Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-29
ECLI:NL:GHARL:2026:2714
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,075 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2714 text/xml public 2026-05-15T11:00:59 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-29 24/2021 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026051311 NLF 2026/0962 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2714 text/html public 2026-05-13T10:54:16 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2714 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 29-04-2026 / 24/2021 Dividendbelasting. Verzuimboete wegens niet tijdig betalen. GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/2021 uitspraakdatum: 29 april 2026 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [verstigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 oktober 2024, nummer 23/2532, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Bij beschikking van 7 februari 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete (hierna: boete) ten bedrage van € 5.170 opgelegd wegens het niet tijdig betalen van dividendbelasting ten bedrage van € 172.350. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 december 2022 het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de boete verminderd tot € 2.000. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens de Inspecteur, [naam1] , bijgestaan door [naam2] , [naam3] en [naam4] . Namens belanghebbende is, hoewel daartoe op wettelijk voorgeschreven wijze uitgenodigd te zijn, niemand verschenen. 1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is een besloten vennootschap en functioneert als topholding van een groep vennootschappen die samen de [groep] vormen. Belanghebbende bezit 100 procent van de aandelen in [subholding] . [subholding] is aandeelhouder van de werkmaatschappijen, ongeveer 20 binnen- en buitenlandse vennootschappen. De aandeelhouders van belanghebbende zijn natuurlijke personen. 2.2. De [groep] heeft op 22 september 2014 een Individueel Convenant Horizontaal toezicht met de Belastingdienst gesloten. 2.3. Op 2 september 2019 heeft belanghebbende aan haar aandeelhouders, onder inhouding van € 172.350 dividendbelasting, een dividenduitkering gedaan van € 1.149.000. Belanghebbende heeft ter zake daarvan met dagtekening 28 oktober 2019 en door de Inspecteur op 30 oktober 2019 ontvangen, aangifte dividendbelasting gedaan. De aangifte is ingediend door de afdeling van de [groep] die ook de aangiften loonheffing en omzetbelasting van de Nederlandse groep verzorgt. 2.4. Het bedrag van de onder 2.3 genoemde dividendbelasting is op 29 oktober 2019 aan de Belastingdienst betaald. 3 Geschil en standpunten van partijen 3.1. In geschil is of de Inspecteur terecht een boete heeft opgelegd. 3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het gaat om een verzuim met een bagatelkarakter dat bovendien door belanghebbende uit eigen beweging is gecorrigeerd zonder bemoeienis van de Inspecteur. Daarnaast is sprake van een eerste verzuim. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur ten onrechte geen rekening gehouden met het Verzuimboetebeleid zoals neergelegd in de brief van de Staatssecretaris van financiën aan de Tweede Kamer van 4 oktober 2022, nr. 2022-0000215034 waarin staat dat een eerste betalingsverzuim bij aangiftebelastingen niet altijd tot het opleggen van een verzuimboete leidt. Volgens belanghebbende komen zij en de aan haar gelieerde vennootschappen altijd pijnlijk nauwkeurig hun verplichtingen na. Voor de Belastingdienst is er geen noemenswaardige schade. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur bovendien zelf heeft erkend dat de boete te hoog is. De boete is daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Inspecteur had aan de verlaging van de boete niet de voorwaarde mogen verbinden dat belanghebbende zou afzien van rechtsbescherming. Ten slotte stelt belanghebbende dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het Convenant Horizontaal Toezicht dat zij met de Belastingdienst heeft gesloten. De boete moet op grond van het voorgaande worden vernietigd dan wel in aanzienlijke mate worden verlaagd. 3.3. De Inspecteur heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Hij wijst erop dat het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst niet meer in verzuimreeksen voorziet. De Inspecteur stelt bij wijze van compromis te hebben voorgesteld om de boete te verlagen tot € 1.000, maar dat belanghebbende dat aanbod niet heeft geaccepteerd. Het maken van een vergissing is volgens de Inspecteur geen matigingsgrond. De dividendbelasting is uitgesloten van horizontaal toezicht. 4 van het geschil 4.1. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting (Wet DB) wordt de belasting geheven door inhouding op de opbrengst. Ingevolge het tweede lid van artikel 7 van de Wet DB is inhoudingsplichtig de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is. In het derde lid van artikel 7 van de Wet DB is bepaald dat de inhoudingsplichtige verplicht is de belasting in te houden op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet DB is de inhoudingsplichtige verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen. 4.2. Op grond van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voor zover van belang, geldt voor tijdstipbelastingen dat de inhoudingsplichtige gehouden is om de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. 4.3. In artikel 67c van de AWR (tekst geldend vanaf 1 januari 2015 tot 1 januari 2020) is, voor zover van belang, bepaald dat indien de inhoudingsplichtige de belasting die op aangifte moet worden afgedragen niet binnen de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 kan worden opgelegd. 4.4. Paragraaf 23 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) heeft als opschrift ‘Betalingsverzuimboete aangiftebelasting artikel 67c van de AWR’. Daarin is onder meer het volgende bepaald: “1. Deze paragraaf ziet op betalingsverzuimen in het (periodieke) betalingspatroon. Constatering van een dergelijk betalingsverzuim vindt doorgaans plaats door geautomatiseerde vergelijking van de betaling met de gedane aangifte. Is er geen aangifte gedaan, dan wordt er veelal geautomatiseerd een naheffingsaanslag met een geschat bedrag opgelegd. Inhoudelijke toetsing van de op aangifte vermelde belastingschuld aan de materiële belastingschuld vindt in deze fase niet plaats. Deze paragraaf ziet derhalve niet op onjuistheden in het betalingsgedrag die pas bij de hiervoor genoemde inhoudelijke toetsing (…) aan het licht komen (zie §24).” Op grond van paragraaf 23, derde lid, van het BBBB, voor zover van belang, legt de inspecteur in geval van een betalingsverzuim een boete op van drie procent van de niet binnen de termijn betaalde belasting tot het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR. De boete wordt minimaal gesteld op € 50. 4.5. Paragraaf 24 van het BBBB heeft als opschrift ‘Verzuimboete aangiftebelasting betalingsverzuim gebleken onjuistheden artikel 67c van de AWR’. Daarin is onder meer het volgende bepaald: “1. Anders dan §23 ziet deze paragraaf op de situatie waarin niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2714 text/xml public 2026-05-15T11:00:59 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-29 24/2021 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026051311 NLF 2026/0962 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2714 text/html public 2026-05-13T10:54:16 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2714 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 29-04-2026 / 24/2021 Dividendbelasting. Verzuimboete wegens niet tijdig betalen. GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/2021 uitspraakdatum: 29 april 2026 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [verstigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 oktober 2024, nummer 23/2532, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Bij beschikking van 7 februari 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete (hierna: boete) ten bedrage van € 5.170 opgelegd wegens het niet tijdig betalen van dividendbelasting ten bedrage van € 172.350. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 december 2022 het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de boete verminderd tot € 2.000. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens de Inspecteur, [naam1] , bijgestaan door [naam2] , [naam3] en [naam4] . Namens belanghebbende is, hoewel daartoe op wettelijk voorgeschreven wijze uitgenodigd te zijn, niemand verschenen. 1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is een besloten vennootschap en functioneert als topholding van een groep vennootschappen die samen de [groep] vormen. Belanghebbende bezit 100 procent van de aandelen in [subholding] . [subholding] is aandeelhouder van de werkmaatschappijen, ongeveer 20 binnen- en buitenlandse vennootschappen. De aandeelhouders van belanghebbende zijn natuurlijke personen. 2.2. De [groep] heeft op 22 september 2014 een Individueel Convenant Horizontaal toezicht met de Belastingdienst gesloten. 2.3. Op 2 september 2019 heeft belanghebbende aan haar aandeelhouders, onder inhouding van € 172.350 dividendbelasting, een dividenduitkering gedaan van € 1.149.000. Belanghebbende heeft ter zake daarvan met dagtekening 28 oktober 2019 en door de Inspecteur op 30 oktober 2019 ontvangen, aangifte dividendbelasting gedaan. De aangifte is ingediend door de afdeling van de [groep] die ook de aangiften loonheffing en omzetbelasting van de Nederlandse groep verzorgt. 2.4. Het bedrag van de onder 2.3 genoemde dividendbelasting is op 29 oktober 2019 aan de Belastingdienst betaald. 3 Geschil en standpunten van partijen 3.1. In geschil is of de Inspecteur terecht een boete heeft opgelegd. 3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het gaat om een verzuim met een bagatelkarakter dat bovendien door belanghebbende uit eigen beweging is gecorrigeerd zonder bemoeienis van de Inspecteur. Daarnaast is sprake van een eerste verzuim. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur ten onrechte geen rekening gehouden met het Verzuimboetebeleid zoals neergelegd in de brief van de Staatssecretaris van financiën aan de Tweede Kamer van 4 oktober 2022, nr. 2022-0000215034 waarin staat dat een eerste betalingsverzuim bij aangiftebelastingen niet altijd tot het opleggen van een verzuimboete leidt. Volgens belanghebbende komen zij en de aan haar gelieerde vennootschappen altijd pijnlijk nauwkeurig hun verplichtingen na. Voor de Belastingdienst is er geen noemenswaardige schade. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur bovendien zelf heeft erkend dat de boete te hoog is. De boete is daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Inspecteur had aan de verlaging van de boete niet de voorwaarde mogen verbinden dat belanghebbende zou afzien van rechtsbescherming. Ten slotte stelt belanghebbende dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het Convenant Horizontaal Toezicht dat zij met de Belastingdienst heeft gesloten. De boete moet op grond van het voorgaande worden vernietigd dan wel in aanzienlijke mate worden verlaagd. 3.3. De Inspecteur heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Hij wijst erop dat het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst niet meer in verzuimreeksen voorziet. De Inspecteur stelt bij wijze van compromis te hebben voorgesteld om de boete te verlagen tot € 1.000, maar dat belanghebbende dat aanbod niet heeft geaccepteerd. Het maken van een vergissing is volgens de Inspecteur geen matigingsgrond. De dividendbelasting is uitgesloten van horizontaal toezicht. 4 van het geschil 4.1. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting (Wet DB) wordt de belasting geheven door inhouding op de opbrengst. Ingevolge het tweede lid van artikel 7 van de Wet DB is inhoudingsplichtig de vennootschap die de opbrengst verschuldigd is. In het derde lid van artikel 7 van de Wet DB is bepaald dat de inhoudingsplichtige verplicht is de belasting in te houden op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet DB is de inhoudingsplichtige verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen. 4.2. Op grond van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voor zover van belang, geldt voor tijdstipbelastingen dat de inhoudingsplichtige gehouden is om de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. 4.3. In artikel 67c van de AWR (tekst geldend vanaf 1 januari 2015 tot 1 januari 2020) is, voor zover van belang, bepaald dat indien de inhoudingsplichtige de belasting die op aangifte moet worden afgedragen niet binnen de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 kan worden opgelegd. 4.4. Paragraaf 23 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) heeft als opschrift ‘Betalingsverzuimboete aangiftebelasting artikel 67c van de AWR’. Daarin is onder meer het volgende bepaald: “1. Deze paragraaf ziet op betalingsverzuimen in het (periodieke) betalingspatroon. Constatering van een dergelijk betalingsverzuim vindt doorgaans plaats door geautomatiseerde vergelijking van de betaling met de gedane aangifte. Is er geen aangifte gedaan, dan wordt er veelal geautomatiseerd een naheffingsaanslag met een geschat bedrag opgelegd. Inhoudelijke toetsing van de op aangifte vermelde belastingschuld aan de materiële belastingschuld vindt in deze fase niet plaats. Deze paragraaf ziet derhalve niet op onjuistheden in het betalingsgedrag die pas bij de hiervoor genoemde inhoudelijke toetsing (…) aan het licht komen (zie §24).” Op grond van paragraaf 23, derde lid, van het BBBB, voor zover van belang, legt de inspecteur in geval van een betalingsverzuim een boete op van drie procent van de niet binnen de termijn betaalde belasting tot het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR. De boete wordt minimaal gesteld op € 50. 4.5. Paragraaf 24 van het BBBB heeft als opschrift ‘Verzuimboete aangiftebelasting betalingsverzuim gebleken onjuistheden artikel 67c van de AWR’. Daarin is onder meer het volgende bepaald: “1. Anders dan §23 ziet deze paragraaf op de situatie waarin niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven.
Volledig
Deze paragraaf ziet op situaties waarin de inspecteur niet in het kader van het periodieke betalingspatroon maar pas naderhand heeft kunnen constateren dat belanghebbende de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn heeft afgedragen of voldaan, omdat er te weinig belasting is aangegeven. Deze paragraaf ziet dus ook op de situatie dat belanghebbende niet heeft betaald, omdat hij ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.” Op grond van het tweede lid, voor zover van belang, legt de inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting tot het wettelijk maximum van artikel 67c, eerste lid, van de AWR. De boete wordt minimaal gesteld op € 50. 4.6. Met ingang van 2 juni 2023 is paragraaf 24 van het BBBB aangevuld met de leden 6 en 7. In lid 7 is sindsdien bepaald dat de boete van paragraaf 24 van het BBBB niet wordt opgelegd voor zover sprake is van een vrijwillige verbetering in de zin van paragraaf 5 van het BBBB. In de toelichting daarbij staat vermeld dat de gewijzigde beleidsregels ook kunnen worden toegepast op beboetbare feiten die daarvóór zijn begaan, mits ter zake daarvan nog geen boete is opgelegd of de boete nog niet onherroepelijk vaststaat. 4.7. In paragraaf 5, eerste lid, van het BBBB is bepaald dat van een vrijwillige verbetering sprake is als belanghebbende voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald. In het tweede lid van paragraaf 5 van het BBBB is bepaald dat van uitdrukkelijk kenbaar maken sprake is indien belanghebbende een afzonderlijke opgave verstrekt die de inspecteur in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste belastingaanslag op te leggen. 4.8. Op 2 september 2019 heeft belanghebbende, onder inhouding van een bedrag van € 172.350 aan dividendbelasting aan haar aandeelhouders een dividenduitkering gedaan van € 1.149.000. Uit artikel 19, derde lid, van de AWR volgt dat de ingehouden belasting uiterlijk binnen een maand, dat wil zeggen uiterlijk op 2 oktober 2019, had moeten worden betaald. De belasting is betaald op 29 oktober 2019. Dat is 27 dagen te laat. De opgelegde boete van € 5.170 bedraagt 3 procent van de afgedragen dividendbelasting (3 procent van € 172.350), en is daarmee in overeenstemming met het bepaalde in paragraaf 23, derde lid, van het BBBB. 4.9. In de slotzin van paragraaf 24, eerste lid, van het BBBB is, zoals in 4.5 is overwogen, bepaald dat die paragraaf ook ziet op de situatie dat belanghebbende niet heeft betaald, omdat hij ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte. Die situatie doet zich hier voor. De gedraging van belanghebbende valt daarmee niet alleen onder paragraaf 23 van het BBBB, maar ook onder paragraaf 24 van het BBBB. Daarmee is in beginsel ook de regeling voor vrijwillige verbetering opgenomen in paragraaf 24, zevende lid, van het BBBB van toepassing. Alsdan is de vraag of sprake is van vrijwillige verbetering als bedoeld in paragraaf 5 van het BBBB. Belanghebbende heeft op 30 oktober 2019 alsnog aangifte gedaan en de belasting daarop afgedragen. Daarmee heeft zij uitdrukkelijk kenbaar gemaakt aan de Inspecteur dat en tot welk bedrag de belasting niet of gedeeltelijk niet was betaald. Niet in geschil is dat belanghebbende toen niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de Inspecteur bekend was of zou worden met het feit dat ten onrechte geen dividendbelasting was betaald. Er is derhalve sprake van een vrijwillige verbetering. De boete staat niet onherroepelijk vast. Paragraaf 24, zevende lid, van het BBBB is daarom van toepassing. De beroepsgrond van belanghebbende dat geen boete kan worden opgelegd, omdat zij spontaan, zonder bemoeienis van de Inspecteur, heeft betaald, slaagt daarom. 4.10 Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en moet de boete worden vernietigd. 4.11. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn 4.12. Beoordeeld moet worden of er aanleiding is voor toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Of op het aan de beboete toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk wordt gemaakt, hangt af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden vermeld. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen. De boete is opgelegd op 7 februari 2020. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 10 oktober 2024. Daarmee is de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn niet verder overschreden. Nu de boete wordt vernietigd, kan geen compensatie worden verleend door vermindering van de boete. Belanghebbende heeft geen verzoek gedaan om een immateriële schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn. Volstaan moet daarom worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 5 Griffierecht en proceskosten Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden. Het Hof ziet geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Niet gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking zouden komen. 6 Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, – vernietigt de uitspraak op bezwaar, – verklaart het bezwaar gegrond, – vernietigt de boetebeschikking, – gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 365 in verband met de behandeling van het beroep en € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van mr. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is op 29 april 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (S. Darwinkel) (E.C.G. Okhuizen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.
Volledig
Deze paragraaf ziet op situaties waarin de inspecteur niet in het kader van het periodieke betalingspatroon maar pas naderhand heeft kunnen constateren dat belanghebbende de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn heeft afgedragen of voldaan, omdat er te weinig belasting is aangegeven. Deze paragraaf ziet dus ook op de situatie dat belanghebbende niet heeft betaald, omdat hij ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.” Op grond van het tweede lid, voor zover van belang, legt de inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting tot het wettelijk maximum van artikel 67c, eerste lid, van de AWR. De boete wordt minimaal gesteld op € 50. 4.6. Met ingang van 2 juni 2023 is paragraaf 24 van het BBBB aangevuld met de leden 6 en 7. In lid 7 is sindsdien bepaald dat de boete van paragraaf 24 van het BBBB niet wordt opgelegd voor zover sprake is van een vrijwillige verbetering in de zin van paragraaf 5 van het BBBB. In de toelichting daarbij staat vermeld dat de gewijzigde beleidsregels ook kunnen worden toegepast op beboetbare feiten die daarvóór zijn begaan, mits ter zake daarvan nog geen boete is opgelegd of de boete nog niet onherroepelijk vaststaat. 4.7. In paragraaf 5, eerste lid, van het BBBB is bepaald dat van een vrijwillige verbetering sprake is als belanghebbende voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald. In het tweede lid van paragraaf 5 van het BBBB is bepaald dat van uitdrukkelijk kenbaar maken sprake is indien belanghebbende een afzonderlijke opgave verstrekt die de inspecteur in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste belastingaanslag op te leggen. 4.8. Op 2 september 2019 heeft belanghebbende, onder inhouding van een bedrag van € 172.350 aan dividendbelasting aan haar aandeelhouders een dividenduitkering gedaan van € 1.149.000. Uit artikel 19, derde lid, van de AWR volgt dat de ingehouden belasting uiterlijk binnen een maand, dat wil zeggen uiterlijk op 2 oktober 2019, had moeten worden betaald. De belasting is betaald op 29 oktober 2019. Dat is 27 dagen te laat. De opgelegde boete van € 5.170 bedraagt 3 procent van de afgedragen dividendbelasting (3 procent van € 172.350), en is daarmee in overeenstemming met het bepaalde in paragraaf 23, derde lid, van het BBBB. 4.9. In de slotzin van paragraaf 24, eerste lid, van het BBBB is, zoals in 4.5 is overwogen, bepaald dat die paragraaf ook ziet op de situatie dat belanghebbende niet heeft betaald, omdat hij ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte. Die situatie doet zich hier voor. De gedraging van belanghebbende valt daarmee niet alleen onder paragraaf 23 van het BBBB, maar ook onder paragraaf 24 van het BBBB. Daarmee is in beginsel ook de regeling voor vrijwillige verbetering opgenomen in paragraaf 24, zevende lid, van het BBBB van toepassing. Alsdan is de vraag of sprake is van vrijwillige verbetering als bedoeld in paragraaf 5 van het BBBB. Belanghebbende heeft op 30 oktober 2019 alsnog aangifte gedaan en de belasting daarop afgedragen. Daarmee heeft zij uitdrukkelijk kenbaar gemaakt aan de Inspecteur dat en tot welk bedrag de belasting niet of gedeeltelijk niet was betaald. Niet in geschil is dat belanghebbende toen niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de Inspecteur bekend was of zou worden met het feit dat ten onrechte geen dividendbelasting was betaald. Er is derhalve sprake van een vrijwillige verbetering. De boete staat niet onherroepelijk vast. Paragraaf 24, zevende lid, van het BBBB is daarom van toepassing. De beroepsgrond van belanghebbende dat geen boete kan worden opgelegd, omdat zij spontaan, zonder bemoeienis van de Inspecteur, heeft betaald, slaagt daarom. 4.10 Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en moet de boete worden vernietigd. 4.11. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn 4.12. Beoordeeld moet worden of er aanleiding is voor toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Of op het aan de beboete toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk wordt gemaakt, hangt af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden vermeld. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen. De boete is opgelegd op 7 februari 2020. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 10 oktober 2024. Daarmee is de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn niet verder overschreden. Nu de boete wordt vernietigd, kan geen compensatie worden verleend door vermindering van de boete. Belanghebbende heeft geen verzoek gedaan om een immateriële schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn. Volstaan moet daarom worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 5 Griffierecht en proceskosten Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden. Het Hof ziet geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Niet gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking zouden komen. 6 Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, – vernietigt de uitspraak op bezwaar, – verklaart het bezwaar gegrond, – vernietigt de boetebeschikking, – gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 365 in verband met de behandeling van het beroep en € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van mr. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is op 29 april 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (S. Darwinkel) (E.C.G. Okhuizen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.