993/01 en 200.362.993/02 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2025:5194 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2820 text/html public 2026-05-12T10:21:56 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2820 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 07-05-2026 / 200.362.993/01 en 200.362.993/02 kinderalimentatie; draagkracht wederom niet onderbouwd; proceskostenveroordeling GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.362.993/01 en 200.362.993/02 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577927) beschikking van 7 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] (de man), die woont in [woonplaats1] , verzoeker in het principaal hoger beroep en in het verzoek tot schorsing, advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam, en [verweerster] (de vrouw), die woont in [woonplaats2] , verweerster in het principaal hoger beroep en in het verzoek tot schorsing, advocaat: mr. J.C.M. Groenestijn te Almere. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 14 januari 2025 en 24 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 De procedure in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, tevens verzoek tot het schorsen van de werking van de bestreden beschikking, met bijlage(n), ingekomen op 21 december 2025; - een journaalbericht namens de man van 13 januari 2026 met bijlage(n); - het verweerschrift in het principaal hoger beroep en tegen het verzoek tot schorsing met bijlage(n). 2.2. De hierna te noemen [de minderjarige1] heeft bij brief, binnengekomen bij het hof op 17 maart 2026, haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek. 2.3. De mondelinge behandeling heeft op 8 april 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen met hun advocaten. Nagekomen stukken 2.4. Het hof heeft op 7 april 2026 (daags voor de zitting) van de zijde van de man een tweetal e-mails ontvangen, respectievelijk om 11:31 uur en 21:52 uur, met een aantal producties betreffende zijn financiële situatie. Tijdens de mondelinge behandeling zijn deze producties door beide advocaten kort besproken, zowel op het punt van het tijdstip van indiening als inhoudelijk, waarop mr. Aalmoes namens de man heeft geconcludeerd dat er geen acht hoeft te worden geslagen op deze stukken en dat de stukken als niet ingediend moeten worden beschouwd. Het hof zal daarom de e-mails van 7 april 2026 met de bijbehorende producties niet in zijn oordeel over de kinderalimentatie betrekken. 3 De feiten 3.1. De man en de vrouw zijn de ouders van: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2010; - [de minderjarige2] , geboren [in] 2015. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 3.2. De vrouw heeft [in] 2024 met haar huidige partner, de heer [naam] (hierna: [naam] ), een tweeling gekregen. 3.3. Bij beschikking van 18 januari 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bepaald dat de man met ingang van 18 oktober 2023 een bedrag van € 152,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: de kinderalimentatie). 3.4. De man heeft de rechtbank op 1 juli 2024 verzocht – voor zover hier van belang – om genoemde bijdrage met ingang van 1 juli 2024 te wijzigen/verlagen naar € 25,- per kind per maand. 3.5. De vrouw heeft verweer gevoerd en bij zelfstandig verzoek, ingekomen bij de rechtbank op 3 september 2024, verzocht om de bijdrage voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van laatstgenoemde datum te verhogen naar € 273,- per kind per maand. 3.6. De rechtbank heeft bij beschikking 14 januari 2024 de beslissing over de kinderalimentatie aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om nadere financiële stukken over te leggen. 4 Het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking is (met wijziging van de beschikking van 18 januari 2024) de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 3 september 2024 bepaald op € 262,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2025 op € 279,03 per kind per maand. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders door de man en de vrouw verzochte is door de rechtbank afgewezen. 4.2. De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de tweede grief ziet op de draagkracht van man. De overige in het beroepschrift (onder de tweede grief) ingenomen stellingen van de man, die betrekking hebben op het woonbudget van de vrouw en haar partner en op de zorgkorting, heeft de man tijdens de zitting ingetrokken. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2024, althans met ingang van 3 september 2024, althans met ingang van 1 januari 2025, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, derhalve met terugwerkende kracht, te bepalen op € 25,- per kind per maand dan wel op een zodanig bedrag als het hof juist acht. Bij wege van incidenteel verzoek heeft de man in verband met de door hem gestelde financiële noodtoestand het hof verzocht te bepalen dat de werking van de bestreden beschikking in afwachting van de uitkomst van het beroep wordt geschorst. 4.3. De vrouw voert verweer en zij verzoekt de verzoeken van de man zowel in het incident als in de hoofdzaak af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep, inclusief eventuele nakosten, dit conform het liquidatietarief. 5 De overwegingen voor de beslissing Schorsingsverzoek (200.362.993/02) 5.1. De man heeft het schorsingsverzoek tijdens de zitting ingetrokken. Dit brengt mee dat het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn schorsingsverzoek. In de hoofdzaak (200.362.993/01) 5.2. Op grond van artikel 1:404 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. De onderhoudsverplichting wordt begrensd door enerzijds de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en anderzijds de draagkracht van de ouders. De ouders dienen naar rato van draagkracht bij te dragen in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . 5.3. Het hof is van oordeel dat de man het hof onvoldoende informatie heeft gegeven om de behoefte van de kinderen en zijn draagkracht op een andere manier vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Hij heeft zijn stellingen in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom zijn verzoek afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen. 5.4. Los van het feit dat het hof voor een berekening van de behoefte van de kinderen de benodigde gegevens mist, omdat die door de man niet zijn aangereikt, is er naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding om de behoefte van de kinderen te becijferen op basis van de methode die geldt voor ouders die nimmer hebben samengeleefd, zoals de man heeft bepleit. Het hof stelt daarbij vast dat ter zitting van het hof is komen vast te staan dat partijen wel degelijk, namelijk tot en met 2015, als gezin hebben samengewoond en dat zij daarna hun relatie nog geruime tijd hebben voortgezet, zij het vanuit afzonderlijke woningen. Hun relatie is vervolgens verbroken in 2017/2018. Er was dan ook voldoende grond voor de rechtbank om bij het bepalen van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit te gaan van de door de vrouw gestelde inkomens van de man en de vrouw in 2017. Het hof ziet geen reden daarvan af te wijken. 5.5.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2820 text/xml public 2026-05-15T12:00:28 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-07 200.362.993/01 en 200.362.993/02 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2025:5194 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2820 text/html public 2026-05-12T10:21:56 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2820 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 07-05-2026 / 200.362.993/01 en 200.362.993/02 kinderalimentatie; draagkracht wederom niet onderbouwd; proceskostenveroordeling GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.362.993/01 en 200.362.993/02 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577927) beschikking van 7 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] (de man), die woont in [woonplaats1] , verzoeker in het principaal hoger beroep en in het verzoek tot schorsing, advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam, en [verweerster] (de vrouw), die woont in [woonplaats2] , verweerster in het principaal hoger beroep en in het verzoek tot schorsing, advocaat: mr. J.C.M. Groenestijn te Almere. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 14 januari 2025 en 24 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 De procedure in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, tevens verzoek tot het schorsen van de werking van de bestreden beschikking, met bijlage(n), ingekomen op 21 december 2025; - een journaalbericht namens de man van 13 januari 2026 met bijlage(n); - het verweerschrift in het principaal hoger beroep en tegen het verzoek tot schorsing met bijlage(n). 2.2. De hierna te noemen [de minderjarige1] heeft bij brief, binnengekomen bij het hof op 17 maart 2026, haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek. 2.3. De mondelinge behandeling heeft op 8 april 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen met hun advocaten. Nagekomen stukken 2.4. Het hof heeft op 7 april 2026 (daags voor de zitting) van de zijde van de man een tweetal e-mails ontvangen, respectievelijk om 11:31 uur en 21:52 uur, met een aantal producties betreffende zijn financiële situatie. Tijdens de mondelinge behandeling zijn deze producties door beide advocaten kort besproken, zowel op het punt van het tijdstip van indiening als inhoudelijk, waarop mr. Aalmoes namens de man heeft geconcludeerd dat er geen acht hoeft te worden geslagen op deze stukken en dat de stukken als niet ingediend moeten worden beschouwd. Het hof zal daarom de e-mails van 7 april 2026 met de bijbehorende producties niet in zijn oordeel over de kinderalimentatie betrekken. 3 De feiten 3.1. De man en de vrouw zijn de ouders van: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2010; - [de minderjarige2] , geboren [in] 2015. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 3.2. De vrouw heeft [in] 2024 met haar huidige partner, de heer [naam] (hierna: [naam] ), een tweeling gekregen. 3.3. Bij beschikking van 18 januari 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bepaald dat de man met ingang van 18 oktober 2023 een bedrag van € 152,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: de kinderalimentatie). 3.4. De man heeft de rechtbank op 1 juli 2024 verzocht – voor zover hier van belang – om genoemde bijdrage met ingang van 1 juli 2024 te wijzigen/verlagen naar € 25,- per kind per maand. 3.5. De vrouw heeft verweer gevoerd en bij zelfstandig verzoek, ingekomen bij de rechtbank op 3 september 2024, verzocht om de bijdrage voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van laatstgenoemde datum te verhogen naar € 273,- per kind per maand. 3.6. De rechtbank heeft bij beschikking 14 januari 2024 de beslissing over de kinderalimentatie aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om nadere financiële stukken over te leggen. 4 Het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking is (met wijziging van de beschikking van 18 januari 2024) de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 3 september 2024 bepaald op € 262,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2025 op € 279,03 per kind per maand. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders door de man en de vrouw verzochte is door de rechtbank afgewezen. 4.2. De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de tweede grief ziet op de draagkracht van man. De overige in het beroepschrift (onder de tweede grief) ingenomen stellingen van de man, die betrekking hebben op het woonbudget van de vrouw en haar partner en op de zorgkorting, heeft de man tijdens de zitting ingetrokken. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2024, althans met ingang van 3 september 2024, althans met ingang van 1 januari 2025, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, derhalve met terugwerkende kracht, te bepalen op € 25,- per kind per maand dan wel op een zodanig bedrag als het hof juist acht. Bij wege van incidenteel verzoek heeft de man in verband met de door hem gestelde financiële noodtoestand het hof verzocht te bepalen dat de werking van de bestreden beschikking in afwachting van de uitkomst van het beroep wordt geschorst. 4.3. De vrouw voert verweer en zij verzoekt de verzoeken van de man zowel in het incident als in de hoofdzaak af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep, inclusief eventuele nakosten, dit conform het liquidatietarief. 5 De overwegingen voor de beslissing Schorsingsverzoek (200.362.993/02) 5.1. De man heeft het schorsingsverzoek tijdens de zitting ingetrokken. Dit brengt mee dat het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn schorsingsverzoek. In de hoofdzaak (200.362.993/01) 5.2. Op grond van artikel 1:404 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. De onderhoudsverplichting wordt begrensd door enerzijds de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en anderzijds de draagkracht van de ouders. De ouders dienen naar rato van draagkracht bij te dragen in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . 5.3. Het hof is van oordeel dat de man het hof onvoldoende informatie heeft gegeven om de behoefte van de kinderen en zijn draagkracht op een andere manier vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Hij heeft zijn stellingen in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom zijn verzoek afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen. 5.4. Los van het feit dat het hof voor een berekening van de behoefte van de kinderen de benodigde gegevens mist, omdat die door de man niet zijn aangereikt, is er naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding om de behoefte van de kinderen te becijferen op basis van de methode die geldt voor ouders die nimmer hebben samengeleefd, zoals de man heeft bepleit. Het hof stelt daarbij vast dat ter zitting van het hof is komen vast te staan dat partijen wel degelijk, namelijk tot en met 2015, als gezin hebben samengewoond en dat zij daarna hun relatie nog geruime tijd hebben voortgezet, zij het vanuit afzonderlijke woningen. Hun relatie is vervolgens verbroken in 2017/2018. Er was dan ook voldoende grond voor de rechtbank om bij het bepalen van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit te gaan van de door de vrouw gestelde inkomens van de man en de vrouw in 2017. Het hof ziet geen reden daarvan af te wijken. 5.5.