Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-23
ECLI:NL:GHARL:2026:2705
Strafrecht; Penitentiair strafrecht
Hoger beroep
7,665 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2705 text/xml public 2026-05-20T15:30:39 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-23 P26-022 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht; Penitentiair strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2705 text/html public 2026-05-20T15:28:54 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2705 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-04-2026 / P26-022 PIJ. Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank en verlengt de PIJ-maatregel met een termijn van twaalf maanden. De jeugdige heeft weliswaar een voorzichtige positieve kentering laten zien volgens de reclassering, maar er moeten nog verschillende stappen worden gezet in zijn traject. Hiervoor is tijd nodig. Mogelijk zijn er ook nog een of meer time-outs nodig en daarvoor biedt het STP een ruimer kader dan een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Bovendien maakt het hof zich zorgen over de delictgerelateerde factoren en risico’s die nog aandacht behoeven, zoals het middelengebruik van de jeugdige en de openheid over zijn partnerrelatie. PIJ P26/022 Beslissing van 30 april 2026 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen [de jeugdige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, wonende te [adres] , verder te noemen: de jeugdige. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van 14 november 2025 van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen. Deze beslissing houdt in afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) , zodat van rechtswege de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met ingang van 17 november 2025 ingaat, voor de duur van een jaar. Daarnaast heeft de rechtbank algemene en bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging. Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op: - het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; - de beslissing waarvan beroep; - de akte van 26 november 2025 waarbij de officier van justitie beroep heeft ingesteld; - de appelschriftuur van 9 december 2025; - de registratiekaart van de jeugdige van 15 januari 2026; - de aanvullende informatie van Rijks Justitiële Jeugdinrichting [locatie] (hierna: de jeugdinrichting) , gedateerd 23 maart 2026. - de aanvullende informatie van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering Noord-Nederland (hierna: de reclassering) , gedateerd 2 april 2026. - de tijdens de zitting per e-mail toegezonden pleitaantekeningen van de raadsvrouw. Het hof heeft ter zitting van 16 april 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. A. Kooij, en de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D. Jakobs, advocaat te Emmen. Verder heeft het hof ter zitting als deskundigen gehoord: D. Rosema, verbonden aan de jeugdinrichting als behandelcoördinator en gedragswetenschapper, en M.I. Luürssen, reclasseringswerker. Overwegingen Het standpunt van deskundige Rosema (de jeugdinrichting) De deskundige heeft ter zitting verklaard dat de jeugdinrichting van mening is dat de jeugdige zijn behandelplafond binnen de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel heeft bereikt. Dit kader is niet langer doelmatig. Het aanpakken van de punten die nog aandacht behoeven, zoals het middelengebruik, kan ook plaatsvinden binnen het kader van de voorwaardelijke beëindiging, met voortzetting van de behandeling bij [naam] . Het standpunt van deskundige Luürssen (reclassering) De deskundige heeft ter zitting verklaard dat de jeugdinrichting en de reclassering wel dezelfde visie voor de jeugdige hebben over wat er nog moet gebeuren, maar er wordt anders over het daarvoor benodigde kader gedacht. De reclassering vindt het huidige kader van de maatregel passend en het afschalen naar een voorwaardelijke beëindiging nog niet haalbaar. De jeugdige heeft nu al moeite om zich aan de voorwaarden te houden, zoals het middelenverbod en het geven van openheid. Er is nog geen stabiliteit. De kans op het onttrekken aan de voorwaarden is groot. Dit werd ook gezien na de beslissing van de rechtbank, toen voelde de jeugdige zich ‘bevrijd’ en had hij meteen twee positieve urinecontroles. Na de tweede time-out is er wel een voorzichtige positieve kentering gekomen: er ontstaat de laatste tijd meer openheid en samenwerking met de reclassering. Het blijft voorlopig wel nodig dat de jeugdinrichting op de achtergrond blijft, als stok achter de deur. Rekenend vanaf nu is er nog minimaal een verlenging van de PIJ-maatregel van zes maanden nodig om tot afronding van Het Scholings- en Trainingsprogramma (hierna: STP-traject) te komen. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing waarvan beroep, en verlenging van de PIJ-maatregel met twaalf maanden. Het STP-traject van de jeugdige verloopt moeizaam, met inmiddels twee time-outs. Hij kan en wil zich niet aan de voorwaarden houden. Hij overtreedt constant de voorwaarde van het middelenverbod en geeft geen openheid van zaken. Een voorwaardelijke beëindiging is te prematuur. Er moet echt nog het nodige gebeuren voordat het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau is teruggebracht en de jeugdige toe is aan de volgende stap. Op dit moment is het kader van de PIJ-maatregel nog noodzakelijk zodat er interventies kunnen blijven plaatsvinden als de jeugdige zich weer niet aan de voorwaarden houdt. Een verlenging van twaalf maanden is aan de orde, gezien het tijdsverloop sinds de expiratiedatum van het vorige bevel van de rechtbank (17 november 2025) en de tijd die de reclassering nog nodig denkt te hebben om het traject verder vorm te geven. Het standpunt van de jeugdige De raadsvrouw heeft verzocht de beslissing waarvan beroep te bevestigen. De negatieve visie van de reclassering doet volgens de jeugdige geen recht aan de ontwikkeling die hij de afgelopen jaren heeft doorgemaakt en waar hij keihard voor heeft gewerkt. De jeugdige doet zijn best om zijn leven op orde te krijgen, maar merkt dat de betrokkenheid van de reclassering daar niet altijd een positieve invloed op heeft. Het moeten benoemen van het reclasseringscontact heeft hem bij het vinden van werk meerdere keren in de weg gezeten. De jeugdinrichting is ook van mening dat binnen de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het uiterste behaald is en dat een verlenging daarvan het verschil niet meer zal maken met betrekking tot het recidiverisico. De behandeling bij [naam] verloopt verder goed en dit betreft een intensief contact. De gevorderde verlenging is niet langer in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige. Ook de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist niet langer verlenging van de maatregel. Aan de voorwaardelijke beëindiging kunnen voorwaarden worden verbonden om het matige recidiverisico te ondervangen. Het oordeel van het hof Vernietiging Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt over de verlenging van de PIJ-maatregel. Indexdelict Bij vonnis van 25 juni 2021 heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, aan de jeugdige – naast een jeugddetentie voor de duur van 21 maanden – de PIJ-maatregel opgelegd ter zake van het medeplegen van doodslag. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat deze PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Stoornis en recidivegevaar Uit het verlengingsadvies van de jeugdinrichting van 16 september 2025 volgt dat bij de jeugdige geen sprake is van een psychiatrische ziekte in engere zin. Wel is sprake van een gebrekkige identiteitsontwikkeling, een specifiek leerprobleem (met beperkingen in het lezen), een stoornis in cannabisgebruik (matig) en een ouder-kind relatieprobleem. Er wordt gezien dat de jeugdige een faalangstige jongen is. De persoonlijkheid van de jeugdige kent afhankelijke kanten.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2705 text/xml public 2026-05-20T15:30:39 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-23 P26-022 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht; Penitentiair strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2705 text/html public 2026-05-20T15:28:54 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2705 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-04-2026 / P26-022 PIJ. Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank en verlengt de PIJ-maatregel met een termijn van twaalf maanden. De jeugdige heeft weliswaar een voorzichtige positieve kentering laten zien volgens de reclassering, maar er moeten nog verschillende stappen worden gezet in zijn traject. Hiervoor is tijd nodig. Mogelijk zijn er ook nog een of meer time-outs nodig en daarvoor biedt het STP een ruimer kader dan een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Bovendien maakt het hof zich zorgen over de delictgerelateerde factoren en risico’s die nog aandacht behoeven, zoals het middelengebruik van de jeugdige en de openheid over zijn partnerrelatie. PIJ P26/022 Beslissing van 30 april 2026 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen [de jeugdige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, wonende te [adres] , verder te noemen: de jeugdige. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van 14 november 2025 van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen. Deze beslissing houdt in afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) , zodat van rechtswege de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met ingang van 17 november 2025 ingaat, voor de duur van een jaar. Daarnaast heeft de rechtbank algemene en bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging. Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op: - het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; - de beslissing waarvan beroep; - de akte van 26 november 2025 waarbij de officier van justitie beroep heeft ingesteld; - de appelschriftuur van 9 december 2025; - de registratiekaart van de jeugdige van 15 januari 2026; - de aanvullende informatie van Rijks Justitiële Jeugdinrichting [locatie] (hierna: de jeugdinrichting) , gedateerd 23 maart 2026. - de aanvullende informatie van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering Noord-Nederland (hierna: de reclassering) , gedateerd 2 april 2026. - de tijdens de zitting per e-mail toegezonden pleitaantekeningen van de raadsvrouw. Het hof heeft ter zitting van 16 april 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. A. Kooij, en de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D. Jakobs, advocaat te Emmen. Verder heeft het hof ter zitting als deskundigen gehoord: D. Rosema, verbonden aan de jeugdinrichting als behandelcoördinator en gedragswetenschapper, en M.I. Luürssen, reclasseringswerker. Overwegingen Het standpunt van deskundige Rosema (de jeugdinrichting) De deskundige heeft ter zitting verklaard dat de jeugdinrichting van mening is dat de jeugdige zijn behandelplafond binnen de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel heeft bereikt. Dit kader is niet langer doelmatig. Het aanpakken van de punten die nog aandacht behoeven, zoals het middelengebruik, kan ook plaatsvinden binnen het kader van de voorwaardelijke beëindiging, met voortzetting van de behandeling bij [naam] . Het standpunt van deskundige Luürssen (reclassering) De deskundige heeft ter zitting verklaard dat de jeugdinrichting en de reclassering wel dezelfde visie voor de jeugdige hebben over wat er nog moet gebeuren, maar er wordt anders over het daarvoor benodigde kader gedacht. De reclassering vindt het huidige kader van de maatregel passend en het afschalen naar een voorwaardelijke beëindiging nog niet haalbaar. De jeugdige heeft nu al moeite om zich aan de voorwaarden te houden, zoals het middelenverbod en het geven van openheid. Er is nog geen stabiliteit. De kans op het onttrekken aan de voorwaarden is groot. Dit werd ook gezien na de beslissing van de rechtbank, toen voelde de jeugdige zich ‘bevrijd’ en had hij meteen twee positieve urinecontroles. Na de tweede time-out is er wel een voorzichtige positieve kentering gekomen: er ontstaat de laatste tijd meer openheid en samenwerking met de reclassering. Het blijft voorlopig wel nodig dat de jeugdinrichting op de achtergrond blijft, als stok achter de deur. Rekenend vanaf nu is er nog minimaal een verlenging van de PIJ-maatregel van zes maanden nodig om tot afronding van Het Scholings- en Trainingsprogramma (hierna: STP-traject) te komen. Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing waarvan beroep, en verlenging van de PIJ-maatregel met twaalf maanden. Het STP-traject van de jeugdige verloopt moeizaam, met inmiddels twee time-outs. Hij kan en wil zich niet aan de voorwaarden houden. Hij overtreedt constant de voorwaarde van het middelenverbod en geeft geen openheid van zaken. Een voorwaardelijke beëindiging is te prematuur. Er moet echt nog het nodige gebeuren voordat het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau is teruggebracht en de jeugdige toe is aan de volgende stap. Op dit moment is het kader van de PIJ-maatregel nog noodzakelijk zodat er interventies kunnen blijven plaatsvinden als de jeugdige zich weer niet aan de voorwaarden houdt. Een verlenging van twaalf maanden is aan de orde, gezien het tijdsverloop sinds de expiratiedatum van het vorige bevel van de rechtbank (17 november 2025) en de tijd die de reclassering nog nodig denkt te hebben om het traject verder vorm te geven. Het standpunt van de jeugdige De raadsvrouw heeft verzocht de beslissing waarvan beroep te bevestigen. De negatieve visie van de reclassering doet volgens de jeugdige geen recht aan de ontwikkeling die hij de afgelopen jaren heeft doorgemaakt en waar hij keihard voor heeft gewerkt. De jeugdige doet zijn best om zijn leven op orde te krijgen, maar merkt dat de betrokkenheid van de reclassering daar niet altijd een positieve invloed op heeft. Het moeten benoemen van het reclasseringscontact heeft hem bij het vinden van werk meerdere keren in de weg gezeten. De jeugdinrichting is ook van mening dat binnen de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het uiterste behaald is en dat een verlenging daarvan het verschil niet meer zal maken met betrekking tot het recidiverisico. De behandeling bij [naam] verloopt verder goed en dit betreft een intensief contact. De gevorderde verlenging is niet langer in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige. Ook de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist niet langer verlenging van de maatregel. Aan de voorwaardelijke beëindiging kunnen voorwaarden worden verbonden om het matige recidiverisico te ondervangen. Het oordeel van het hof Vernietiging Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt over de verlenging van de PIJ-maatregel. Indexdelict Bij vonnis van 25 juni 2021 heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, aan de jeugdige – naast een jeugddetentie voor de duur van 21 maanden – de PIJ-maatregel opgelegd ter zake van het medeplegen van doodslag. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat deze PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Stoornis en recidivegevaar Uit het verlengingsadvies van de jeugdinrichting van 16 september 2025 volgt dat bij de jeugdige geen sprake is van een psychiatrische ziekte in engere zin. Wel is sprake van een gebrekkige identiteitsontwikkeling, een specifiek leerprobleem (met beperkingen in het lezen), een stoornis in cannabisgebruik (matig) en een ouder-kind relatieprobleem. Er wordt gezien dat de jeugdige een faalangstige jongen is. De persoonlijkheid van de jeugdige kent afhankelijke kanten.
Volledig
Hierdoor lijkt hij moeite te hebben met ‘nee’ zeggen tegen personen die belangrijk voor hem zijn. Uit ditzelfde advies volgt dat bij de jeugdige sprake is van een redelijk aantal beschermende factoren. Op dit moment kunnen de beschermende factoren tegenwicht bieden aan de risico’s, waardoor het risico op toekomstig gewelddadig gedrag en het algemene recidiverisico als matig wordt ingeschat. Het hof komt tot de conclusie dat er sprake is van een voor verlenging relevante stoornis en een relevant recidiverisico. Criterium voor verlenging van de PIJ-maatregel Het hof stelt voorop dat de PIJ-maatregel kan worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de PIJ-maatregel vereist en die verlenging ook in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige is. Daarnaast is een verlenging van de termijn van de PIJ-maatregel slechts mogelijk voor zover de PIJ-maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. De maatregel eindigt steeds voorwaardelijk een jaar voordat het einde van de maatregel wordt bereikt. Verlenging van de PIJ-maatregel Uit het reclasseringsadvies van 20 oktober 2025 volgt dat de jeugdige vanaf het begin van het STP-traject het middelenverbod heeft overtreden. Hij zegt het verbod onzin te vinden. De overtredingen hebben uiteindelijk, na meerdere officiële waarschuwingen, geleid tot de inzet van een time-out. De werkgever van de jeugdige heeft vervolgens gezegd niet verder met hem te willen, waardoor er naar een nieuwe dagbesteding gezocht moest worden om het STP te kunnen hervatten, wat uiteindelijk is gelukt. Met betrekking tot het middelenverbod heeft de jeugdige gezegd zich hieraan te zullen houden en dit binnen de behandeling van [naam] op te willen pakken. Duidelijk is geworden dat er meer tijd nodig is om de risicofactoren te verminderen en de beschermende factoren te vergroten. Het huidige kader van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel biedt de mogelijkheid tot het interveniëren door de jeugdinrichting en lijkt cruciaal om de jeugdige in beweging te krijgen, dit gezien de vermijdende coping, het ontbrekende probleeminzicht en het feit dat er geen sprake is van intrinsieke motivatie. Overgaan tot een voorwaardelijke beëindiging zorgt voor een hogere kans op het onttrekken aan de voorwaarden en daarmee het inhoudelijk niet aangaan van het traject. De reclassering vindt het huidige STP-kader ten gunste van de ontwikkeling van de jeugdige. Uit de aanvullende informatie van de reclassering van 2 april 2026 volgt dat de jeugdige zich de afgelopen maanden onvoldoende aan de voorwaarden heeft gehouden. Het middelenverbod is gedurende de hele periode van het STP-traject bij herhaling overtreden. Er is nog onvoldoende samenwerking ontstaan tussen de jeugdige en de reclassering. Het niet conformeren aan de voorwaarden en het niet geven van openheid maakt dat de jeugdige moeilijk begeleidbaar is. Na een tweede time-out en met vernieuwde afspraken is hier een voorzichtige kentering in gekomen. Met name het feit dat er meer transparantie is met betrekking tot de behandeling bij [naam] vindt de reclassering positief te noemen. Het advies om het STP-traject te continueren wordt gehandhaafd. Bij een voorwaardelijk beëindiging van de PIJ-maatregel worden nog te weinig mogelijkheden gezien om de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering acht het ten gunste van de ontwikkeling van de jeugdige om binnen het huidige kader te werken aan de gestelde behandeldoelen en om de positieve ontwikkeling die binnen de jeugdinrichting is ontstaan ook naar buiten toe te kunnen generaliseren. Zoals hiervoor vermeld, heeft de deskundige ter zitting van het hof verklaard dat zij denkt dat er rekenend vanaf nu nog minimaal een verlenging van de PIJ-maatregel van zes maanden nodig is. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet alleen de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de maatregel eist maar dat deze tevens in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige. De jeugdige heeft weliswaar een voorzichtige positieve kentering laten zien volgens de reclassering, maar er moeten zoals gebleken nog verschillende stappen worden gezet in zijn traject. Hiervoor is tijd nodig. Anders dan de rechtbank maakt het hof zich zorgen over de delictgerelateerde factoren en risico’s die nog aandacht behoeven, zoals het middelengebruik van de jeugdige en de openheid over zijn partnerrelatie. Zo is ter zitting bij het hof gebleken dat de jeugdige het belang van abstinentie van middelengebruik (nog) niet inziet, terwijl middelengebruik de kans op impulsief en risico verhogend gedrag doet toenemen volgens de reclassering. Hij is, in ieder geval ter zitting van het hof, ook niet in staat om een relatie te leggen tussen enerzijds het middelengebruik en het belang van de openheid over zijn relatie, en anderzijds het indexdelict, één van de ernstigste delicten in het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast stelt de jeugdinrichting in haar advies van 16 september 2025 dat een partner-relatieprobleem nu niet meer aan de orde is, omdat er momenteel geen sprake lijkt te zijn van een partner. Vanwege de afhankelijke kanten die zichtbaar kunnen zijn in de persoonlijkheid van de jeugdige, en omdat in het verleden wel sprake was van een partner-relatieprobleem, dient men zich hier volgens de jeugdinrichting wel bewust van te blijven. Ter zitting bij het hof is gebleken dat de jeugdige inmiddels weer een partner heeft en de reclassering weinig zicht heeft op de relatie van de jeugdige. De reclassering heeft ter zitting opgemerkt dat de partnerrelatie een aandachtspunt blijft. Het voorgaande sluit bepaald niet uit dat er nog een of meer time-outs noodzakelijk zijn en daarvoor biedt het STP een ruimer kader dan de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Het hof acht op grond van de advisering door de reclassering, de toelichting van de deskundige ter zitting, en ook gelet op de tijd die is verstreken sinds de expiratiedatum van het bevel van de rechtbank van 18 februari 2025 – zijnde 17 november 2025 – een verlenging van de maatregel met een termijn van twaalf maanden geïndiceerd en geboden. Einde PIJ-maatregel Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, stelt het hof vast dat de maatregel, behoudens verdere verlenging of eventuele opschorting, voorwaardelijk zal eindigen op 12 november 2026 en onvoorwaardelijk zal eindigen op 12 november 2027. BESLISSING Het hof: Vernietigt de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 14 november 2025 met betrekking tot de jeugdige, [de jeugdige] . Verlengt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van twaalf maanden. Aldus gedaan door mr. A.B.A.P.M. Ficq, voorzitter, mr. D.R. Sonneveldt en mr. P.C. Vegter, raadsheren, en dr. E.L.M. Klein Haneveld en drs. H.J. Beintema, raden, in tegenwoordigheid van mr. I.H. Scharrenberg, griffier, en op 30 april 2026 in het openbaar uitgesproken. De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Volledig
Hierdoor lijkt hij moeite te hebben met ‘nee’ zeggen tegen personen die belangrijk voor hem zijn. Uit ditzelfde advies volgt dat bij de jeugdige sprake is van een redelijk aantal beschermende factoren. Op dit moment kunnen de beschermende factoren tegenwicht bieden aan de risico’s, waardoor het risico op toekomstig gewelddadig gedrag en het algemene recidiverisico als matig wordt ingeschat. Het hof komt tot de conclusie dat er sprake is van een voor verlenging relevante stoornis en een relevant recidiverisico. Criterium voor verlenging van de PIJ-maatregel Het hof stelt voorop dat de PIJ-maatregel kan worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de PIJ-maatregel vereist en die verlenging ook in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige is. Daarnaast is een verlenging van de termijn van de PIJ-maatregel slechts mogelijk voor zover de PIJ-maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. De maatregel eindigt steeds voorwaardelijk een jaar voordat het einde van de maatregel wordt bereikt. Verlenging van de PIJ-maatregel Uit het reclasseringsadvies van 20 oktober 2025 volgt dat de jeugdige vanaf het begin van het STP-traject het middelenverbod heeft overtreden. Hij zegt het verbod onzin te vinden. De overtredingen hebben uiteindelijk, na meerdere officiële waarschuwingen, geleid tot de inzet van een time-out. De werkgever van de jeugdige heeft vervolgens gezegd niet verder met hem te willen, waardoor er naar een nieuwe dagbesteding gezocht moest worden om het STP te kunnen hervatten, wat uiteindelijk is gelukt. Met betrekking tot het middelenverbod heeft de jeugdige gezegd zich hieraan te zullen houden en dit binnen de behandeling van [naam] op te willen pakken. Duidelijk is geworden dat er meer tijd nodig is om de risicofactoren te verminderen en de beschermende factoren te vergroten. Het huidige kader van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel biedt de mogelijkheid tot het interveniëren door de jeugdinrichting en lijkt cruciaal om de jeugdige in beweging te krijgen, dit gezien de vermijdende coping, het ontbrekende probleeminzicht en het feit dat er geen sprake is van intrinsieke motivatie. Overgaan tot een voorwaardelijke beëindiging zorgt voor een hogere kans op het onttrekken aan de voorwaarden en daarmee het inhoudelijk niet aangaan van het traject. De reclassering vindt het huidige STP-kader ten gunste van de ontwikkeling van de jeugdige. Uit de aanvullende informatie van de reclassering van 2 april 2026 volgt dat de jeugdige zich de afgelopen maanden onvoldoende aan de voorwaarden heeft gehouden. Het middelenverbod is gedurende de hele periode van het STP-traject bij herhaling overtreden. Er is nog onvoldoende samenwerking ontstaan tussen de jeugdige en de reclassering. Het niet conformeren aan de voorwaarden en het niet geven van openheid maakt dat de jeugdige moeilijk begeleidbaar is. Na een tweede time-out en met vernieuwde afspraken is hier een voorzichtige kentering in gekomen. Met name het feit dat er meer transparantie is met betrekking tot de behandeling bij [naam] vindt de reclassering positief te noemen. Het advies om het STP-traject te continueren wordt gehandhaafd. Bij een voorwaardelijk beëindiging van de PIJ-maatregel worden nog te weinig mogelijkheden gezien om de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering acht het ten gunste van de ontwikkeling van de jeugdige om binnen het huidige kader te werken aan de gestelde behandeldoelen en om de positieve ontwikkeling die binnen de jeugdinrichting is ontstaan ook naar buiten toe te kunnen generaliseren. Zoals hiervoor vermeld, heeft de deskundige ter zitting van het hof verklaard dat zij denkt dat er rekenend vanaf nu nog minimaal een verlenging van de PIJ-maatregel van zes maanden nodig is. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet alleen de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de maatregel eist maar dat deze tevens in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige. De jeugdige heeft weliswaar een voorzichtige positieve kentering laten zien volgens de reclassering, maar er moeten zoals gebleken nog verschillende stappen worden gezet in zijn traject. Hiervoor is tijd nodig. Anders dan de rechtbank maakt het hof zich zorgen over de delictgerelateerde factoren en risico’s die nog aandacht behoeven, zoals het middelengebruik van de jeugdige en de openheid over zijn partnerrelatie. Zo is ter zitting bij het hof gebleken dat de jeugdige het belang van abstinentie van middelengebruik (nog) niet inziet, terwijl middelengebruik de kans op impulsief en risico verhogend gedrag doet toenemen volgens de reclassering. Hij is, in ieder geval ter zitting van het hof, ook niet in staat om een relatie te leggen tussen enerzijds het middelengebruik en het belang van de openheid over zijn relatie, en anderzijds het indexdelict, één van de ernstigste delicten in het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast stelt de jeugdinrichting in haar advies van 16 september 2025 dat een partner-relatieprobleem nu niet meer aan de orde is, omdat er momenteel geen sprake lijkt te zijn van een partner. Vanwege de afhankelijke kanten die zichtbaar kunnen zijn in de persoonlijkheid van de jeugdige, en omdat in het verleden wel sprake was van een partner-relatieprobleem, dient men zich hier volgens de jeugdinrichting wel bewust van te blijven. Ter zitting bij het hof is gebleken dat de jeugdige inmiddels weer een partner heeft en de reclassering weinig zicht heeft op de relatie van de jeugdige. De reclassering heeft ter zitting opgemerkt dat de partnerrelatie een aandachtspunt blijft. Het voorgaande sluit bepaald niet uit dat er nog een of meer time-outs noodzakelijk zijn en daarvoor biedt het STP een ruimer kader dan de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Het hof acht op grond van de advisering door de reclassering, de toelichting van de deskundige ter zitting, en ook gelet op de tijd die is verstreken sinds de expiratiedatum van het bevel van de rechtbank van 18 februari 2025 – zijnde 17 november 2025 – een verlenging van de maatregel met een termijn van twaalf maanden geïndiceerd en geboden. Einde PIJ-maatregel Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, stelt het hof vast dat de maatregel, behoudens verdere verlenging of eventuele opschorting, voorwaardelijk zal eindigen op 12 november 2026 en onvoorwaardelijk zal eindigen op 12 november 2027. BESLISSING Het hof: Vernietigt de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 14 november 2025 met betrekking tot de jeugdige, [de jeugdige] . Verlengt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van twaalf maanden. Aldus gedaan door mr. A.B.A.P.M. Ficq, voorzitter, mr. D.R. Sonneveldt en mr. P.C. Vegter, raadsheren, en dr. E.L.M. Klein Haneveld en drs. H.J. Beintema, raden, in tegenwoordigheid van mr. I.H. Scharrenberg, griffier, en op 30 april 2026 in het openbaar uitgesproken. De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.