Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-30
ECLI:NL:GHARL:2026:2704
Strafrecht; Penitentiair strafrecht
Hoger beroep
4,065 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2704 text/xml public 2026-05-20T15:33:09 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-30 P25-392 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht; Penitentiair strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2704 text/html public 2026-05-20T14:23:04 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2704 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-04-2026 / P25-392 PIJ en TBS. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vordering tot omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Verder bevestigt het hof de beslissing van de rechtbank met aanvulling van gronden, te weten toewijzing van de hiervoor genoemde vordering. De rechtbank heeft de wettelijke toetsingscriteria op goede gronden en op juiste wijze toegepast. Geen redenen om de duur van de aanvangstermijn van de terbeschikkingstelling te beperken tot één jaar. PIJ P25/392 Beslissing van 30 april 2026 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [de jeugdige] , geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1997, verblijvende in het [locatie] , verder te noemen: de jeugdige. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van 25 november 2025 van de rechtbank Amsterdam. Deze beslissing houdt in toewijzing van de vordering van de officier van justitie om de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) om te zetten in de maatregel van terbeschikkingstelling, het gelasten van de terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaar en het bevel dat de jeugdige van overheidswege zal worden verpleegd. Verder heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel afgewezen. Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder: - de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; - de beslissing waarvan beroep; - de akte van 10 december 2025 waarbij de jeugdige beroep heeft ingesteld; - de registratiekaart van de jeugdige van 23 december 2025; - de aanvullende informatie van Verslavingsreclassering GGZ VNN Leeuwarden (hierna: de reclassering) , gedateerd 10 april 2026; - de voorafgaand aan de zitting per e-mail toegezonden pleitnotities (eerste aanleg) van de raadsman; - het ter zitting overgelegde schriftelijk standpunt van de advocaat-generaal; - de ter zitting per e-mail toegezonden pleitnotities van de raadsman. Het hof heeft ter zitting van 16 april 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. A. Kooij, en de jeugdige via een videoverbinding, bijgestaan door zijn raadsman, mr. N.M. van Wersch, advocaat te Amsterdam. Het hof heeft ter zitting als deskundigen tevens gehoord: S.J. Roza, psychiater F.J.R. Jonker, klinisch psycholoog (via een videoverbinding) E. Leyder Havenstroom, reclasseringswerker Alle deskundigen hebben hun standpunten, zoals zij die naar voren hebben gebracht in hun rapportages en ter zitting in eerste aanleg, gehandhaafd. Zij concluderen tot omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Omvang hoger beroep Volgens de akte van 10 december 2025 is het beroep beperkt ingesteld en wel uitsluitend tegen de beslissing tot omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling. Nu de wet niet voorziet in de mogelijkheid van een partieel beroep, vat het hof het beroep op als onbeperkt ingesteld. Overwegingen Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vordering tot omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Op 28 mei 2025 heeft de rechtbank voor de jeugdige een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd) tot opname en verblijf afgegeven voor de duur van zes maanden. Opname (en verblijf) in een Wzd-accommodatie – waarvoor de machtiging is afgegeven – is echter niet binnen de termijn van artikel 39, zevende lid, Wzd gerealiseerd, waardoor de machtiging is verlopen. Artikel 6:6:32, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de PIJ-maatregel onvoorwaardelijk eindigt, indien door de rechter een machtiging op grond van de Wzd is afgegeven. Een strikte uitleg van deze bepaling zou betekenen dat de PIJ-maatregel van de jeugdige op 28 mei 2025 onvoorwaardelijk is geëindigd, waardoor het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn in de onderhavige vordering tot omzetting en dit zou ook betekenen dat de jeugdige sinds die datum onrechtmatig van zijn vrijheid is beroofd. De situatie die dan zou zijn ontstaan – de jeugdige op straat zonder enige vorm van nazorg – druist zodanig in tegen de gedachte van de wetgever achter het stelsel van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel, dat de afgifte van de rechterlijke machtiging op grond van de Wzd volgens de advocaat-generaal in deze zaak verder geen gevolgen heeft. Ten aanzien van de vordering tot omzetting heeft de advocaat-generaal voor haar standpunt verwezen naar het op schrift gestelde standpunt van de officier van justitie in eerste aanleg. In aanvulling daarop heeft zij in beroep geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Gedurende de PIJ-maatregel zijn alle denkbare mogelijkheden en alternatieven onderzocht en heeft de Staat voldoende inspanningen geleverd om de jeugdige gedurende de maatregel te behandelen. Deze behandelinspanningen hebben echter niet tot resultaat gehad dat hij op een verantwoorde manier kan terugkeren naar de maatschappij. Gezien de complexe stoornissen, het nog altijd onaanvaardbare hoge recidiverisico op ernstige delicten en de noodzaak tot langdurige behandeling in een setting met een hoge zorgintensiteit en hoog beveiligingsniveau, is er geen andere mogelijkheid dan omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen het subsidiaire standpunt van de raadsman, te weten een verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar in plaats van twee jaar. Het standpunt van de jeugdige De jeugdige denkt dat het niet goed met hem zal gaan als hij in de terbeschikkingstelling terechtkomt omdat dat niet de juiste plek voor hem zal zijn. Hij zit al lang vast, heeft de PIJ-maatregel uitgezeten en wil graag uit de huidige situatie komen en stabiliteit opbouwen. Begeleid wonen of bij zijn ouders wonen zou voor hem een goede uitkomst zijn. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Met betrekking tot de vordering tot omzetting heeft de raadsman zich in beroep op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank moet worden vernietigd en de vordering tot omzetting dient te worden afgewezen. De raadsman heeft voor zijn standpunt verwezen naar zijn pleitnotities zoals hij deze heeft voorgedragen in eerste aanleg, waaruit volgt dat niet is voldaan aan de strenge eisen voor omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. In aanvulling daarop heeft hij in beroep aangevoerd dat de jeugdige weliswaar is afgewezen door meerdere instellingen, maar dat het toewijzen van de vordering tot omzetting volgens de jurisprudentie geen ‘verlegenheidsoplossing’ mag zijn: het enkel toewijzen omdat een andere – geschiktere – voorziening voor de jeugdige niet beschikbaar is op afzienbare termijn. Verder wordt in onderhavig geval niet voldaan aan het zeer ernstige, ‘onvermijdelijke’ herhalingsgevaar als verwoord in de Memorie van Toelichting van de Wet adolescentenstrafrecht. Bij de jeugdige hoeft niet te worden gevreesd voor zeden- of geweldsdelicten, maar eerder op impulsief en onvoorspelbaar gedrag met onbekende gevolgen voor anderen en voor hemzelf. De jeugdige is een kwetsbare jongen, geen agressieve.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2704 text/xml public 2026-05-20T15:33:09 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-30 P25-392 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht; Penitentiair strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2704 text/html public 2026-05-20T14:23:04 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2704 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-04-2026 / P25-392 PIJ en TBS. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vordering tot omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Verder bevestigt het hof de beslissing van de rechtbank met aanvulling van gronden, te weten toewijzing van de hiervoor genoemde vordering. De rechtbank heeft de wettelijke toetsingscriteria op goede gronden en op juiste wijze toegepast. Geen redenen om de duur van de aanvangstermijn van de terbeschikkingstelling te beperken tot één jaar. PIJ P25/392 Beslissing van 30 april 2026 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [de jeugdige] , geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1997, verblijvende in het [locatie] , verder te noemen: de jeugdige. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van 25 november 2025 van de rechtbank Amsterdam. Deze beslissing houdt in toewijzing van de vordering van de officier van justitie om de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) om te zetten in de maatregel van terbeschikkingstelling, het gelasten van de terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaar en het bevel dat de jeugdige van overheidswege zal worden verpleegd. Verder heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel afgewezen. Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder: - de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; - de beslissing waarvan beroep; - de akte van 10 december 2025 waarbij de jeugdige beroep heeft ingesteld; - de registratiekaart van de jeugdige van 23 december 2025; - de aanvullende informatie van Verslavingsreclassering GGZ VNN Leeuwarden (hierna: de reclassering) , gedateerd 10 april 2026; - de voorafgaand aan de zitting per e-mail toegezonden pleitnotities (eerste aanleg) van de raadsman; - het ter zitting overgelegde schriftelijk standpunt van de advocaat-generaal; - de ter zitting per e-mail toegezonden pleitnotities van de raadsman. Het hof heeft ter zitting van 16 april 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. A. Kooij, en de jeugdige via een videoverbinding, bijgestaan door zijn raadsman, mr. N.M. van Wersch, advocaat te Amsterdam. Het hof heeft ter zitting als deskundigen tevens gehoord: S.J. Roza, psychiater F.J.R. Jonker, klinisch psycholoog (via een videoverbinding) E. Leyder Havenstroom, reclasseringswerker Alle deskundigen hebben hun standpunten, zoals zij die naar voren hebben gebracht in hun rapportages en ter zitting in eerste aanleg, gehandhaafd. Zij concluderen tot omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Omvang hoger beroep Volgens de akte van 10 december 2025 is het beroep beperkt ingesteld en wel uitsluitend tegen de beslissing tot omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling. Nu de wet niet voorziet in de mogelijkheid van een partieel beroep, vat het hof het beroep op als onbeperkt ingesteld. Overwegingen Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vordering tot omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Op 28 mei 2025 heeft de rechtbank voor de jeugdige een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd) tot opname en verblijf afgegeven voor de duur van zes maanden. Opname (en verblijf) in een Wzd-accommodatie – waarvoor de machtiging is afgegeven – is echter niet binnen de termijn van artikel 39, zevende lid, Wzd gerealiseerd, waardoor de machtiging is verlopen. Artikel 6:6:32, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de PIJ-maatregel onvoorwaardelijk eindigt, indien door de rechter een machtiging op grond van de Wzd is afgegeven. Een strikte uitleg van deze bepaling zou betekenen dat de PIJ-maatregel van de jeugdige op 28 mei 2025 onvoorwaardelijk is geëindigd, waardoor het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn in de onderhavige vordering tot omzetting en dit zou ook betekenen dat de jeugdige sinds die datum onrechtmatig van zijn vrijheid is beroofd. De situatie die dan zou zijn ontstaan – de jeugdige op straat zonder enige vorm van nazorg – druist zodanig in tegen de gedachte van de wetgever achter het stelsel van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel, dat de afgifte van de rechterlijke machtiging op grond van de Wzd volgens de advocaat-generaal in deze zaak verder geen gevolgen heeft. Ten aanzien van de vordering tot omzetting heeft de advocaat-generaal voor haar standpunt verwezen naar het op schrift gestelde standpunt van de officier van justitie in eerste aanleg. In aanvulling daarop heeft zij in beroep geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Gedurende de PIJ-maatregel zijn alle denkbare mogelijkheden en alternatieven onderzocht en heeft de Staat voldoende inspanningen geleverd om de jeugdige gedurende de maatregel te behandelen. Deze behandelinspanningen hebben echter niet tot resultaat gehad dat hij op een verantwoorde manier kan terugkeren naar de maatschappij. Gezien de complexe stoornissen, het nog altijd onaanvaardbare hoge recidiverisico op ernstige delicten en de noodzaak tot langdurige behandeling in een setting met een hoge zorgintensiteit en hoog beveiligingsniveau, is er geen andere mogelijkheid dan omzetting van de PIJ-maatregel in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen het subsidiaire standpunt van de raadsman, te weten een verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar in plaats van twee jaar. Het standpunt van de jeugdige De jeugdige denkt dat het niet goed met hem zal gaan als hij in de terbeschikkingstelling terechtkomt omdat dat niet de juiste plek voor hem zal zijn. Hij zit al lang vast, heeft de PIJ-maatregel uitgezeten en wil graag uit de huidige situatie komen en stabiliteit opbouwen. Begeleid wonen of bij zijn ouders wonen zou voor hem een goede uitkomst zijn. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Met betrekking tot de vordering tot omzetting heeft de raadsman zich in beroep op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank moet worden vernietigd en de vordering tot omzetting dient te worden afgewezen. De raadsman heeft voor zijn standpunt verwezen naar zijn pleitnotities zoals hij deze heeft voorgedragen in eerste aanleg, waaruit volgt dat niet is voldaan aan de strenge eisen voor omzetting van de PIJ-maatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. In aanvulling daarop heeft hij in beroep aangevoerd dat de jeugdige weliswaar is afgewezen door meerdere instellingen, maar dat het toewijzen van de vordering tot omzetting volgens de jurisprudentie geen ‘verlegenheidsoplossing’ mag zijn: het enkel toewijzen omdat een andere – geschiktere – voorziening voor de jeugdige niet beschikbaar is op afzienbare termijn. Verder wordt in onderhavig geval niet voldaan aan het zeer ernstige, ‘onvermijdelijke’ herhalingsgevaar als verwoord in de Memorie van Toelichting van de Wet adolescentenstrafrecht. Bij de jeugdige hoeft niet te worden gevreesd voor zeden- of geweldsdelicten, maar eerder op impulsief en onvoorspelbaar gedrag met onbekende gevolgen voor anderen en voor hemzelf. De jeugdige is een kwetsbare jongen, geen agressieve.