Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-29
ECLI:NL:GHARL:2026:2657
Strafrecht
Hoger beroep
27,625 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2657 text/xml public 2026-05-08T15:21:58 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-29 21-005089-20 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2657 text/html public 2026-04-29T16:28:47 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2657 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 29-04-2026 / 21-005089-20 Megazaak Kringloop. Het hof veroordeelt verdachte voor gewoontewitwassen, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie tot een gevangenisstraf voor de duur van 166 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 240 uren Verdachte heeft, samen met de medeverdachten, op geraffineerde wijze in georganiseerd verband – via advertenties op Marktplaats – een groot aantal mensen opgelicht. Verder heeft het hof nog beslissingen genomen omtrent de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005089-20 Uitspraakdatum: 24 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 17 december 2020 met parketnummer 08-910004-17 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), wonende te [adres] . Hoger beroep De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het voornoemd vonnis. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 november 2025, 19 december 2025 en 10 maart 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft verder kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. U. Ural, advocaat te Enschede, naar voren hebben gebracht. Het vonnis De rechtbank heeft het tenlastegelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als - gewoontewitwassen (feit 1 primair); witwassen, meermalen gepleegd (feit 2 primair), en; deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 3); en verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [slachtoffer] integraal toegewezen en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 72,60 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Alle toegewezen vorderingen zijn vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de rechtbank steeds schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: 1. primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 2 februari 2017, te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, (telkens) van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij wist dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en/of voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten: - op 24 november 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 9500 euro) (aangifte 293, [slachtoffer] , p.14400); - op 4 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 3400 euro) (aangifte 312, [slachtoffer] , p.14600); - op 8 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2500 euro) (aangifte 317, [slachtoffer] , p. 15600); - op 13 en/of 14 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 323, [slachtoffer] ,p.14800); - op 24 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 341, [slachtoffer] , p. 16000); - op 9 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 10.900, althans 5000 euro) (aangifte 359, [slachtoffer] , p.15200); - op 21 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4500 euro) (aangifte 372, [slachtoffer] , p. 15400); - op 2 februari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 7200 euro (aangifte 387, [slachtoffer] , p. 15100); 1. subsidiair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 2 februari 2017, te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, (telkens) een goed, te weten de hierna te noemen geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldbedragen (telkens) wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof: - op 24 november 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 9500 euro) (aangifte 293, [slachtoffer] , p.14400); - op 4 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 3400 euro) (aangifte 312, [slachtoffer] , p.14600); - op 8 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2500 euro) (aangifte 317, [slachtoffer] , p. 15600); - op 13 en/of 14 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 323, [slachtoffer] ,p.14800); - op 24 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 341, [slachtoffer] , p. 16000); - op 9 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 10.900, althans 5000 euro) (aangifte 359, [slachtoffer] , p.15200); - op 21 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4500 euro) (aangifte 372, [slachtoffer] , p. 15400); - op 2 februari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 7200 euro (aangifte 387, [slachtoffer] , p. 15100) en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt; 2. primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 januari 2017 tot en met 27 januari 2017, te [plaats 2] , gemeente [gemeente] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) een voorwerp, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en/of een Ipad, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en/of een Ipad gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (aangifte 354, [slachtoffer] , p.16400) (aangifte 356, [slachtoffer] , p.16600) (aangifte 376, [slachtoffer] , p. 17100) 2.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2657 text/xml public 2026-05-08T15:21:58 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-29 21-005089-20 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2657 text/html public 2026-04-29T16:28:47 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2657 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 29-04-2026 / 21-005089-20 Megazaak Kringloop. Het hof veroordeelt verdachte voor gewoontewitwassen, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie tot een gevangenisstraf voor de duur van 166 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 240 uren Verdachte heeft, samen met de medeverdachten, op geraffineerde wijze in georganiseerd verband – via advertenties op Marktplaats – een groot aantal mensen opgelicht. Verder heeft het hof nog beslissingen genomen omtrent de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005089-20 Uitspraakdatum: 24 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 17 december 2020 met parketnummer 08-910004-17 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), wonende te [adres] . Hoger beroep De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het voornoemd vonnis. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 november 2025, 19 december 2025 en 10 maart 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft verder kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. U. Ural, advocaat te Enschede, naar voren hebben gebracht. Het vonnis De rechtbank heeft het tenlastegelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als - gewoontewitwassen (feit 1 primair); witwassen, meermalen gepleegd (feit 2 primair), en; deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 3); en verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [slachtoffer] integraal toegewezen en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 72,60 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Alle toegewezen vorderingen zijn vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de rechtbank steeds schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: 1. primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 2 februari 2017, te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, (telkens) van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij wist dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en/of voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten: - op 24 november 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 9500 euro) (aangifte 293, [slachtoffer] , p.14400); - op 4 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 3400 euro) (aangifte 312, [slachtoffer] , p.14600); - op 8 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2500 euro) (aangifte 317, [slachtoffer] , p. 15600); - op 13 en/of 14 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 323, [slachtoffer] ,p.14800); - op 24 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 341, [slachtoffer] , p. 16000); - op 9 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 10.900, althans 5000 euro) (aangifte 359, [slachtoffer] , p.15200); - op 21 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4500 euro) (aangifte 372, [slachtoffer] , p. 15400); - op 2 februari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 7200 euro (aangifte 387, [slachtoffer] , p. 15100); 1. subsidiair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 2 februari 2017, te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, (telkens) een goed, te weten de hierna te noemen geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldbedragen (telkens) wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof: - op 24 november 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 9500 euro) (aangifte 293, [slachtoffer] , p.14400); - op 4 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 3400 euro) (aangifte 312, [slachtoffer] , p.14600); - op 8 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2500 euro) (aangifte 317, [slachtoffer] , p. 15600); - op 13 en/of 14 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 323, [slachtoffer] ,p.14800); - op 24 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 341, [slachtoffer] , p. 16000); - op 9 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 10.900, althans 5000 euro) (aangifte 359, [slachtoffer] , p.15200); - op 21 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4500 euro) (aangifte 372, [slachtoffer] , p. 15400); - op 2 februari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 7200 euro (aangifte 387, [slachtoffer] , p. 15100) en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt; 2. primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 januari 2017 tot en met 27 januari 2017, te [plaats 2] , gemeente [gemeente] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) een voorwerp, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en/of een Ipad, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en/of een Ipad gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (aangifte 354, [slachtoffer] , p.16400) (aangifte 356, [slachtoffer] , p.16600) (aangifte 376, [slachtoffer] , p. 17100) 2.
Volledig
subsidiair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 januari 2017 tot en met 27 januari 2017 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer goederen, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en/of een Ipad heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; (aangifte 354, [slachtoffer] , p.16400) (aangifte 356, [slachtoffer] , p.16600) (aangifte 376, [slachtoffer] , p. 17100) 3. hij in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats 1] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen, heling en/of één of meer andere misdrijven). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat verdachte alleen betrokken is geweest bij het afhalen van goederen en bij het pinnen van geld. Er is geen sprake geweest van deelname aan een duurzaam samenwerkingsverband, omdat de bijdrage van verdachte slechts van incidentele aard is geweest, zonder verregaande binding met de criminele organisatie. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de rechtbank de bewijsmiddelen die gebruikt zijn voor het oordeel over de bewezenverklaring (grotendeels) op de juiste wijze uiteen heeft gezet. Het hof neemt daarom deze bewijsoverwegingen en de uiteenzetting van de bewijsmiddelen in de bewijsbijlage over en zal deze hierna cursief weergeven. Hierbij geldt dat waar ‘rechtbank’ en ‘officieren van justitie’ geschreven staat, respectievelijk het ‘hof’ en de ‘advocaat-generaal’ gelezen dient te worden. Aanvullingen van het hof worden niet cursief weergegeven. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde Onder 1 is aan [verdachte] primair (gewoonte)witwassen van een achttal geldbedragen ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 420ter Sr. [verdachte] heeft bekend dat hij tegen betaling de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen heeft gepind. Hij wist dat die geldbedragen waren overgeboekt van bankrekeningen waarmee gefraudeerd was. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, voor zover dit het witwassen van de genoemde geldbedragen betreft, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu [verdachte] dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen in de bijlage. Ten aanzien van het gewoontewitwassen De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van incidenteel witwassen. Uit de duur en de frequentie van de door de verdachte gepleegde handelingen, te weten het acht maal pinnen van een geldbedrag in een periode van bijna tien weken, leidt de rechtbank af dat het witwassen door [verdachte] een structureel karakter heeft gehad. Dit leidt tot de conclusie dat hij van het witwassen van de hoeveelheden geld een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich in de periode van 24 november 2016 tot en met 2 februari 2017 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal € 48.000,--. 4.3.2 Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde Onder 2 is aan [verdachte] primair het medeplegen van witwassen van een drietal MacBooks en een IPad ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 420bis Sr. [verdachte] heeft bekend dat hij de MacBooks en de IPad heeft opgehaald bij de betreffende elektronicazaken. Hij wist dat die MacBooks en die IPad waren betaald vanaf bankrekeningen waarmee gefraudeerd was. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu [verdachte] dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen in de bijlage. Medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 2 primair ten laste gelegde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft en spreekt hem van dit onderdeel vrij. 4.3.3 Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde Onder 3 is [verdachte] deelneming aan een criminele organisatie, strafbaar gesteld in artikel 140 Sr, ten laste gelegd. Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Voor het bewijs van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven, zal onder andere betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3 De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat [verdachte] zich in de periode van 24 november 2016 tot en met 2 februari 2017 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Ook heeft de rechtbank bewezen verklaard dat [verdachte] zich in de periode van 6 januari 2017 tot en met 27 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan witwassen, meermalen gepleegd. [verdachte] heeft met betrekking tot beide bewezenverklaarde feiten verklaard dat hij wist dat er werd ingebroken op de bankrekeningen van bepaalde personen en dat er op die manier bedragen werden overgeboekt naar rekeningen waar het geld vervolgens van werd afgehaald. Uit het dossier blijkt de volgende werkwijze. Een verkoper plaatst op Marktplaats een advertentie waarin hij een goed te koop aanbiedt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij interesse heeft in het aangeboden goed. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen [medeverdachte 1] en de koper een bedrag overeen.
Volledig
subsidiair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 januari 2017 tot en met 27 januari 2017 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer goederen, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en/of een Ipad heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; (aangifte 354, [slachtoffer] , p.16400) (aangifte 356, [slachtoffer] , p.16600) (aangifte 376, [slachtoffer] , p. 17100) 3. hij in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats 1] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen, heling en/of één of meer andere misdrijven). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat verdachte alleen betrokken is geweest bij het afhalen van goederen en bij het pinnen van geld. Er is geen sprake geweest van deelname aan een duurzaam samenwerkingsverband, omdat de bijdrage van verdachte slechts van incidentele aard is geweest, zonder verregaande binding met de criminele organisatie. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de rechtbank de bewijsmiddelen die gebruikt zijn voor het oordeel over de bewezenverklaring (grotendeels) op de juiste wijze uiteen heeft gezet. Het hof neemt daarom deze bewijsoverwegingen en de uiteenzetting van de bewijsmiddelen in de bewijsbijlage over en zal deze hierna cursief weergeven. Hierbij geldt dat waar ‘rechtbank’ en ‘officieren van justitie’ geschreven staat, respectievelijk het ‘hof’ en de ‘advocaat-generaal’ gelezen dient te worden. Aanvullingen van het hof worden niet cursief weergegeven. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde Onder 1 is aan [verdachte] primair (gewoonte)witwassen van een achttal geldbedragen ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 420ter Sr. [verdachte] heeft bekend dat hij tegen betaling de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen heeft gepind. Hij wist dat die geldbedragen waren overgeboekt van bankrekeningen waarmee gefraudeerd was. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, voor zover dit het witwassen van de genoemde geldbedragen betreft, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu [verdachte] dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen in de bijlage. Ten aanzien van het gewoontewitwassen De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van incidenteel witwassen. Uit de duur en de frequentie van de door de verdachte gepleegde handelingen, te weten het acht maal pinnen van een geldbedrag in een periode van bijna tien weken, leidt de rechtbank af dat het witwassen door [verdachte] een structureel karakter heeft gehad. Dit leidt tot de conclusie dat hij van het witwassen van de hoeveelheden geld een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich in de periode van 24 november 2016 tot en met 2 februari 2017 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal € 48.000,--. 4.3.2 Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde Onder 2 is aan [verdachte] primair het medeplegen van witwassen van een drietal MacBooks en een IPad ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 420bis Sr. [verdachte] heeft bekend dat hij de MacBooks en de IPad heeft opgehaald bij de betreffende elektronicazaken. Hij wist dat die MacBooks en die IPad waren betaald vanaf bankrekeningen waarmee gefraudeerd was. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu [verdachte] dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen in de bijlage. Medeplegen De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het onder 2 primair ten laste gelegde ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ gepleegd heeft en spreekt hem van dit onderdeel vrij. 4.3.3 Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde Onder 3 is [verdachte] deelneming aan een criminele organisatie, strafbaar gesteld in artikel 140 Sr, ten laste gelegd. Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Voor het bewijs van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven, zal onder andere betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3 De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat [verdachte] zich in de periode van 24 november 2016 tot en met 2 februari 2017 schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Ook heeft de rechtbank bewezen verklaard dat [verdachte] zich in de periode van 6 januari 2017 tot en met 27 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan witwassen, meermalen gepleegd. [verdachte] heeft met betrekking tot beide bewezenverklaarde feiten verklaard dat hij wist dat er werd ingebroken op de bankrekeningen van bepaalde personen en dat er op die manier bedragen werden overgeboekt naar rekeningen waar het geld vervolgens van werd afgehaald. Uit het dossier blijkt de volgende werkwijze. Een verkoper plaatst op Marktplaats een advertentie waarin hij een goed te koop aanbiedt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij interesse heeft in het aangeboden goed. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen [medeverdachte 1] en de koper een bedrag overeen.
Volledig
[medeverdachte 1] wekt op slinkse wijze het vertrouwen van de koper door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon of van diens vrouw) toe te sturen. [medeverdachte 1] vraagt de verkoper een afbeelding van zijn identiteitskaart en bankpas terug te sturen. [medeverdachte 1] deelt mee dat hij het overeengekomen bedrag wil betalen via zijn zakelijke bankrekening en dat de verkoper deze betaling moet bevestigen. De verkoper laat zich door [medeverdachte 1] instrueren om de betaling te bevestigen. Op deze wijze ontfutselt [medeverdachte 1] alle noodzakelijke gegevens voor het mobielbankierenaccount van de verkoper. [medeverdachte 1] kan hierdoor het mobielbankierenaccount van de verkoper activeren op zijn telefoon en daarmee toegang krijgen tot de bankrekening van de verkoper. [medeverdachte 1] is in staat om, zonder toestemming van de verkoper, geldbedragen over te schrijven naar de bankrekening van een door [verdachte] , en de medeverdachten [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] (hierna respectievelijk [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) geronselde katvanger. Deze katvangers hebben hun rekening, bankpasje en pincode tegen een geringe vergoeding ter beschikking gesteld. Bedragen die door [medeverdachte 1] worden overgeschreven worden direct na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat door [verdachte] , [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] en zij komen op deze manier in het bezit van het van de bankrekening overgemaakte geld. Ook betaalt [medeverdachte 1] vanaf de bankrekening van de verkoper goederen die hij online bestelt bij onder meer de Media Markt en BCC, waarbij hij laat weten dat de goederen opgehaald zullen worden. De online bestelde goederen worden kort na de bestelling opgehaald door [verdachte] of een door [verdachte] of [medeverdachte 1] geregelde katvanger. [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben aldus een faciliterende rol gespeeld bij het in het handen krijgen van de door (internet)oplichting verkregen geldbedragen en goederen. Uit de bij de oplichting van de aangevers gevolgde werkwijze leidt de rechtbank af dat sprake was van een van tevoren afgesproken taakverdeling. In het kader van die werkwijze vonden in een kort tijdsbestek de volgende handelingen plaats: - contact leggen met een aanbieder naar aanleiding van een advertentie op Marktplaats; - overhalen/betalen van een katvanger; - regelen van de pas en bijbehorende pincode; - verkrijgen van de inloggegevens van de aanbieder; - overboeken van het geld van de rekening van de aanbieder naar de katvangersrekening; - informeren van mededaders dat het geld op een rekening is gestort; - binnen een uur (laten) opnemen van het geld, of - bestellen van goederen bij webwinkels en het en het (laten) afhalen van die goederen. Deze handelingen duiden op een samenwerkingsverband, waarbij de rollen van de deelnemers niet gelijk waren. Er bestond een bepaalde hiërarchie binnen het samenwerkingsverband, waarbij [medeverdachte 1] telkens de initiatiefnemer van de oplichtingen was en ook het contact met de aanbieders op Marktplaats onderhield. Voor het regelen van de benodigde bankpasjes, het pinnen van het geld van de rekeningen van de katvangers en het ophalen van online bestelde goederen schakelde [medeverdachte 1] zijn medeverdachten [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in. Het bewijs voor deze handelingen worden op onderdelen ondersteund door meerdere tapgesprekken (tussen enerzijds [medeverdachte 1] en anderzijds [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) en door verklaringen van de personen die hun bankpas ter beschikking hebben gesteld. In de periode van 22 november 2016 tot en met 10 december 2016 heeft [medeverdachte 1] bij de oplichting gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] en noemde hij zich [naam] . Op 13 december 2016 heeft [medeverdachte 1] naar [verdachte] gebeld en hem meegedeeld dat hij ( [medeverdachte 1] ) niet actief kon gaan (de rechtbank leest: niet kon oplichten) omdat hij geen nieuw nummer meer had. [verdachte] had nog een hele doos Lyca simkaarten en heeft [medeverdachte 1] van een nieuw telefoonnummer ( [telefoonnummer] ) voorzien. [medeverdachte 1] heeft vanaf dat moment 14 december 2016 tot en met 7 januari 2017 bij de oplichtingen gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] en noemde zich [naam] . Op verzoek van [medeverdachte 1] heeft [verdachte] een “ [slachtoffer] ” (bankpas [slachtoffer] ) van een katvanger geregeld. Direct nadat het door oplichting verkregen geld op een bankrekening van een katvanger was geboekt door [medeverdachte 1] gaf [medeverdachte 1] [verdachte] een seintje dat hij naar de pinautomaat (“ [slachtoffer] ”) moest. Vervolgens nam [verdachte] of een door hem ingeschakelde katvanger enkele minuten na de overboeking de bedragen met duizenden (kop) euro’s tegelijk op bij de pinautomaat. [verdachte] heeft bekend dat hij pasjes heeft geregeld. Ook heeft hij bekend dat hij tegen betaling (per keer 50, 100 of 150 euro) heeft gepind van rekeningen waarmee gefraudeerd was. Op momenten dat er geen pinpas voorhanden was bestelde [medeverdachte 1] producten bij de BCC dan wel Media Markt, deze goederen werden betaald vanaf de bankrekening van de verkoper. [verdachte] regelde op verzoek van [medeverdachte 1] een katvanger om het product in de winkel af te halen. [medeverdachte 1] deelde [verdachte] mee dat het product klaar lag in de winkel en kreeg de opdracht het product af te halen. De goederen werden kort na de bestelling door [verdachte] of door een door [verdachte] geregelde katvanger afgehaald. Dit alles vereiste een strakke organisatie waarbij de leden van de criminele organisatie vrijwel constant met elkaar in verbinding stonden. De verdachten hadden rond de tijdstippen van de individuele oplichtingen dan ook steeds nauw contact met elkaar en stemden onderling af hoe te handelen voor en na de oplichtingen. Uit het vorenstaande blijkt dat de samenwerking een duurzaam en gestructureerd karakter had, dat [verdachte] behoorde tot dit samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft gehad en ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. [verdachte] heeft verklaard dat hij wist dat het gepinde geld afkomstig was van (internet)oplichting en hij wist dan ook dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Conclusie Op grond van het voren overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deel heeft uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, computervredebreuk, identiteitsfraude en het witwassen van het daarmee verkregen geld. Het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 3 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de deelneming aan een criminele organisatie van meer personen dan de drie genoemde personen (naast [verdachte] ) ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel.
Volledig
[medeverdachte 1] wekt op slinkse wijze het vertrouwen van de koper door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon of van diens vrouw) toe te sturen. [medeverdachte 1] vraagt de verkoper een afbeelding van zijn identiteitskaart en bankpas terug te sturen. [medeverdachte 1] deelt mee dat hij het overeengekomen bedrag wil betalen via zijn zakelijke bankrekening en dat de verkoper deze betaling moet bevestigen. De verkoper laat zich door [medeverdachte 1] instrueren om de betaling te bevestigen. Op deze wijze ontfutselt [medeverdachte 1] alle noodzakelijke gegevens voor het mobielbankierenaccount van de verkoper. [medeverdachte 1] kan hierdoor het mobielbankierenaccount van de verkoper activeren op zijn telefoon en daarmee toegang krijgen tot de bankrekening van de verkoper. [medeverdachte 1] is in staat om, zonder toestemming van de verkoper, geldbedragen over te schrijven naar de bankrekening van een door [verdachte] , en de medeverdachten [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] (hierna respectievelijk [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) geronselde katvanger. Deze katvangers hebben hun rekening, bankpasje en pincode tegen een geringe vergoeding ter beschikking gesteld. Bedragen die door [medeverdachte 1] worden overgeschreven worden direct na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat door [verdachte] , [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] en zij komen op deze manier in het bezit van het van de bankrekening overgemaakte geld. Ook betaalt [medeverdachte 1] vanaf de bankrekening van de verkoper goederen die hij online bestelt bij onder meer de Media Markt en BCC, waarbij hij laat weten dat de goederen opgehaald zullen worden. De online bestelde goederen worden kort na de bestelling opgehaald door [verdachte] of een door [verdachte] of [medeverdachte 1] geregelde katvanger. [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben aldus een faciliterende rol gespeeld bij het in het handen krijgen van de door (internet)oplichting verkregen geldbedragen en goederen. Uit de bij de oplichting van de aangevers gevolgde werkwijze leidt de rechtbank af dat sprake was van een van tevoren afgesproken taakverdeling. In het kader van die werkwijze vonden in een kort tijdsbestek de volgende handelingen plaats: - contact leggen met een aanbieder naar aanleiding van een advertentie op Marktplaats; - overhalen/betalen van een katvanger; - regelen van de pas en bijbehorende pincode; - verkrijgen van de inloggegevens van de aanbieder; - overboeken van het geld van de rekening van de aanbieder naar de katvangersrekening; - informeren van mededaders dat het geld op een rekening is gestort; - binnen een uur (laten) opnemen van het geld, of - bestellen van goederen bij webwinkels en het en het (laten) afhalen van die goederen. Deze handelingen duiden op een samenwerkingsverband, waarbij de rollen van de deelnemers niet gelijk waren. Er bestond een bepaalde hiërarchie binnen het samenwerkingsverband, waarbij [medeverdachte 1] telkens de initiatiefnemer van de oplichtingen was en ook het contact met de aanbieders op Marktplaats onderhield. Voor het regelen van de benodigde bankpasjes, het pinnen van het geld van de rekeningen van de katvangers en het ophalen van online bestelde goederen schakelde [medeverdachte 1] zijn medeverdachten [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in. Het bewijs voor deze handelingen worden op onderdelen ondersteund door meerdere tapgesprekken (tussen enerzijds [medeverdachte 1] en anderzijds [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) en door verklaringen van de personen die hun bankpas ter beschikking hebben gesteld. In de periode van 22 november 2016 tot en met 10 december 2016 heeft [medeverdachte 1] bij de oplichting gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] en noemde hij zich [naam] . Op 13 december 2016 heeft [medeverdachte 1] naar [verdachte] gebeld en hem meegedeeld dat hij ( [medeverdachte 1] ) niet actief kon gaan (de rechtbank leest: niet kon oplichten) omdat hij geen nieuw nummer meer had. [verdachte] had nog een hele doos Lyca simkaarten en heeft [medeverdachte 1] van een nieuw telefoonnummer ( [telefoonnummer] ) voorzien. [medeverdachte 1] heeft vanaf dat moment 14 december 2016 tot en met 7 januari 2017 bij de oplichtingen gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] en noemde zich [naam] . Op verzoek van [medeverdachte 1] heeft [verdachte] een “ [slachtoffer] ” (bankpas [slachtoffer] ) van een katvanger geregeld. Direct nadat het door oplichting verkregen geld op een bankrekening van een katvanger was geboekt door [medeverdachte 1] gaf [medeverdachte 1] [verdachte] een seintje dat hij naar de pinautomaat (“ [slachtoffer] ”) moest. Vervolgens nam [verdachte] of een door hem ingeschakelde katvanger enkele minuten na de overboeking de bedragen met duizenden (kop) euro’s tegelijk op bij de pinautomaat. [verdachte] heeft bekend dat hij pasjes heeft geregeld. Ook heeft hij bekend dat hij tegen betaling (per keer 50, 100 of 150 euro) heeft gepind van rekeningen waarmee gefraudeerd was. Op momenten dat er geen pinpas voorhanden was bestelde [medeverdachte 1] producten bij de BCC dan wel Media Markt, deze goederen werden betaald vanaf de bankrekening van de verkoper. [verdachte] regelde op verzoek van [medeverdachte 1] een katvanger om het product in de winkel af te halen. [medeverdachte 1] deelde [verdachte] mee dat het product klaar lag in de winkel en kreeg de opdracht het product af te halen. De goederen werden kort na de bestelling door [verdachte] of door een door [verdachte] geregelde katvanger afgehaald. Dit alles vereiste een strakke organisatie waarbij de leden van de criminele organisatie vrijwel constant met elkaar in verbinding stonden. De verdachten hadden rond de tijdstippen van de individuele oplichtingen dan ook steeds nauw contact met elkaar en stemden onderling af hoe te handelen voor en na de oplichtingen. Uit het vorenstaande blijkt dat de samenwerking een duurzaam en gestructureerd karakter had, dat [verdachte] behoorde tot dit samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft gehad en ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. [verdachte] heeft verklaard dat hij wist dat het gepinde geld afkomstig was van (internet)oplichting en hij wist dan ook dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Conclusie Op grond van het voren overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deel heeft uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, computervredebreuk, identiteitsfraude en het witwassen van het daarmee verkregen geld. Het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 3 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de deelneming aan een criminele organisatie van meer personen dan de drie genoemde personen (naast [verdachte] ) ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel.
Volledig
Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten: 1.primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 2 februari 2017, te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, (telkens) van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij wist dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en/of voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten: - op 24 november 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 9500 euro) (aangifte 293, [slachtoffer] , p.14400) ; - op 4 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 3400 euro) (aangifte 312, [slachtoffer] , p.14600) ; - op 8 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2500 euro) (aangifte 317, [slachtoffer] , p. 15600) ; - op 13 en/of 14 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 323, [slachtoffer] ,p.14800) ; - op 24 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 341, [slachtoffer] , p . 16000) ; - op 9 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 10.900, althans 5000 euro ) (aangifte 359, [slachtoffer] , p.15200) ; - op 21 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4500 euro) (aangifte 372, [slachtoffer] , p. 15400) ; - op 2 februari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 7200 euro) (aangifte 387, [slachtoffer] , p. 15100) ; en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt; 2.primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 januari 2017 tot en met 27 januari 2017 , te [plaats 2] , gemeente [gemeente] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) een voorwerp, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en /of een Ipad, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en/of een Ipad gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist (en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/ die voorwerp ( en ) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/ waren uit enig misdrijf; (aangifte 354, [slachtoffer] , p.16400) (aangifte 356, [slachtoffer] , p.16600) (aangifte 376, [slachtoffer] , p. 17100) 3. hij in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats 1] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en /of [medeverdachte 2] n/of één of meer andere personen , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen , heling en /of één of meer ander e misdrijf). Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op: witwassen, meermalen gepleegd. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 166 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis gevorderd. Daarbij heeft de advocaat-generaal onder meer rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Standpunt verdediging De raadsman heeft verzocht verdachte bij een veroordeling een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de redelijke termijn fors is overschreden en dat verdachte zijn leven heeft gebeterd. Oordeel hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is het volgende in bijzonder in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte) witwassen en aan deelname aan een criminele organisatie. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zich op geraffineerde en gewetenloze wijze schuldig gemaakt aan Marktplaatsoplichtingen. Verdachte vormde een belangrijke schakel in het geheel aan handelingen die tot het bewezen verklaarde (gewoonte)witwassen en deelname aan de criminele organisatie hebben geleid. Verdachte en zijn medeverdachten hebben voorafgaand aan de oplichting door [medeverdachte 1] , katvangers geronseld die tegen een geringe vergoeding hun bankrekening, bankpas en pincode ter beschikking stelden. Zo nodig lieten zij de katvangers voorafgaand aan het pinnen hun opnamelimieten verhogen. Deze katvangers waren vaak kwetsbare personen met financiële problemen die de vergoeding goed konden gebruiken en de gevolgen voor lief namen. Bedragen die werden overgeschreven door [medeverdachte 1] werden direct na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat door verdachte of door een van de medeverdachten. Indien er geen bankpas van een katvanger beschikbaar was werden door [medeverdachte 1] goederen besteld die door hem werden betaald vanaf de bankrekeningen van aangevers. Bestelde goederen werden doorgaans door verdachte opgehaald, soms schakelde hij een ander daarvoor in. Dit alles vereiste een strakke organisatie waarbij de leden van de criminele organisatie vrijwel constant met elkaar in verbinding stonden. Verdachte heeft daarbij enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor de personen die hun bankrekening ter beschikking stelden. Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 oktober 2025. Daaruit volgt dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Naar het oordeel van het hof kan gelet op het bovenstaande, en in het bijzonder vanwege de ernst van de feiten en de impact die dit heeft gehad op de slachtoffers, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde straf in beginsel passend en geboden. Het hof is evenwel van oordeel dat de straf dient te worden gematigd vanwege het feit dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In eerste aanleg is de redelijke termijn met één jaar overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn voorts met vijf jaar, twee maanden en 24 dagen overschreden. Immers is het hoger beroep ingesteld op 30 december 2020 en dit arrest wordt gewezen op 24 maart 2026.
Volledig
Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten: 1.primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 2 februari 2017, te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, (telkens) van een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten de hierna te noemen geldbedragen voorhanden had, terwijl hij wist dat die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en/of voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten de hierna te noemen geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten: - op 24 november 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 9500 euro) (aangifte 293, [slachtoffer] , p.14400) ; - op 4 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 3400 euro) (aangifte 312, [slachtoffer] , p.14600) ; - op 8 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 2500 euro) (aangifte 317, [slachtoffer] , p. 15600) ; - op 13 en/of 14 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 323, [slachtoffer] ,p.14800) ; - op 24 december 2016 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 5000 euro) (aangifte 341, [slachtoffer] , p . 16000) ; - op 9 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 10.900, althans 5000 euro ) (aangifte 359, [slachtoffer] , p.15200) ; - op 21 januari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 4500 euro) (aangifte 372, [slachtoffer] , p. 15400) ; - op 2 februari 2017 een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 7200 euro) (aangifte 387, [slachtoffer] , p. 15100) ; en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt; 2.primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 januari 2017 tot en met 27 januari 2017 , te [plaats 2] , gemeente [gemeente] en/of [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) een voorwerp, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en /of een Ipad, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten drie, althans een aantal, Apple Macbooks en/of een Ipad gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist (en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/ die voorwerp ( en ) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/ waren uit enig misdrijf; (aangifte 354, [slachtoffer] , p.16400) (aangifte 356, [slachtoffer] , p.16600) (aangifte 376, [slachtoffer] , p. 17100) 3. hij in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te [plaats 1] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en /of [medeverdachte 2] n/of één of meer andere personen , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen , heling en /of één of meer ander e misdrijf). Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op: witwassen, meermalen gepleegd. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 166 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis gevorderd. Daarbij heeft de advocaat-generaal onder meer rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Standpunt verdediging De raadsman heeft verzocht verdachte bij een veroordeling een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de redelijke termijn fors is overschreden en dat verdachte zijn leven heeft gebeterd. Oordeel hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is het volgende in bijzonder in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte) witwassen en aan deelname aan een criminele organisatie. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zich op geraffineerde en gewetenloze wijze schuldig gemaakt aan Marktplaatsoplichtingen. Verdachte vormde een belangrijke schakel in het geheel aan handelingen die tot het bewezen verklaarde (gewoonte)witwassen en deelname aan de criminele organisatie hebben geleid. Verdachte en zijn medeverdachten hebben voorafgaand aan de oplichting door [medeverdachte 1] , katvangers geronseld die tegen een geringe vergoeding hun bankrekening, bankpas en pincode ter beschikking stelden. Zo nodig lieten zij de katvangers voorafgaand aan het pinnen hun opnamelimieten verhogen. Deze katvangers waren vaak kwetsbare personen met financiële problemen die de vergoeding goed konden gebruiken en de gevolgen voor lief namen. Bedragen die werden overgeschreven door [medeverdachte 1] werden direct na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat door verdachte of door een van de medeverdachten. Indien er geen bankpas van een katvanger beschikbaar was werden door [medeverdachte 1] goederen besteld die door hem werden betaald vanaf de bankrekeningen van aangevers. Bestelde goederen werden doorgaans door verdachte opgehaald, soms schakelde hij een ander daarvoor in. Dit alles vereiste een strakke organisatie waarbij de leden van de criminele organisatie vrijwel constant met elkaar in verbinding stonden. Verdachte heeft daarbij enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor de personen die hun bankrekening ter beschikking stelden. Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 oktober 2025. Daaruit volgt dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Naar het oordeel van het hof kan gelet op het bovenstaande, en in het bijzonder vanwege de ernst van de feiten en de impact die dit heeft gehad op de slachtoffers, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde straf in beginsel passend en geboden. Het hof is evenwel van oordeel dat de straf dient te worden gematigd vanwege het feit dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In eerste aanleg is de redelijke termijn met één jaar overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn voorts met vijf jaar, twee maanden en 24 dagen overschreden. Immers is het hoger beroep ingesteld op 30 december 2020 en dit arrest wordt gewezen op 24 maart 2026.
Volledig
Het hof zal in dit geval de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmodaliteit, mede gelet op de rol van verdachte in criminele samenwerkingsverband. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal het hof overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van 166 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, opleggen. Dat betekent dat na aftrek van de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, verdachte niet opnieuw de gevangenis in hoeft. Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissingen van de rechtbank dienen te worden bevestigd. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Oordeel van het hof Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partijen [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde feiten respectievelijk € 4.578,20, € 969,- en € 72,60 (post: reiskosten) schade hebben geleden. De vorderingen zijn in zoverre voldoende onderbouwd en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof zal de gevorderde materiële schade, nu deze door de verdediging niet is betwist, daarom integraal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft de posten verlies inkomsten (€2.500,00) en immateriële schade (€ 3.000,00) niet-ontvankelijk verklaren omdat het hof van oordeel is dat verdere behandeling van deze posten van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof ten aanzien van alle benadeelde partijen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Wetsartikelen De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 166 (honderdzesenzestig) dagen . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 120 (honderdtwintig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis . Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.578,20 (vierduizend vijfhonderdachtenzeventig euro en twintig cent) ter zake van materiële schade , waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.578,20 (vierduizend vijfhonderdachtenzeventig euro en twintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 januari 2017. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 969,00 (negenhonderdnegenenzestig euro) ter zake van materiële schade , waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 969,00 (negenhonderdnegenenzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 januari 2017. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 72,60 (tweeënzeventig euro en zestig cent) ter zake van materiële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 72,60 (tweeënzeventig euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag.
Volledig
Het hof zal in dit geval de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmodaliteit, mede gelet op de rol van verdachte in criminele samenwerkingsverband. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal het hof overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van 166 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, opleggen. Dat betekent dat na aftrek van de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, verdachte niet opnieuw de gevangenis in hoeft. Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissingen van de rechtbank dienen te worden bevestigd. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Oordeel van het hof Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partijen [slachtoffer] , [slachtoffer] en [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde feiten respectievelijk € 4.578,20, € 969,- en € 72,60 (post: reiskosten) schade hebben geleden. De vorderingen zijn in zoverre voldoende onderbouwd en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof zal de gevorderde materiële schade, nu deze door de verdediging niet is betwist, daarom integraal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft de posten verlies inkomsten (€2.500,00) en immateriële schade (€ 3.000,00) niet-ontvankelijk verklaren omdat het hof van oordeel is dat verdere behandeling van deze posten van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof ten aanzien van alle benadeelde partijen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Wetsartikelen De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 166 (honderdzesenzestig) dagen . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 120 (honderdtwintig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis . Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.578,20 (vierduizend vijfhonderdachtenzeventig euro en twintig cent) ter zake van materiële schade , waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.578,20 (vierduizend vijfhonderdachtenzeventig euro en twintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 januari 2017. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 969,00 (negenhonderdnegenenzestig euro) ter zake van materiële schade , waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 969,00 (negenhonderdnegenenzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 januari 2017. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 72,60 (tweeënzeventig euro en zestig cent) ter zake van materiële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 72,60 (tweeënzeventig euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag.
Volledig
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 januari 2017. Aldus gewezen door mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. L.A. Kjellevold, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffier, en op 24 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 24 maart 2026. Tegenwoordig: mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter, mr. J.H.D. van Onna, advocaat-generaal, mr. B.T.H. Toonen - Janssen, griffier. De voorzitter doet de zaak uitroepen. De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. De voorzitter spreekt het arrest uit. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend. Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. In het geval wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit pagina’s uit het dossier van [verdachte] van de Politie Eenheid [locatie 1] . Per bewijsmiddel wordt het betreffende subdossier aangeduid. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Wanneer hierna wordt verwezen naar een tapgesprek, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een telefoongesprek waarvan de kenmerken worden vermeld – voor zover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, sessienummer en paginanummer. Feit 1 het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van [verdachte] als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv; Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] mede namens [bedrijf] van 25 november 2016, pag. 14410 tot en met 14414 van het subdossier MO02 PL0600-2016577902 (Map 21); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 14489 tot en met 14495 van het subdossier MO02 PL0600-2016577902 (Map 21); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 5 december 2016, pag. 14610 tot en met 14611 van het subdossier MO02 PL0600-2016606686 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 14623 tot en met 14631 van het subdossier MO02 PL0600-2016606686 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 15 december 2016, pag. 15613 tot en met 15614 van het subdossier MO02 PL0600-2016610516 (map 23); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 15677 tot en met 15681 van het subdossier MO02 PL0600-2016610516 (map 23); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 18 december 2016, pag. 14811 tot en met 14813 van het subdossier MO02 PL0600-2017069505 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 14883 tot en met 14893 van het subdossier MO02 PL0600-2017069505 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 28 december 2016, pag. 16010 tot en met 16013 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 14 maart 2017, pag. 16107 tot en met 16122 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 12 januari 2017, pag. 15211 tot en met 15218 van het subdossier MO02 PL0600-2017115136 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 15299 tot en met 15306 van het subdossier MO02 PL0600-2017115136 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 23 januari 2017, pag. 15409 tot en met 15411 van het subdossier MO02 PL0600-2017166439 (Map 23); Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 23 maart 2017, pag. 15482 tot en met 15491 van het subdossier MO02 PL0600-2017166439 (Map 23); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 3 februari 2017, pag. 15110 tot en met 15111 van het subdossier MO02 PL0600-2016606686 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 15152 tot en met 15163 van het subdossier MO02 PL0600-2016606686 (Map 22); Feit 2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv; Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 9 januari 2017, pag. 16410 tot en met 16412 van het subdossier MO03 PL0600-2017035426 (Map 24); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 9 januari 2017, pag. 16611 tot en met 16612 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24); Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] van 16 maart 2017, pag. 16729 tot en met 16730 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 20 januari 2017, pag. 17110 tot en met 17111 van het subdossier MO03 PL0600-2017050134 (Map 25); Feit 3 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2020, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende de verklaring van [verdachte] : Ik beken dat ik in opdracht van [medeverdachte 1] bankpasjes heb geregeld. Iedere keer als over [naam] wordt gesproken, gaat het over [medeverdachte 1] . Ook heb ik tegen een geringe vergoeding geldbedragen van de bankrekeningen gepind. Het is juist dat ik wist dat er werd ingebroken op de bankrekeningen van bepaalde personen en dat er op die manier bedragen werden overgeboekt naar rekeningen waar het geld vervolgens van werd afgehaald. Mijn telefoonnummer was in de ten laste gelegde periode [telefoonnummer] . Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 7 februari 2017, zakelijk weergegeven, voor zover van belang, inhoudende op pag. 1048 van het persoonsdossier (Map 2): U noemt het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dat is mijn telefoonnummer. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 16 februari 2017, zakelijk weergegeven, voor zover van belang, inhoudende op pag. 18048 van het zaaksdossier criminele organisatie (Map 27): Ik heb aan [verdachte] gevraagd of hij pasjes kan regelen. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, zakelijk weergegeven, voor zover van belang, inhoudende op pag. 14439 van het subdossier MO02 PL0600-2016577902 (Map 21): Ik kan u verklaren dat het genoemde nummer (rechtbank: [telefoonnummer] ) eindigend op [telefoonnummer] mijn eigen telefoonnummer is. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 8 februari 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 14072 van het persoonsdossier van [verdachte] (Map 21): Ik heb wel eens pasjes geregeld. Ik weet dat ik er eentje bij mij had toen ik ben aangehouden. Die had ik via [naam] . Hij gaf het pasje aan mij en ik stopte het in mijn zak. Ik ken alleen de achternaam van de persoon van dat pasje, [naam] . Een tapgesprek met sessienummer 88747, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag.
Volledig
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 januari 2017. Aldus gewezen door mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. L.A. Kjellevold, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffier, en op 24 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 24 maart 2026. Tegenwoordig: mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter, mr. J.H.D. van Onna, advocaat-generaal, mr. B.T.H. Toonen - Janssen, griffier. De voorzitter doet de zaak uitroepen. De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. De voorzitter spreekt het arrest uit. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend. Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. In het geval wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit pagina’s uit het dossier van [verdachte] van de Politie Eenheid [locatie 1] . Per bewijsmiddel wordt het betreffende subdossier aangeduid. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Wanneer hierna wordt verwezen naar een tapgesprek, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een telefoongesprek waarvan de kenmerken worden vermeld – voor zover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, sessienummer en paginanummer. Feit 1 het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van [verdachte] als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv; Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] mede namens [bedrijf] van 25 november 2016, pag. 14410 tot en met 14414 van het subdossier MO02 PL0600-2016577902 (Map 21); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 14489 tot en met 14495 van het subdossier MO02 PL0600-2016577902 (Map 21); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 5 december 2016, pag. 14610 tot en met 14611 van het subdossier MO02 PL0600-2016606686 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 14623 tot en met 14631 van het subdossier MO02 PL0600-2016606686 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 15 december 2016, pag. 15613 tot en met 15614 van het subdossier MO02 PL0600-2016610516 (map 23); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 15677 tot en met 15681 van het subdossier MO02 PL0600-2016610516 (map 23); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 18 december 2016, pag. 14811 tot en met 14813 van het subdossier MO02 PL0600-2017069505 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 14883 tot en met 14893 van het subdossier MO02 PL0600-2017069505 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 28 december 2016, pag. 16010 tot en met 16013 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 14 maart 2017, pag. 16107 tot en met 16122 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 12 januari 2017, pag. 15211 tot en met 15218 van het subdossier MO02 PL0600-2017115136 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 15299 tot en met 15306 van het subdossier MO02 PL0600-2017115136 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 23 januari 2017, pag. 15409 tot en met 15411 van het subdossier MO02 PL0600-2017166439 (Map 23); Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 23 maart 2017, pag. 15482 tot en met 15491 van het subdossier MO02 PL0600-2017166439 (Map 23); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 3 februari 2017, pag. 15110 tot en met 15111 van het subdossier MO02 PL0600-2016606686 (Map 22); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] namens [slachtoffer] (zaak [slachtoffer] ) van 16 februari 2017, pag. 15152 tot en met 15163 van het subdossier MO02 PL0600-2016606686 (Map 22); Feit 2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv; Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 9 januari 2017, pag. 16410 tot en met 16412 van het subdossier MO03 PL0600-2017035426 (Map 24); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 9 januari 2017, pag. 16611 tot en met 16612 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24); Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] van 16 maart 2017, pag. 16729 tot en met 16730 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24); Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 20 januari 2017, pag. 17110 tot en met 17111 van het subdossier MO03 PL0600-2017050134 (Map 25); Feit 3 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2020, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende de verklaring van [verdachte] : Ik beken dat ik in opdracht van [medeverdachte 1] bankpasjes heb geregeld. Iedere keer als over [naam] wordt gesproken, gaat het over [medeverdachte 1] . Ook heb ik tegen een geringe vergoeding geldbedragen van de bankrekeningen gepind. Het is juist dat ik wist dat er werd ingebroken op de bankrekeningen van bepaalde personen en dat er op die manier bedragen werden overgeboekt naar rekeningen waar het geld vervolgens van werd afgehaald. Mijn telefoonnummer was in de ten laste gelegde periode [telefoonnummer] . Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 7 februari 2017, zakelijk weergegeven, voor zover van belang, inhoudende op pag. 1048 van het persoonsdossier (Map 2): U noemt het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dat is mijn telefoonnummer. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 16 februari 2017, zakelijk weergegeven, voor zover van belang, inhoudende op pag. 18048 van het zaaksdossier criminele organisatie (Map 27): Ik heb aan [verdachte] gevraagd of hij pasjes kan regelen. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, zakelijk weergegeven, voor zover van belang, inhoudende op pag. 14439 van het subdossier MO02 PL0600-2016577902 (Map 21): Ik kan u verklaren dat het genoemde nummer (rechtbank: [telefoonnummer] ) eindigend op [telefoonnummer] mijn eigen telefoonnummer is. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 8 februari 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 14072 van het persoonsdossier van [verdachte] (Map 21): Ik heb wel eens pasjes geregeld. Ik weet dat ik er eentje bij mij had toen ik ben aangehouden. Die had ik via [naam] . Hij gaf het pasje aan mij en ik stopte het in mijn zak. Ik ken alleen de achternaam van de persoon van dat pasje, [naam] . Een tapgesprek met sessienummer 88747, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag.
Volledig
16079 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 13 december 2016 om 03:27 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt he broer luister ik kan niet actief gaan ik heb geen nieuw nummer man jij hebt toch simkaart gekregen [telefoonnummer] : zegt wat [telefoonnummer] : zegt gebruik jij die simkaart die je vandaag hebt gekregen [telefoonnummer] : zegt ik heb een hele doos Lyca [telefoonnummer] : zegt heb je bij je thuis [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt kun je eentje activeren en mij die nummer geven zodat ik de whatsapp daarop kan doen [telefoonnummer] : zegt ja wacht even dan [telefoonnummer] : zegt je moet wei in je telefoon doen he [telefoonnummer] : zegt ja duh wacht wacht he even kijken he [medeverdachte 1] [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt is wel Lyca he [telefoonnummer] : zegt maakt niet uit heb je ai bericht gedaan [telefoonnummer] : zegt nee bijna wacht [telefoonnummer] : zegt weetje hoe je de telefoonnummer kunt zien he [telefoonnummer] : zegt hmm [telefoonnummer] : zegt weetje hoe je de telefoonnummer kunt zien [telefoonnummer] : zegt van deze [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt nee moet je mij zo even zeggen [telefoonnummer] : zegt nee ik weet toch niet wat het telefoonnummer is [telefoonnummer] : zegt ja kan ik nou even kijken is geen probleem [telefoonnummer] : zegt je moet [telefoonnummer] : zegt oke [telefoonnummer] : zegt maar eerst activeren he [telefoonnummer] : zegt hoe doe je dat ook al weer bij Lyca [telefoonnummer] : zegt [telefoonnummer] of [telefoonnummer] staat toch op die ding man. Je moet wachten tot service komt eerst Je hoort op de achtergrond: welkom bij Lyca [telefoonnummer] : zegt He [medeverdachte 1] [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt service gebruik (onverstaanbaar) je kunt uitbellen [telefoonnummer] : zegt ja oke doe * [telefoonnummer] : zegt wacht even ik heb Lyca ooh hier man nummer is deze [telefoonnummer] : zegt ik heb net bericht gekregen mijn nummer mijn lyca nummer is [telefoonnummer] kan dat [telefoonnummer] : zegt wacht even ik stuur een smsje [telefoonnummer] heb je sms gekregen [telefoonnummer] : zegt nee volgens mij niet wat heb je gestuurd ooh whatsapp bericht [telefoonnummer] : zegt ja whatsapp code [telefoonnummer] : zegt oke je whatsapp code is [nummer] [telefoonnummer] : zegt is gelukt [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt ik ga nu (onverstaanbaar) [telefoonnummer] : zegt ik geef je morgen die hele doos ja [telefoonnummer] : zegt he [telefoonnummer] : zegt ik heb die hele doos Lyca [telefoonnummer] : zegt is goed bro [telefoonnummer] : zegt ik gooi die simkaart weg he [telefoonnummer] : zegt ja gooi weg bedankt [telefoonnummer] : zegt geen dank Een tapgesprek met sessienummer 151696, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16093 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 18:14 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt wacht even bro waar ben je [telefoonnummer] : zegt ik ben nou bij de ik ga nou die shit verhogen [telefoonnummer] : zegt dus je hebt hem al [telefoonnummer] : zegt nee ik ben nu bij de onverstaanbaar ze geeft hem nou [telefoonnummer] : zegt is goed snel Een tapgesprek met sessienummer 151707, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16094 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 18:27 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt oke [rekeningnummer] en de naam is [naam] [telefoonnummer] : zegt oke wanneer ben je bij [slachtoffer] [telefoonnummer] : zegt euh geef mij 5 minuten en dan ben ik daar [telefoonnummer] : zegt oke rij maar Een tapgesprek met sessienummer 151778, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16099 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 19:25 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt waar ben je [telefoonnummer] : zegt ik ben nou bij de bank [telefoonnummer] : zegt pin vast een kop [telefoonnummer] : zegt ja is goed Een tapgesprek met sessienummer 151780, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16101 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 19:27 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt heb je gepind [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt heb je in je zak [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt oke wacht even blijf daar he [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt broer je moet weer gaan pinnen bro [telefoonnummer] : zegt hoeveel [telefoonnummer] : zegt hoeveel heb je net gepind [telefoonnummer] : zegt 1000 [telefoonnummer] : zegt nou 4 kop snel [telefoonnummer] : zegt jo Een tapgesprek met sessienummer 151784, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16104 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 19:33 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt met wie ben jij eigenlijk [telefoonnummer] : zegt met [naam] en zo Een tapgesprek met sessienummer 222946, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16715 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24): Datum: 7 januari 2017 om 16:09 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt dat [telefoonnummer] die (onverstaanbaar) moet bellen en naar BCC [plaats 2] . [telefoonnummer] : stuurt [telefoonnummer] de scanbevestiging. [telefoonnummer] : zegt dat hij haar vast moet bellen, dat ze klaar moet staan Een tapgesprek met sessienummer 222956, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16716 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24): Datum: 7 januari 2017 om 16:22 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : vraagt waar [telefoonnummer] is [telefoonnummer] : is onderweg naar haar [telefoonnummer] : vraagt hoelang het nog duurt [telefoonnummer] : zegt max 10 minuten [telefoonnummer] : zegt dat het al klaar staat in [plaats 2] , een MacBook, en dat [telefoonnummer] daarna naar [plaats 3] moet rijden voor de televisie [telefoonnummer] : vraagt of dat ook op haar naam staat [telefoonnummer] : zegt dat [telefoonnummer] toch de helft van alles krijgt, als [telefoonnummer] vraagt wat hij haar geeft Een tapgesprek met sessienummer 223060, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16721 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24): Datum: 7 januari 2017 om 16:22 uur Beller: [telefoonnummer] , [verdachte] Gebelde: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] [telefoonnummer] : zegt dat [telefoonnummer] die "dinge" moet sturen [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] wat moest laten zien in [plaats 4] [telefoonnummer] : zegt dat hij de code moest laten zien [telefoonnummer] : stuurt het Een tapgesprek met sessienummer 7698, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 17994 van het zaakdossier criminele organisatie (map 27): Datum: 19 januari 2017 om 18:12 uur Beller: [telefoonnummer] , [verdachte] Gebelde: [telefoonnummer] , no-hit [telefoonnummer] : zegt hij een vriend uit Turkije heeft opgehaald, die eerst hier woonde. Hij kon er gelijk 3 of 4 regelen en hij wil er ook 1 op zijn eigen naam doen. [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] dat wil of niet wil 0459: maakt het niet uit [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] dat nog zelf doet, of niet meer zelf doet [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] de pasjes in zijn hand heeft [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] zelf doet [telefoonnummer] : zegt dat ie met [medeverdachte 1] doet, [medeverdachte 1] opent, dan krijgt hij een beetje van [telefoonnummer] en als [telefoonnummer] opent, krijgt [medeverdachte 1] van [telefoonnummer] . [telefoonnummer] : zegt dat ie met de anderen niet meer doet.
Volledig
16079 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 13 december 2016 om 03:27 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt he broer luister ik kan niet actief gaan ik heb geen nieuw nummer man jij hebt toch simkaart gekregen [telefoonnummer] : zegt wat [telefoonnummer] : zegt gebruik jij die simkaart die je vandaag hebt gekregen [telefoonnummer] : zegt ik heb een hele doos Lyca [telefoonnummer] : zegt heb je bij je thuis [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt kun je eentje activeren en mij die nummer geven zodat ik de whatsapp daarop kan doen [telefoonnummer] : zegt ja wacht even dan [telefoonnummer] : zegt je moet wei in je telefoon doen he [telefoonnummer] : zegt ja duh wacht wacht he even kijken he [medeverdachte 1] [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt is wel Lyca he [telefoonnummer] : zegt maakt niet uit heb je ai bericht gedaan [telefoonnummer] : zegt nee bijna wacht [telefoonnummer] : zegt weetje hoe je de telefoonnummer kunt zien he [telefoonnummer] : zegt hmm [telefoonnummer] : zegt weetje hoe je de telefoonnummer kunt zien [telefoonnummer] : zegt van deze [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt nee moet je mij zo even zeggen [telefoonnummer] : zegt nee ik weet toch niet wat het telefoonnummer is [telefoonnummer] : zegt ja kan ik nou even kijken is geen probleem [telefoonnummer] : zegt je moet [telefoonnummer] : zegt oke [telefoonnummer] : zegt maar eerst activeren he [telefoonnummer] : zegt hoe doe je dat ook al weer bij Lyca [telefoonnummer] : zegt [telefoonnummer] of [telefoonnummer] staat toch op die ding man. Je moet wachten tot service komt eerst Je hoort op de achtergrond: welkom bij Lyca [telefoonnummer] : zegt He [medeverdachte 1] [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt service gebruik (onverstaanbaar) je kunt uitbellen [telefoonnummer] : zegt ja oke doe * [telefoonnummer] : zegt wacht even ik heb Lyca ooh hier man nummer is deze [telefoonnummer] : zegt ik heb net bericht gekregen mijn nummer mijn lyca nummer is [telefoonnummer] kan dat [telefoonnummer] : zegt wacht even ik stuur een smsje [telefoonnummer] heb je sms gekregen [telefoonnummer] : zegt nee volgens mij niet wat heb je gestuurd ooh whatsapp bericht [telefoonnummer] : zegt ja whatsapp code [telefoonnummer] : zegt oke je whatsapp code is [nummer] [telefoonnummer] : zegt is gelukt [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt ik ga nu (onverstaanbaar) [telefoonnummer] : zegt ik geef je morgen die hele doos ja [telefoonnummer] : zegt he [telefoonnummer] : zegt ik heb die hele doos Lyca [telefoonnummer] : zegt is goed bro [telefoonnummer] : zegt ik gooi die simkaart weg he [telefoonnummer] : zegt ja gooi weg bedankt [telefoonnummer] : zegt geen dank Een tapgesprek met sessienummer 151696, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16093 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 18:14 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt wacht even bro waar ben je [telefoonnummer] : zegt ik ben nou bij de ik ga nou die shit verhogen [telefoonnummer] : zegt dus je hebt hem al [telefoonnummer] : zegt nee ik ben nu bij de onverstaanbaar ze geeft hem nou [telefoonnummer] : zegt is goed snel Een tapgesprek met sessienummer 151707, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16094 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 18:27 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt oke [rekeningnummer] en de naam is [naam] [telefoonnummer] : zegt oke wanneer ben je bij [slachtoffer] [telefoonnummer] : zegt euh geef mij 5 minuten en dan ben ik daar [telefoonnummer] : zegt oke rij maar Een tapgesprek met sessienummer 151778, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16099 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 19:25 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt waar ben je [telefoonnummer] : zegt ik ben nou bij de bank [telefoonnummer] : zegt pin vast een kop [telefoonnummer] : zegt ja is goed Een tapgesprek met sessienummer 151780, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16101 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 19:27 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt heb je gepind [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt heb je in je zak [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt oke wacht even blijf daar he [telefoonnummer] : zegt ja [telefoonnummer] : zegt broer je moet weer gaan pinnen bro [telefoonnummer] : zegt hoeveel [telefoonnummer] : zegt hoeveel heb je net gepind [telefoonnummer] : zegt 1000 [telefoonnummer] : zegt nou 4 kop snel [telefoonnummer] : zegt jo Een tapgesprek met sessienummer 151784, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16104 van het subdossier MO02 PL0600-2016626700 (map 24): Datum: 24 december 2016 om 19:33 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt met wie ben jij eigenlijk [telefoonnummer] : zegt met [naam] en zo Een tapgesprek met sessienummer 222946, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16715 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24): Datum: 7 januari 2017 om 16:09 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : zegt dat [telefoonnummer] die (onverstaanbaar) moet bellen en naar BCC [plaats 2] . [telefoonnummer] : stuurt [telefoonnummer] de scanbevestiging. [telefoonnummer] : zegt dat hij haar vast moet bellen, dat ze klaar moet staan Een tapgesprek met sessienummer 222956, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16716 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24): Datum: 7 januari 2017 om 16:22 uur Beller: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] Gebelde: [telefoonnummer] , [verdachte] [telefoonnummer] : vraagt waar [telefoonnummer] is [telefoonnummer] : is onderweg naar haar [telefoonnummer] : vraagt hoelang het nog duurt [telefoonnummer] : zegt max 10 minuten [telefoonnummer] : zegt dat het al klaar staat in [plaats 2] , een MacBook, en dat [telefoonnummer] daarna naar [plaats 3] moet rijden voor de televisie [telefoonnummer] : vraagt of dat ook op haar naam staat [telefoonnummer] : zegt dat [telefoonnummer] toch de helft van alles krijgt, als [telefoonnummer] vraagt wat hij haar geeft Een tapgesprek met sessienummer 223060, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 16721 van het subdossier MO03 PL0600-2017035399 (Map 24): Datum: 7 januari 2017 om 16:22 uur Beller: [telefoonnummer] , [verdachte] Gebelde: [telefoonnummer] , [medeverdachte 1] [telefoonnummer] : zegt dat [telefoonnummer] die "dinge" moet sturen [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] wat moest laten zien in [plaats 4] [telefoonnummer] : zegt dat hij de code moest laten zien [telefoonnummer] : stuurt het Een tapgesprek met sessienummer 7698, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 17994 van het zaakdossier criminele organisatie (map 27): Datum: 19 januari 2017 om 18:12 uur Beller: [telefoonnummer] , [verdachte] Gebelde: [telefoonnummer] , no-hit [telefoonnummer] : zegt hij een vriend uit Turkije heeft opgehaald, die eerst hier woonde. Hij kon er gelijk 3 of 4 regelen en hij wil er ook 1 op zijn eigen naam doen. [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] dat wil of niet wil 0459: maakt het niet uit [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] dat nog zelf doet, of niet meer zelf doet [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] de pasjes in zijn hand heeft [telefoonnummer] : vraagt of [telefoonnummer] zelf doet [telefoonnummer] : zegt dat ie met [medeverdachte 1] doet, [medeverdachte 1] opent, dan krijgt hij een beetje van [telefoonnummer] en als [telefoonnummer] opent, krijgt [medeverdachte 1] van [telefoonnummer] . [telefoonnummer] : zegt dat ie met de anderen niet meer doet.