Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-28
ECLI:NL:GHARL:2026:2612
Civiel recht
Hoger beroep
10,930 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2612 text/xml public 2026-05-06T12:00:36 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.339.103/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2025:6507 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2612 text/html public 2026-05-04T11:31:49 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2612 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.339.103/01 Effectenlease. Dexia. Vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW niet verjaard. Effectenleaseovereenkomsten rechtsgeldig vernietigd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.339.103 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 9451589 arrest van 28 april 2026 in de zaak van Dexia Nederland B.V. die is gevestigd in Amsterdam die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiseres hierna: Dexia advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer tegen [geïntimeerde] die woont in [woonplaats] en bij de kantonrechter optrad als gedaagde hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer advocaat: mr. J.B. Maliepaard 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 2 december 2025 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na het getuigenverhoor hebben partijen memories na enquête ingediend. Hierna heeft de afnemer aanvullend gefourneerd en is de zaak voor arrest komen te staan. 1.2. De afnemer heeft op 30 oktober 2025 het hof verzocht om ex artikel 32 Rv tot aanvulling van voornoemd tussenarrest over te gaan. Nadat Dexia zich daarover heeft uitgelaten, heeft het hof partijen bericht dat het in dit eindarrest op dat verzoek zal beslissen. 2 De kern van de zaak 2.1. Tussen Dexia en de afnemer zijn vijf effectenleaseovereenkomsten gesloten. Het betreft de effectenleaseovereenkomsten met nummers [overeenkomstnummer1] (gesloten in 1997), [overeenkomstnummer2] (gesloten in 1997) en [overeenkomstnummer3] (gesloten in 1998) (hierna: de overeenkomsten). Daarnaast gaat het om de effectenleaseovereenkomsten met nummers [overeenkomstnummer4] (gesloten in 2000) en [overeenkomstnummer5] (gesloten in 2001). De toenmalige echtgenoot van de afnemer ( [naam] , hierna: [naam] ) had geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten. Bij brief van 7 februari 2003 heeft [naam] aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van die toestemming, de overeenkomsten vernietigt (op grond van artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij, vanwege die vernietiging van de overeenkomsten, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard. 3 De verdere beoordeling Verzoek aanvulling tussenarrest/beroep op niet-ontvankelijkheid 3.1. De afnemer heeft in zijn memorie van antwoord een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid. Het hof heeft op dat verweer nog niet beslist in zijn tussenarrest. De afnemer heeft het hof met een beroep op het bepaalde in artikel 32 Rv verzocht om het arrest op dit punt aan te vullen. Dexia heeft zich daartegen verzet. Het hof heeft partijen bericht dat het bij eindarrest op het verzoek van de afnemer zal beslissen. Artikel 32 Rv heeft betrekking op de situatie dat verzuimd is te beslissen op een deel van het gevorderde of verzochte. Het betoog van de afnemer dat Dexia niet-ontvankelijk is, is geen eis maar een verweer, zodat artikel 32 Rv daarop geen betrekking heeft. Bovendien heeft het hof nog geen eindarrest gewezen. Het hof zal het verweer van de afnemer hier bespreken. Dexia heeft in haar dagvaarding in hoger beroep vermeld dat zij tegen het vonnis van 17 augustus 2003 in beroep komt. Het eindvonnis van 7 december 2023 wordt niet in de appeldagvaarding vermeld. De afnemer heeft aangevoerd dat Dexia hierdoor niet-ontvankelijk is. Verder betoogt de afnemer dat Dexia geen grieven heeft gericht tegen r.o. 4.5 van het tussenvonnis waarin de kantonrechter heeft overwogen dat het beroep op vernietiging ten aanzien van de overeenkomsten uit 2000 en 2001 tijdig is gedaan. Ook dit dient volgens de afnemer tot niet-ontvankelijkheid te leiden. Het verweer wordt verworpen. Een hoger beroep dat is ingesteld tegen een tussenvonnis kan weliswaar niet geacht worden mede te zijn gericht tegen het eindvonnis of tegen latere tussenvonnissen, maar hier doet zich de situatie voor dat Dexia hoger beroep heeft ingesteld na het eindvonnis. Uit de appeldagvaarding blijkt duidelijk en onmiskenbaar dat Dexia bedoeld heeft om (ook) hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis. Zij concludeert daarin immers tot het alsnog (volledig) toewijzen van haar vorderingen en om de afnemer te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen Dexia op grond van het vonnis van 17 augustus 2023 heeft betaald. Nu in het vonnis van 17 augustus 2023, anders dan in het eindvonnis, geen veroordeling is uitgesproken, kan de appeldagvaarding naar het oordeel van het hof niet anders begrepen worden dan dat sprake is van een kennelijke fout en dat bedoeld is om (ook) hoger beroep tegen het eindvonnis in te stellen. Verder volgt uit de memorie van grieven duidelijk dat Dexia bedoeld heeft (ook) tegen het eindvonnis in hoger beroep te komen. De grieven zijn immers gericht tegen het eindvonnis. Dat Dexia geen grieven heeft gericht tegen r.o. 4.5 van het tussenvonnis leidt evenmin tot niet-ontvankelijkheid. Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW/1:89 lid 1 BW 3.2. De grieven van Dexia richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam] op een eerdere datum dan 7 februari 2000 al bekend was met de overeenkomst, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat [naam] niet voor 7 februari 2000 bekend was met de overeenkomst (zie rov. 2.10 van het eindvonnis). Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief I), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief II) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief III). Ten slotte is de kantonrechter ten onrechte uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de afnemer en zijn toenmalige echtgenote (grief IV). 3.3. Het hof heeft in zijn tussenarrest geoordeeld dat het vernietigingsrecht van [naam] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn op of voor 7 februari 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [naam] op of voor 7 februari 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest. 3.4. Het hof heeft in het tussenarrest verder geoordeeld dat het vermoeden geldt dat, behoudens door de afnemer te leveren tegenbewijs, [naam] door ontvangst van de rekeningafschriften van die rekening, korte tijd na het aangaan van de overeenkomst – en dus voor 7 februari 2000 – daadwerkelijk met de overeenkomsten bekend is geworden. De afnemer is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [naam] vóór 7 februari 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten. Dit bewijsvermoeden is ontleend aan het (tussen partijen vaststaande) feit dat de betalingen aan Dexia ter zake de overeenkomsten vanaf het begin af aan hebben plaatsgevonden van een gezamenlijke bankrekening (een “en/of-rekening”) die op naam was gesteld van de afnemer en [naam] . De afnemer heeft zichzelf en [naam] als (partij)getuige laten horen. Dexia heeft afgezien van contra-enquête. 3.5. Het hof is van oordeel dat de afnemer het voorshands aangenomen bewijs heeft ontzenuwd en daarmee in het leveren van tegenbewijs is geslaagd. Hiervoor is het volgende van belang. 3.6.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2612 text/xml public 2026-05-06T12:00:36 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.339.103/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2025:6507 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2612 text/html public 2026-05-04T11:31:49 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2612 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.339.103/01 Effectenlease. Dexia. Vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW niet verjaard. Effectenleaseovereenkomsten rechtsgeldig vernietigd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.339.103 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 9451589 arrest van 28 april 2026 in de zaak van Dexia Nederland B.V. die is gevestigd in Amsterdam die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eiseres hierna: Dexia advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer tegen [geïntimeerde] die woont in [woonplaats] en bij de kantonrechter optrad als gedaagde hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer advocaat: mr. J.B. Maliepaard 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 2 december 2025 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na het getuigenverhoor hebben partijen memories na enquête ingediend. Hierna heeft de afnemer aanvullend gefourneerd en is de zaak voor arrest komen te staan. 1.2. De afnemer heeft op 30 oktober 2025 het hof verzocht om ex artikel 32 Rv tot aanvulling van voornoemd tussenarrest over te gaan. Nadat Dexia zich daarover heeft uitgelaten, heeft het hof partijen bericht dat het in dit eindarrest op dat verzoek zal beslissen. 2 De kern van de zaak 2.1. Tussen Dexia en de afnemer zijn vijf effectenleaseovereenkomsten gesloten. Het betreft de effectenleaseovereenkomsten met nummers [overeenkomstnummer1] (gesloten in 1997), [overeenkomstnummer2] (gesloten in 1997) en [overeenkomstnummer3] (gesloten in 1998) (hierna: de overeenkomsten). Daarnaast gaat het om de effectenleaseovereenkomsten met nummers [overeenkomstnummer4] (gesloten in 2000) en [overeenkomstnummer5] (gesloten in 2001). De toenmalige echtgenoot van de afnemer ( [naam] , hierna: [naam] ) had geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten. Bij brief van 7 februari 2003 heeft [naam] aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van die toestemming, de overeenkomsten vernietigt (op grond van artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij, vanwege die vernietiging van de overeenkomsten, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard. 3 De verdere beoordeling Verzoek aanvulling tussenarrest/beroep op niet-ontvankelijkheid 3.1. De afnemer heeft in zijn memorie van antwoord een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid. Het hof heeft op dat verweer nog niet beslist in zijn tussenarrest. De afnemer heeft het hof met een beroep op het bepaalde in artikel 32 Rv verzocht om het arrest op dit punt aan te vullen. Dexia heeft zich daartegen verzet. Het hof heeft partijen bericht dat het bij eindarrest op het verzoek van de afnemer zal beslissen. Artikel 32 Rv heeft betrekking op de situatie dat verzuimd is te beslissen op een deel van het gevorderde of verzochte. Het betoog van de afnemer dat Dexia niet-ontvankelijk is, is geen eis maar een verweer, zodat artikel 32 Rv daarop geen betrekking heeft. Bovendien heeft het hof nog geen eindarrest gewezen. Het hof zal het verweer van de afnemer hier bespreken. Dexia heeft in haar dagvaarding in hoger beroep vermeld dat zij tegen het vonnis van 17 augustus 2003 in beroep komt. Het eindvonnis van 7 december 2023 wordt niet in de appeldagvaarding vermeld. De afnemer heeft aangevoerd dat Dexia hierdoor niet-ontvankelijk is. Verder betoogt de afnemer dat Dexia geen grieven heeft gericht tegen r.o. 4.5 van het tussenvonnis waarin de kantonrechter heeft overwogen dat het beroep op vernietiging ten aanzien van de overeenkomsten uit 2000 en 2001 tijdig is gedaan. Ook dit dient volgens de afnemer tot niet-ontvankelijkheid te leiden. Het verweer wordt verworpen. Een hoger beroep dat is ingesteld tegen een tussenvonnis kan weliswaar niet geacht worden mede te zijn gericht tegen het eindvonnis of tegen latere tussenvonnissen, maar hier doet zich de situatie voor dat Dexia hoger beroep heeft ingesteld na het eindvonnis. Uit de appeldagvaarding blijkt duidelijk en onmiskenbaar dat Dexia bedoeld heeft om (ook) hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis. Zij concludeert daarin immers tot het alsnog (volledig) toewijzen van haar vorderingen en om de afnemer te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen Dexia op grond van het vonnis van 17 augustus 2023 heeft betaald. Nu in het vonnis van 17 augustus 2023, anders dan in het eindvonnis, geen veroordeling is uitgesproken, kan de appeldagvaarding naar het oordeel van het hof niet anders begrepen worden dan dat sprake is van een kennelijke fout en dat bedoeld is om (ook) hoger beroep tegen het eindvonnis in te stellen. Verder volgt uit de memorie van grieven duidelijk dat Dexia bedoeld heeft (ook) tegen het eindvonnis in hoger beroep te komen. De grieven zijn immers gericht tegen het eindvonnis. Dat Dexia geen grieven heeft gericht tegen r.o. 4.5 van het tussenvonnis leidt evenmin tot niet-ontvankelijkheid. Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW/1:89 lid 1 BW 3.2. De grieven van Dexia richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam] op een eerdere datum dan 7 februari 2000 al bekend was met de overeenkomst, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat [naam] niet voor 7 februari 2000 bekend was met de overeenkomst (zie rov. 2.10 van het eindvonnis). Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief I), dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief II) en dat de kantonrechter ten onrechte is vooruitgelopen op de uitkomst van een getuigenverhoor (grief III). Ten slotte is de kantonrechter ten onrechte uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de afnemer en zijn toenmalige echtgenote (grief IV). 3.3. Het hof heeft in zijn tussenarrest geoordeeld dat het vernietigingsrecht van [naam] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn op of voor 7 februari 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [naam] op of voor 7 februari 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest. 3.4. Het hof heeft in het tussenarrest verder geoordeeld dat het vermoeden geldt dat, behoudens door de afnemer te leveren tegenbewijs, [naam] door ontvangst van de rekeningafschriften van die rekening, korte tijd na het aangaan van de overeenkomst – en dus voor 7 februari 2000 – daadwerkelijk met de overeenkomsten bekend is geworden. De afnemer is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [naam] vóór 7 februari 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten. Dit bewijsvermoeden is ontleend aan het (tussen partijen vaststaande) feit dat de betalingen aan Dexia ter zake de overeenkomsten vanaf het begin af aan hebben plaatsgevonden van een gezamenlijke bankrekening (een “en/of-rekening”) die op naam was gesteld van de afnemer en [naam] . De afnemer heeft zichzelf en [naam] als (partij)getuige laten horen. Dexia heeft afgezien van contra-enquête. 3.5. Het hof is van oordeel dat de afnemer het voorshands aangenomen bewijs heeft ontzenuwd en daarmee in het leveren van tegenbewijs is geslaagd. Hiervoor is het volgende van belang. 3.6.
Volledig
De afnemer heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. De afnemer is destijds bekend geraakt met de financiële producten van Legio Lease door een advertentie in de krant. Hij kreeg een formulier thuis gestuurd. Dat formulier heeft hij ingevuld en teruggestuurd. Er was geen adviseur bij betrokken en hij heeft niemand van Dexia (het hof begrijpt: Legio Lease) gesproken. Hij heeft de contracten afgesloten zodat als hij met pensioen zou gaan, hij dan iets meer zou overhouden en zodat zijn kinderen zouden kunnen gaan studeren. Hij heeft het aangaan van de overeenkomst niet besproken met [naam] . Zij wist van niets. Zij bemoeide zich niet met de financiën, ze had er geen interesse in. Toen zij trouwden kocht de afnemer een woning op zijn eigen naam. [naam] was niet betrokken bij de financiële kant van de aankoop van die woning. De afnemer werkte in het onderwijs. Hij haalde contant geld bij de Rabobank. [naam] betaalde contant als zij naar de winkel ging. Alles ging toen nog contant. De afnemer deed de betalingen. Zij bespraken de inkomsten en uitgaven niet maandelijks. Zij bespraken wel als zij geld overboekten van de spaarrekening naar de lopende rekening, bijvoorbeeld voor een nieuwe auto. [naam] had zelf ook een spaarrekening op haar eigen naam. Zij betaalden een nieuwe auto met spaargeld. Als dat kon, vulde [naam] het aan met haar spaargeld. Zij waren op huwelijkse voorwaarden getrouwd. In 2015, de afnemer weet het jaartal niet zeker, is het huwelijk via de notaris omgezet naar een huwelijk in gemeenschap van goederen. [naam] deed het huishouden en zorgde voor de kinderen. De afnemer werkte en deed de financiën. Hij deed ook de belastingaangifte. Hij had een boekhouder en ging daar één keer per jaar naar toe. De boekhouder nam alle papieren die hij meenam door. De boekhouder diende de aangifte in. De afnemer zette zijn handtekening. [naam] zag de belastingaangifte niet, de afnemer vertelde haar alleen wat zij terugkregen van de belastingdienst. De afnemer opende alle post. [naam] gaf de binnengekomen post aan de afnemer of de afnemer haalde het zelf uit de brievenbus. [naam] keek nooit naar de post. [naam] keek destijds nooit naar de bankafschriften van de gezamenlijke rekening. [naam] weet pas van het bestaan van de overeenkomsten na het zien van een programma van Radar op de televisie. De afnemer wist door een aankondiging in de krant of een vooraankondiging op televisie dat Radar het over Dexia ging hebben en wat er bij Dexia allemaal misging. Toen heeft hij tegen [naam] gezegd dat ze dat programma moesten gaan kijken. Toen kwam er volgens hem ook iets over Legio Lease op televisie. Die vrouw die Radar deed vertelde dat het allemaal niet goed zat en dat je je kon aanmelden bij Leaseproces. De afnemer heeft toen tegen [naam] gezegd dat hij ook dingen had lopen bij Legio Lease. Toen heeft hij zich aangemeld bij Leaseproces. Dat was in 2001 of 2002. Daarvoor heeft hij nooit met [naam] gesproken over de overeenkomsten. Toen [naam] erachter kwam dat de afnemer de overeenkomsten had gesloten was zij er niet bang voor dat er wat mis was, omdat zij niet zoveel met financiën had. 3.7. [naam] heeft onder meer het volgende verklaard. Zij had in 1997/1998 geen werk. Zij was huisvrouw en zorgde voor de kinderen. De afnemer deed de financiën. Het huis was van de afnemer. Hij zorgde voor het inkomen. [naam] bemoeide zich daar niet mee. Zij keek nooit op haar bankrekening. Als er een keer een nieuwe wasmachine moest komen, dan beslisten ze dat samen. Ook als de auto moest worden vervangen, beslisten ze dat samen. Zij bespraken niet de inkomsten en uitgaven. [naam] interesseerde zich daar niet voor. Het was het inkomen van de afnemer. [naam] had een eigen spaarrekening. En er was een gezamenlijke rekening. De rekeningen waren allemaal bij de Rabobank of de Boerenleenbank. Heel vroeger heette het de Boerenleenbank. [naam] weet ook nu nog niet van welke rekening er maandelijks werd afgeschreven voor alle financiële producten van Dexia. De afnemer deed de financiële administratie en de belastingaangifte. [naam] keek er nooit naar. De afnemer ging naar een persoon die hem hielp met de belastingaangifte. [naam] keek niet naar de ingevulde belastingaangifte. Zij zette ook geen handtekening. De afnemer zette zijn handtekening. Zo ging dat in die tijd: de vrouwen zorgden voor de kinderen en de man deed de financiële zaken. De afnemer opende de post. [naam] haalde de post uit de brievenbus en dan keek de afnemer ernaar. Destijds kwam er heel veel post binnen. Er kwam ook veel post van verenigingen voor haar man. [naam] opende de post nooit. Er kwam nooit post voor haar. Als de afnemer de post had geopend, keek [naam] er ook niet naar. Zij bekeek en controleerde de bankafschriften niet. Zij had vroeger geen eigen bankpas van de en/of rekening. Dat is later pas gekomen, maar nog niet zo lang geleden. Misschien tien jaar geleden. De afnemer haalde contant geld op en daarvan deden zij betalingen. De bankpassen kwamen pas veel later. [naam] weet van het bestaan van de overeenkomsten sinds het op televisie is geweest bij Radar, bij de Tros. De afnemer vertelde tijdens de uitzending van Radar dat hij ook met Dexia in zee was gegaan. De afnemer vertelde dat hij ook iets afgesloten had. [naam] schrok ervan. Zij hebben er met elkaar over gesproken. Zij stelde vragen. De afnemer vertelde dat ze moesten bijbetalen. Dat was toen ze naar de uitzending van Radar keken. De afnemer vertelde dat ze schulden hadden gekregen hierdoor. 3.8. In aanmerking genomen deze getuigenverklaringen en de in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van de afnemer en [naam] , ook in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof het aan de afschrijvingen van de en/of rekening ontleende bewijsvermoeden (Dexia heeft geen (nader) bewijs geleverd) dat [naam] vóór 7 februari 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten, ontzenuwd. Doordat het financieel beheer enkel door de afnemer werd uitgevoerd, (onder meer) via de en/of-rekening waarvan [naam] geen pinpas had en waar zij niet op keek, kan niet worden aangenomen dat zij via deze rekening bekend raakte met de overeenkomsten. Zij opende geen post, waaronder bankafschriften, en hield zich niet bezig met de financiën binnen het gezin, behoudens indien er grote uitgaven zoals de aanschaf van een auto of wasmachine gedaan moesten worden. Het hof acht de verklaringen van de afnemer en [naam] omtrent het beheer van de financiën geloofwaardig en als geheel voldoende consistent. Zowel de afnemer en [naam] hebben verder consistent verklaard dat de afnemer [naam] aanvankelijk niet heeft ingelicht over het afsluiten van de overeenkomsten en dat [naam] daarvan pas op de hoogte raakte na het zien van een uitzending van Radar. [geïntimeerde] heeft verklaard dat dat in 2001 of 2002 moet zijn geweest, waarna hij zich had aangemeld bij Leaseproces. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de overeenkomsten zonder tussenkomst van een tussenpersoon, aan Legio-Lease zijn toegezonden. Hetgeen Dexia bij memorie na enquête tegen dat alles heeft aangevoerd is – gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen – van onvoldoende gewicht. Dexia heeft onder meer opgemerkt dat uit de getuigenverklaringen volgt dat de afnemer en [naam] hun verklaringen op elkaar en op hun schriftelijke verklaringen hebben afgestemd. Dat de getuigen (al dan niet in grote lijnen) hetzelfde hebben verklaard als in hun schriftelijke verklaringen maakt hun getuigenverklaringen evenwel niet onbetrouwbaar. Er is ook geen grond om te veronderstellen of aan te nemen dat de getuigen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd of dat de verklaringen niet authentiek zouden zijn. Ook de stelling van Dexia dat de getuigenverklaringen doorspekt zijn van twijfel wordt niet gevolgd. Dat de getuigen zich zoveel jaren later niet meer alles konden herinneren is verklaarbaar en maakt hetgeen de getuigen zich nog wel wisten te herinneren niet onbetrouwbaar.
Volledig
De afnemer heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. De afnemer is destijds bekend geraakt met de financiële producten van Legio Lease door een advertentie in de krant. Hij kreeg een formulier thuis gestuurd. Dat formulier heeft hij ingevuld en teruggestuurd. Er was geen adviseur bij betrokken en hij heeft niemand van Dexia (het hof begrijpt: Legio Lease) gesproken. Hij heeft de contracten afgesloten zodat als hij met pensioen zou gaan, hij dan iets meer zou overhouden en zodat zijn kinderen zouden kunnen gaan studeren. Hij heeft het aangaan van de overeenkomst niet besproken met [naam] . Zij wist van niets. Zij bemoeide zich niet met de financiën, ze had er geen interesse in. Toen zij trouwden kocht de afnemer een woning op zijn eigen naam. [naam] was niet betrokken bij de financiële kant van de aankoop van die woning. De afnemer werkte in het onderwijs. Hij haalde contant geld bij de Rabobank. [naam] betaalde contant als zij naar de winkel ging. Alles ging toen nog contant. De afnemer deed de betalingen. Zij bespraken de inkomsten en uitgaven niet maandelijks. Zij bespraken wel als zij geld overboekten van de spaarrekening naar de lopende rekening, bijvoorbeeld voor een nieuwe auto. [naam] had zelf ook een spaarrekening op haar eigen naam. Zij betaalden een nieuwe auto met spaargeld. Als dat kon, vulde [naam] het aan met haar spaargeld. Zij waren op huwelijkse voorwaarden getrouwd. In 2015, de afnemer weet het jaartal niet zeker, is het huwelijk via de notaris omgezet naar een huwelijk in gemeenschap van goederen. [naam] deed het huishouden en zorgde voor de kinderen. De afnemer werkte en deed de financiën. Hij deed ook de belastingaangifte. Hij had een boekhouder en ging daar één keer per jaar naar toe. De boekhouder nam alle papieren die hij meenam door. De boekhouder diende de aangifte in. De afnemer zette zijn handtekening. [naam] zag de belastingaangifte niet, de afnemer vertelde haar alleen wat zij terugkregen van de belastingdienst. De afnemer opende alle post. [naam] gaf de binnengekomen post aan de afnemer of de afnemer haalde het zelf uit de brievenbus. [naam] keek nooit naar de post. [naam] keek destijds nooit naar de bankafschriften van de gezamenlijke rekening. [naam] weet pas van het bestaan van de overeenkomsten na het zien van een programma van Radar op de televisie. De afnemer wist door een aankondiging in de krant of een vooraankondiging op televisie dat Radar het over Dexia ging hebben en wat er bij Dexia allemaal misging. Toen heeft hij tegen [naam] gezegd dat ze dat programma moesten gaan kijken. Toen kwam er volgens hem ook iets over Legio Lease op televisie. Die vrouw die Radar deed vertelde dat het allemaal niet goed zat en dat je je kon aanmelden bij Leaseproces. De afnemer heeft toen tegen [naam] gezegd dat hij ook dingen had lopen bij Legio Lease. Toen heeft hij zich aangemeld bij Leaseproces. Dat was in 2001 of 2002. Daarvoor heeft hij nooit met [naam] gesproken over de overeenkomsten. Toen [naam] erachter kwam dat de afnemer de overeenkomsten had gesloten was zij er niet bang voor dat er wat mis was, omdat zij niet zoveel met financiën had. 3.7. [naam] heeft onder meer het volgende verklaard. Zij had in 1997/1998 geen werk. Zij was huisvrouw en zorgde voor de kinderen. De afnemer deed de financiën. Het huis was van de afnemer. Hij zorgde voor het inkomen. [naam] bemoeide zich daar niet mee. Zij keek nooit op haar bankrekening. Als er een keer een nieuwe wasmachine moest komen, dan beslisten ze dat samen. Ook als de auto moest worden vervangen, beslisten ze dat samen. Zij bespraken niet de inkomsten en uitgaven. [naam] interesseerde zich daar niet voor. Het was het inkomen van de afnemer. [naam] had een eigen spaarrekening. En er was een gezamenlijke rekening. De rekeningen waren allemaal bij de Rabobank of de Boerenleenbank. Heel vroeger heette het de Boerenleenbank. [naam] weet ook nu nog niet van welke rekening er maandelijks werd afgeschreven voor alle financiële producten van Dexia. De afnemer deed de financiële administratie en de belastingaangifte. [naam] keek er nooit naar. De afnemer ging naar een persoon die hem hielp met de belastingaangifte. [naam] keek niet naar de ingevulde belastingaangifte. Zij zette ook geen handtekening. De afnemer zette zijn handtekening. Zo ging dat in die tijd: de vrouwen zorgden voor de kinderen en de man deed de financiële zaken. De afnemer opende de post. [naam] haalde de post uit de brievenbus en dan keek de afnemer ernaar. Destijds kwam er heel veel post binnen. Er kwam ook veel post van verenigingen voor haar man. [naam] opende de post nooit. Er kwam nooit post voor haar. Als de afnemer de post had geopend, keek [naam] er ook niet naar. Zij bekeek en controleerde de bankafschriften niet. Zij had vroeger geen eigen bankpas van de en/of rekening. Dat is later pas gekomen, maar nog niet zo lang geleden. Misschien tien jaar geleden. De afnemer haalde contant geld op en daarvan deden zij betalingen. De bankpassen kwamen pas veel later. [naam] weet van het bestaan van de overeenkomsten sinds het op televisie is geweest bij Radar, bij de Tros. De afnemer vertelde tijdens de uitzending van Radar dat hij ook met Dexia in zee was gegaan. De afnemer vertelde dat hij ook iets afgesloten had. [naam] schrok ervan. Zij hebben er met elkaar over gesproken. Zij stelde vragen. De afnemer vertelde dat ze moesten bijbetalen. Dat was toen ze naar de uitzending van Radar keken. De afnemer vertelde dat ze schulden hadden gekregen hierdoor. 3.8. In aanmerking genomen deze getuigenverklaringen en de in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van de afnemer en [naam] , ook in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof het aan de afschrijvingen van de en/of rekening ontleende bewijsvermoeden (Dexia heeft geen (nader) bewijs geleverd) dat [naam] vóór 7 februari 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten, ontzenuwd. Doordat het financieel beheer enkel door de afnemer werd uitgevoerd, (onder meer) via de en/of-rekening waarvan [naam] geen pinpas had en waar zij niet op keek, kan niet worden aangenomen dat zij via deze rekening bekend raakte met de overeenkomsten. Zij opende geen post, waaronder bankafschriften, en hield zich niet bezig met de financiën binnen het gezin, behoudens indien er grote uitgaven zoals de aanschaf van een auto of wasmachine gedaan moesten worden. Het hof acht de verklaringen van de afnemer en [naam] omtrent het beheer van de financiën geloofwaardig en als geheel voldoende consistent. Zowel de afnemer en [naam] hebben verder consistent verklaard dat de afnemer [naam] aanvankelijk niet heeft ingelicht over het afsluiten van de overeenkomsten en dat [naam] daarvan pas op de hoogte raakte na het zien van een uitzending van Radar. [geïntimeerde] heeft verklaard dat dat in 2001 of 2002 moet zijn geweest, waarna hij zich had aangemeld bij Leaseproces. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de overeenkomsten zonder tussenkomst van een tussenpersoon, aan Legio-Lease zijn toegezonden. Hetgeen Dexia bij memorie na enquête tegen dat alles heeft aangevoerd is – gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen – van onvoldoende gewicht. Dexia heeft onder meer opgemerkt dat uit de getuigenverklaringen volgt dat de afnemer en [naam] hun verklaringen op elkaar en op hun schriftelijke verklaringen hebben afgestemd. Dat de getuigen (al dan niet in grote lijnen) hetzelfde hebben verklaard als in hun schriftelijke verklaringen maakt hun getuigenverklaringen evenwel niet onbetrouwbaar. Er is ook geen grond om te veronderstellen of aan te nemen dat de getuigen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd of dat de verklaringen niet authentiek zouden zijn. Ook de stelling van Dexia dat de getuigenverklaringen doorspekt zijn van twijfel wordt niet gevolgd. Dat de getuigen zich zoveel jaren later niet meer alles konden herinneren is verklaarbaar en maakt hetgeen de getuigen zich nog wel wisten te herinneren niet onbetrouwbaar.
Volledig
De afnemer en [naam] hebben voldoende duidelijk verklaard over het moment waarop [naam] bekend raakte met de overeenkomsten, namelijk na het zien van een uitzending van het televisieprogramma Radar. Dat was volgens de afnemer in 2001 of 2002. Dexia betoogt dat het moment van wetenschap daarmee onvoldoende is geconcretiseerd. Dexia heeft evenwel de stelling van de afnemer in zijn memorie na enquête dat het betreffende programma pas ruim na 7 februari 2000 werd opgenomen en uitgezonden, niet weersproken. Het hof deelt verder niet het standpunt van Dexia dat [naam] aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd en dat de afnemer daardoor niet is geslaagd in het ontzenuwen van het bewijsvermoeden. Dat [naam] heeft verklaard dat er nooit post voor haar kwam, is op zichzelf genomen weliswaar onwaarschijnlijk, maar dat enkele gegeven maakt haar verklaring voor het overige, en meer specifiek ten aanzien van het niet openen en niet bekijken van de bankafschriften van de gezamenlijke rekening, niet onbetrouwbaar. Het hof begrijpt de bedoelde verklaring van [naam] , gelet ook op het onderwerp van de procedure waarin het verhoor plaatsvond, overigens zo dat zij daarmee niet gedoeld heeft op bijvoorbeeld verjaardagskaarten maar op zakelijke post en post over financiële zaken. [naam] heeft verder verklaard dat zij weliswaar een eigen spaarrekening had, maar dat zij daar nooit iets mee deed. De post over financiële zaken werd, zo heeft [naam] verklaard, geopend en afgehandeld door de afnemer. Anders dan Dexia aanvoert kan verder niet uit de getuigenverklaringen worden afgeleid dat [naam] wel degelijk interesse had in de financiën van het gezin, behoudens zeer incidenteel overleg over grotere uitgaven zoals een auto of een wasmachine. Hetgeen Dexia verder in eerste aanleg en in hoger beroep ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid heeft aangedragen betreft vooral veronderstellingen. 3.9. Dexia vermeldt in haar antwoordakte dat een medewerker van Leaseproces, de gemachtigde van de afnemer in eerste aanleg, “voorafgaand aan iedere enquête” op de gang gesprekken voert met de getuigen, en dat het daarbij “vaker voorkomt” dat betrokkenen aan de zijde van Dexia horen dat die medewerker van Leaseproces inhoudelijk op de zaken ingaat en deze met de getuigen bespreekt. Dexia meent dat “een dergelijke beïnvloeding van getuigen” onaanvaardbaar is en zij verzoekt het hof daaraan de gevolgen te verbinden die het hof geraden acht. Het hof merkt allereerst op dat de afnemer en diens advocaat niet in de gelegenheid zijn geweest om op deze beschuldiging te reageren. Het hof ziet, mede gelet op de duur van de procedure, ook geen aanleiding om nog gelegenheid voor een dergelijke reactie te geven. Dexia heeft namelijk niet, of in elk geval niet voldoende duidelijk gesteld dat in dit geval van beïnvloeding van de getuigen sprake zou zijn geweest. Bovendien is een van de gehoorde getuigen – te weten de afnemer – zelf ook procespartij. Dat laatste brengt mee dat niet elke bespreking van inhoudelijke aspecten van de zaak met een getuige, als een ongeoorloofde beïnvloeding van die getuige kan worden aangemerkt. De beschuldigingen van Dexia zijn daarom te vaag en te algemeen om daar in deze concrete procedure gevolgen aan te kunnen verbinden. 3.10. Het hof is, zoals vermeld, van oordeel dat de afnemer het in zijn nadeel werkende bewijsvermoeden ontzenuwd heeft. Voorts is het hof van oordeel dat Dexia, gelet op wat de afnemer en [naam] als getuige hebben verklaard, met de door haar genoemde stellingen en bewijsstukken, niet bewezen heeft dat [naam] op of voor 7 februari 2000 al bekend was met de overeenkomsten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verjaringstermijn van de vordering tot vernietiging pas na 7 februari 2000 is aangevangen en dat die termijn nadien tijdig is gestuit, zodat [naam] met haar brief van 7 februari 2003 de drie overeenkomsten uit 1997 en 1998 rechtsgeldig heeft vernietigd. Ten aanzien van de overige overeenkomsten die zijn gesloten in 2000 en 2001 heeft het hof in het tussenarrest al geoordeeld dat het eindoordeel van de kantonrechter, dat [naam] die overeenkomsten tijdig heeft vernietigd, in stand blijft. Dit betekent dat de grieven van Dexia tegen de bestreden vonnissen van de kantonrechter niet slagen en deze vonnissen bekrachtigd zullen worden. De conclusie 3.11. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.12. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Overijssel van 17 augustus 2023 en 7 december 2023; 4.2. veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van de afnemer: € 349,- aan griffierecht € 3.225,- aan salaris van de advocaat van de afnemer (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief II); 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Volledig
De afnemer en [naam] hebben voldoende duidelijk verklaard over het moment waarop [naam] bekend raakte met de overeenkomsten, namelijk na het zien van een uitzending van het televisieprogramma Radar. Dat was volgens de afnemer in 2001 of 2002. Dexia betoogt dat het moment van wetenschap daarmee onvoldoende is geconcretiseerd. Dexia heeft evenwel de stelling van de afnemer in zijn memorie na enquête dat het betreffende programma pas ruim na 7 februari 2000 werd opgenomen en uitgezonden, niet weersproken. Het hof deelt verder niet het standpunt van Dexia dat [naam] aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd en dat de afnemer daardoor niet is geslaagd in het ontzenuwen van het bewijsvermoeden. Dat [naam] heeft verklaard dat er nooit post voor haar kwam, is op zichzelf genomen weliswaar onwaarschijnlijk, maar dat enkele gegeven maakt haar verklaring voor het overige, en meer specifiek ten aanzien van het niet openen en niet bekijken van de bankafschriften van de gezamenlijke rekening, niet onbetrouwbaar. Het hof begrijpt de bedoelde verklaring van [naam] , gelet ook op het onderwerp van de procedure waarin het verhoor plaatsvond, overigens zo dat zij daarmee niet gedoeld heeft op bijvoorbeeld verjaardagskaarten maar op zakelijke post en post over financiële zaken. [naam] heeft verder verklaard dat zij weliswaar een eigen spaarrekening had, maar dat zij daar nooit iets mee deed. De post over financiële zaken werd, zo heeft [naam] verklaard, geopend en afgehandeld door de afnemer. Anders dan Dexia aanvoert kan verder niet uit de getuigenverklaringen worden afgeleid dat [naam] wel degelijk interesse had in de financiën van het gezin, behoudens zeer incidenteel overleg over grotere uitgaven zoals een auto of een wasmachine. Hetgeen Dexia verder in eerste aanleg en in hoger beroep ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid heeft aangedragen betreft vooral veronderstellingen. 3.9. Dexia vermeldt in haar antwoordakte dat een medewerker van Leaseproces, de gemachtigde van de afnemer in eerste aanleg, “voorafgaand aan iedere enquête” op de gang gesprekken voert met de getuigen, en dat het daarbij “vaker voorkomt” dat betrokkenen aan de zijde van Dexia horen dat die medewerker van Leaseproces inhoudelijk op de zaken ingaat en deze met de getuigen bespreekt. Dexia meent dat “een dergelijke beïnvloeding van getuigen” onaanvaardbaar is en zij verzoekt het hof daaraan de gevolgen te verbinden die het hof geraden acht. Het hof merkt allereerst op dat de afnemer en diens advocaat niet in de gelegenheid zijn geweest om op deze beschuldiging te reageren. Het hof ziet, mede gelet op de duur van de procedure, ook geen aanleiding om nog gelegenheid voor een dergelijke reactie te geven. Dexia heeft namelijk niet, of in elk geval niet voldoende duidelijk gesteld dat in dit geval van beïnvloeding van de getuigen sprake zou zijn geweest. Bovendien is een van de gehoorde getuigen – te weten de afnemer – zelf ook procespartij. Dat laatste brengt mee dat niet elke bespreking van inhoudelijke aspecten van de zaak met een getuige, als een ongeoorloofde beïnvloeding van die getuige kan worden aangemerkt. De beschuldigingen van Dexia zijn daarom te vaag en te algemeen om daar in deze concrete procedure gevolgen aan te kunnen verbinden. 3.10. Het hof is, zoals vermeld, van oordeel dat de afnemer het in zijn nadeel werkende bewijsvermoeden ontzenuwd heeft. Voorts is het hof van oordeel dat Dexia, gelet op wat de afnemer en [naam] als getuige hebben verklaard, met de door haar genoemde stellingen en bewijsstukken, niet bewezen heeft dat [naam] op of voor 7 februari 2000 al bekend was met de overeenkomsten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verjaringstermijn van de vordering tot vernietiging pas na 7 februari 2000 is aangevangen en dat die termijn nadien tijdig is gestuit, zodat [naam] met haar brief van 7 februari 2003 de drie overeenkomsten uit 1997 en 1998 rechtsgeldig heeft vernietigd. Ten aanzien van de overige overeenkomsten die zijn gesloten in 2000 en 2001 heeft het hof in het tussenarrest al geoordeeld dat het eindoordeel van de kantonrechter, dat [naam] die overeenkomsten tijdig heeft vernietigd, in stand blijft. Dit betekent dat de grieven van Dexia tegen de bestreden vonnissen van de kantonrechter niet slagen en deze vonnissen bekrachtigd zullen worden. De conclusie 3.11. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Dexia in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Dexia tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.12. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Overijssel van 17 augustus 2023 en 7 december 2023; 4.2. veroordeelt Dexia tot betaling van de volgende proceskosten van de afnemer: € 349,- aan griffierecht € 3.225,- aan salaris van de advocaat van de afnemer (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief II); 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.