Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-16
ECLI:NL:GHARL:2026:2506
K24/210773 Beschikking in de zaak van [klager] , woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn gemachtigde, hierna te noemen: klager, bijgestaan door mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, tegen een onbekend gebleven lid van de Mobiele Eenheid, hierna te noemen: beklaagde, Op 17 oktober 2024 is ter griffie van het hof een klaagschrift van diezelfde datum binnengekomen van klager. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen. Het hof heeft kennisgenomen van het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken. Op 27 maart 2026 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren klager en zijn gemachtigde, mr. W.H. Jebbink, en de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord. De advocaat-generaal heeft in overeenstemming met het schriftelijk verslag geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klacht. Het beklag Klager heeft op 10 januari 2024 aangifte gedaan van mishandeling, gepleegd door beklaagde op 9 september 2023 in [plaats] . De officier van justitie heeft klager bij brief van 12 maart 2024 meegedeeld dat beklaagde niet vervolgd zal worden, omdat het niet mogelijk is gebleken nader onderzoek naar de toedracht en de bedoelingen van beklaagde in te stellen omdat onduidelijk is gebleven wie de beklaagde is. De beoordeling van het beklag Ontvankelijkheid Klager kan als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd en is daarom ontvankelijk in zijn beklag. Feiten en omstandigheden Op zaterdag 9 september 2023 vond er een demonstratie plaats [plaats] in [plaats] . De demonstratie was geïnitieerd door [naam] . Klager nam deel aan deze demonstratie. De politie heeft de demonstranten op enig moment verzocht - en daarna gevorderd - [plaats] te verlaten. Klager heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven. De politie heeft vervolgens aangekondigd een waterwerper (een geweldsmiddel dat door de Mobiele Eenheid van de politie onder andere wordt ingezet om een groep mensen uiteen te drijven) te zullen inzetten. Klager is met zijn rug richting de waterwerper gaan zitten en bleef daar – ondanks de daadwerkelijke inzet van het middel en de herhaalde oproep van de politie om weg te gaan – zitten. Uit de aangifte van klager volgt dat kort na de inzet van de waterwerper door de politie is besloten om de mensen die nog op de weg zaten (waaronder dus ook klager) van de weg te verwijderen. Klager werd door agenten gewaarschuwd dat zij hem zouden meenemen als hij niet zelf zou opstaan. Klager negeerde deze mededeling. Daarop is hij door minstens drie agenten beetgepakt, op een zogenoemde brancard gelegd en naar de arrestantenbus gebracht. Omdat klager zijn lichaam bewust “slap” hield en de agenten hem daarom niet van de brancard kregen, werd hij tweemaal met een vlakke hand in zijn gezicht geslagen en uit de brancard “gekieperd”. Daarna werd hij vanaf de achterkant van de bus door twee agenten meegesleept naar de ingang van de bus. Dit deden zij door toepassing van een zogenoemd “bokkenpootje” (een controletechniek waarbij de pols gebogen wordt). Hierdoor zaten de arm en schouder van klager klem. Ook werd hij aan zijn kin omhooggetrokken. Klager hield zijn lichaam ondertussen nog steeds slap. Nadat hij was meegesleept, werd hij door twee mannelijke agenten in de bus gegooid. Klager kreeg daarbij – vermoedelijk van dezelfde agenten - een harde duw en hij voelde dat de greep op zijn pols harder werd aangezet. Ook hoorde hij een “krak” in zijn pols. Klager voelde vervolgens een diepe pijn in zijn pols. Na onderzoek in het ziekenhuis bleek zijn pols gebroken te zijn. Verschillende mededemonstranten hebben een verklaring afgelegd. Uit deze verklaringen volgt dat klager vóór de aanhouding door de agenten nog niets mankeerde aan zijn pols. Uit de verklaring van getuige [getuige] volgt verder dat klager zich tijdens zijn aanhouding “volledig slap” De vrijheden van voornoemde artikelen zijn echter niet absoluut en kunnen worden ingeperkt, mits sprake is van een bij wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke beperking van die vrijheden. Bij besluit van 30 augustus 2023 heeft de burgemeester van [plaats] op grond van artikel 5 van de Wet openbare manifestaties (Wom) een beperking opgelegd aan de voorgenomen demonstratie van XR op 9 en 10 september 2023 (en voor alle eventueel daaropvolgende dagen). Deze beperking hield in dat de demonstratie moest plaatsvinden van 12.00 uur tot uiterlijk 18.00 uur [plaats] (en dus niet [plaats] ). Het hof zal, nu het in deze beklagprocedure het handelen van beklaagde dient te beoordelen, uitgaan van de rechtmatigheid van voornoemd besluit. Rechtmatige inzet politie Ondanks het besluit van de burgemeester vond op 9 september 2023 een demonstratie plaats [plaats] . Op enig moment heeft de politie (onder het gezag van de burgemeester) opgetreden om een einde te maken aan de verstoring van de openbare orde. Nadat was gevorderd [plaats] te verlaten en na inzet van de waterwerper, zijn de demonstranten die weigerden te vertrekken, waaronder ook klager, aangehouden en naar het stadion van [plaats] vervoerd. Uit de aangifte van klager volgt dat bij deze aanhouding geweld is gebruikt en zijn pols is gebroken. De vraag die bij het hof voorligt, is of de vervolging van de bij de aanhouding betrokken agent(en) haalbaar en opportuun is. Het hof overweegt daarover het volgende. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Politiewet 2012 is een politieagent in het kader van de uitoefening van zijn bediening bevoegd geweld te gebruiken indien en voor zover het daarmee beoogde doel deze geweldstoepassing rechtvaardigt (proportionaliteit) en het doel niet op een andere, minder ingrijpende, wijze kan worden bereikt (subsidiariteit). Dit artikel en de vereisten aan de daarop gebaseerde geweldsinzet, zijn nader uitgewerkt in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie). Geen mogelijkheid tot vervolging Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat het op hem toegepaste geweld niet voldeed aan voornoemde vereisten en daarom een schending van de Ambtsinstructie oplevert (zoals strafbaar gesteld in artikel 372 van het Wetboek van Strafrecht). Het dossier bevat naar het oordeel van het hof echter onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of de betrokken agenten inderdaad hebben gehandeld in strijd met de Ambtsinstructie. Uit het dossier volgt immers niet wie de betrokken agent is die klager heeft aangehouden, waarom hij bij de aanhouding gebruik heeft gemaakt van een polsklem en of hij klager (mede gelet op zijn eigen beleving daarbij) niet op een andere, minder ingrijpende wijze, had kunnen verplaatsen naar de politiebus. Zonder deze informatie is het feitelijk niet mogelijk om over te gaan tot vervolging. Geen nader onderzoek Het dossier bevat naar het oordeel van het hof ook te weinig aanknopingspunten om hier alsnog nader onderzoek naar te bevelen. Daarbij speelt mee dat het dossier geen proces-verbaal van aanhouding van klager bevat, terwijl dit op grond van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering wel vereist is. Het ontbreken van dit proces-verbaal ontneemt een officier van justitie (en in het kader van deze procedure - het hof) niet alleen de mogelijkheid controle uit te oefenen op het onderzoek en de daarbij gehanteerde bevoegdheden, maar in dit geval ook de mogelijkheid om te achterhalen wie betrokken is geweest bij de aanhouding van klager. Dit klemt temeer nu het dossier ook geen op deze zaak toegespitste geweldsregistratie als bedoeld in artikel 17 van de Ambtsinstructie bevat waaruit bijvoorbeeld de door de verbalisant genoemde reden volgt die tot het aanwenden van geweld heeft geleid. Gebrekkige verbalisering Het ontbreken van deze zeer relevante processtukken ontneemt klager de mogelijkheid een