Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-23
ECLI:NL:GHARL:2026:2494
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,066 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2494 text/xml public 2026-05-07T11:09:15 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-23 200.360.542/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2494 text/html public 2026-05-07T11:08:48 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2494 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-04-2026 / 200.360.542/01 Bekrachtiging beschikking rechtbank. Verzoek tot omgang en gezamenlijk gezag afgewezen. Herstelfunctie hoger beroep GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.542/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 228053) beschikking van 23 april 2026 in de zaak van [verzoeker] (de vader), wonende op een geheim te houden adres, verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. A. Mulder te Groningen, en [verweerster] (de moeder), wonende op een geheim te houden adres, verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. E.H. Jansen te Groningen. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord-Nederland, locatie Groningen. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 januari 2024, 18 april 2024, 15 januari 2025 en 15 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 15 juli 2025 zal hierna worden aangeduid als de bestreden beschikking. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 oktober 2025; - een brief namens de vader van 5 november 2025 met bijlage(n); - een brief namens de vader van 18 november 2025 met bijlage(n); - het verweerschrift met bijlage(n); - een journaalbericht namens de moeder van 23 februari 2026. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de raad. 3 De feiten 3.1 De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023. De moeder oefent alleen het gezag over [de minderjarige] uit. 3.2 De vader is de procedure op 1 november 2023 gestart met het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank. Hij heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, verzocht om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een omgangsregeling dan wel zorgregeling vast te stellen. 4 De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil of het ouderlijk gezag over [de minderjarige] alleen door de moeder of gezamenlijk door beide ouders moet worden uitgeoefend en daarnaast het recht van de vader op omgang met [de minderjarige] . De rechtbank heeft, na in eerdere tussenbeschikkingen een voorlopige omgangsregeling te hebben vastgesteld, bij de bestreden beschikking de verzoeken van de vader om gezamenlijk met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te worden belast en een omgangsregeling dan wel zorgregeling vast te stellen, afgewezen. 4.2 De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof om de beschikkingen van 18 april 2024, 15 januari 2025 en 15 juli 2025 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, een zorgregeling vast te stellen tussen hem [de minderjarige] , inhoudende dat er wekelijks contact tussen hen zal zijn op een door het hof nader te bepalen wijze en dat dit contact aldus wordt opgebouwd dat [de minderjarige] een weekend per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader zal verblijven, alsmede gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen en dat het gezag ten aanzien van [de minderjarige] aldus wordt gewijzigd dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag over haar zullen uitoefenen. 4.3 De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de vader af te wijzen. 4.4 Ter zitting van het hof is namens de vader aangevoerd dat enkel de vernietiging van de bestreden beschikking (van 15 juli 2025) wordt verzocht en niet van de eerdere tussenbeschikkingen. 5 De motivering van de beslissing Herstelfunctie hoger beroep 5.1 De grief die namens de vader is aangevoerd en stelt dat de bestreden beschikking van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd, kan in verband met de herstelfunctie van het hoger beroep niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Het hoger beroep biedt immers de mogelijkheid om eventuele fouten en tekortkomingen uit de eerste aanleg te corrigeren. Het hof is van oordeel dat bespreking van deze grief derhalve geen belang meer dient. Gezag 5.2 Volgens artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.3 Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk gezag hebben over hun kind(eren). Om samen beslissingen te kunnen nemen over zaken die het kind aangaan, is een zekere mate van onderling overleg en betrokkenheid nodig, of is ten minste nodig dat de ouders in staat zijn om afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Het hof is van oordeel dat deze minimaal noodzakelijke basis tussen de ouders ontbreekt. Daarom acht het hof het in het belang van [de minderjarige] om het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten, af te wijzen. Het hof legt hierna uit waarom. 5.4 Uit de stukken en wat op de zitting is besproken komt naar voren dat er geen communicatie plaatsvindt tussen de ouders en dat het onderlinge vertrouwen ontbreekt. Daarnaast voelt de moeder veel spanning in relatie tot de vader. Daar komt bij dat de vader niet (structureel) betrokken is bij het leven van [de minderjarige] . De vader heeft moeite met het nakomen van afspraken omtrent de omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] . Hij laat een patroon zien van te laat komen, afzeggen, of zich verslapen. Hij lijkt zich daarbij niet bewust te zijn van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid richting [de minderjarige] en geen rekening te houden met haar belang, in ieder geval neemt hij die verantwoordelijkheid niet. Ook tijdens de zitting bij het hof is niet gebleken dat er in de houding van de vader richting de moeder en [de minderjarige] iets is veranderd. Het valt op dat vader een slachtofferrol lijkt aan te nemen, in plaats van dat hij met het eerder gegeven advies van de raad aan de slag is gegaan. Met de moeder heeft het hof er mede hierdoor geen vertrouwen in dat de vader zijn rol als gezaghebbend ouder kan waarmaken. Omdat de verstandhouding tussen de ouders ernstig verstoord is, bestaat een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen haar ouders wanneer de ouders samen het gezag over haar hebben. Het valt daarnaast niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, gelet op wat ter zitting en uit de stukken naar voren is gekomen. 5.5 Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten, moet worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2494 text/xml public 2026-05-07T11:09:15 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-23 200.360.542/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2494 text/html public 2026-05-07T11:08:48 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2494 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-04-2026 / 200.360.542/01 Bekrachtiging beschikking rechtbank. Verzoek tot omgang en gezamenlijk gezag afgewezen. Herstelfunctie hoger beroep GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.542/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 228053) beschikking van 23 april 2026 in de zaak van [verzoeker] (de vader), wonende op een geheim te houden adres, verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. A. Mulder te Groningen, en [verweerster] (de moeder), wonende op een geheim te houden adres, verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. E.H. Jansen te Groningen. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord-Nederland, locatie Groningen. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 januari 2024, 18 april 2024, 15 januari 2025 en 15 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 15 juli 2025 zal hierna worden aangeduid als de bestreden beschikking. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 oktober 2025; - een brief namens de vader van 5 november 2025 met bijlage(n); - een brief namens de vader van 18 november 2025 met bijlage(n); - het verweerschrift met bijlage(n); - een journaalbericht namens de moeder van 23 februari 2026. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de raad. 3 De feiten 3.1 De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023. De moeder oefent alleen het gezag over [de minderjarige] uit. 3.2 De vader is de procedure op 1 november 2023 gestart met het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank. Hij heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, verzocht om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een omgangsregeling dan wel zorgregeling vast te stellen. 4 De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil of het ouderlijk gezag over [de minderjarige] alleen door de moeder of gezamenlijk door beide ouders moet worden uitgeoefend en daarnaast het recht van de vader op omgang met [de minderjarige] . De rechtbank heeft, na in eerdere tussenbeschikkingen een voorlopige omgangsregeling te hebben vastgesteld, bij de bestreden beschikking de verzoeken van de vader om gezamenlijk met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te worden belast en een omgangsregeling dan wel zorgregeling vast te stellen, afgewezen. 4.2 De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof om de beschikkingen van 18 april 2024, 15 januari 2025 en 15 juli 2025 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, een zorgregeling vast te stellen tussen hem [de minderjarige] , inhoudende dat er wekelijks contact tussen hen zal zijn op een door het hof nader te bepalen wijze en dat dit contact aldus wordt opgebouwd dat [de minderjarige] een weekend per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader zal verblijven, alsmede gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen en dat het gezag ten aanzien van [de minderjarige] aldus wordt gewijzigd dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag over haar zullen uitoefenen. 4.3 De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de vader af te wijzen. 4.4 Ter zitting van het hof is namens de vader aangevoerd dat enkel de vernietiging van de bestreden beschikking (van 15 juli 2025) wordt verzocht en niet van de eerdere tussenbeschikkingen. 5 De motivering van de beslissing Herstelfunctie hoger beroep 5.1 De grief die namens de vader is aangevoerd en stelt dat de bestreden beschikking van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd, kan in verband met de herstelfunctie van het hoger beroep niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Het hoger beroep biedt immers de mogelijkheid om eventuele fouten en tekortkomingen uit de eerste aanleg te corrigeren. Het hof is van oordeel dat bespreking van deze grief derhalve geen belang meer dient. Gezag 5.2 Volgens artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.3 Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk gezag hebben over hun kind(eren). Om samen beslissingen te kunnen nemen over zaken die het kind aangaan, is een zekere mate van onderling overleg en betrokkenheid nodig, of is ten minste nodig dat de ouders in staat zijn om afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Het hof is van oordeel dat deze minimaal noodzakelijke basis tussen de ouders ontbreekt. Daarom acht het hof het in het belang van [de minderjarige] om het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten, af te wijzen. Het hof legt hierna uit waarom. 5.4 Uit de stukken en wat op de zitting is besproken komt naar voren dat er geen communicatie plaatsvindt tussen de ouders en dat het onderlinge vertrouwen ontbreekt. Daarnaast voelt de moeder veel spanning in relatie tot de vader. Daar komt bij dat de vader niet (structureel) betrokken is bij het leven van [de minderjarige] . De vader heeft moeite met het nakomen van afspraken omtrent de omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] . Hij laat een patroon zien van te laat komen, afzeggen, of zich verslapen. Hij lijkt zich daarbij niet bewust te zijn van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid richting [de minderjarige] en geen rekening te houden met haar belang, in ieder geval neemt hij die verantwoordelijkheid niet. Ook tijdens de zitting bij het hof is niet gebleken dat er in de houding van de vader richting de moeder en [de minderjarige] iets is veranderd. Het valt op dat vader een slachtofferrol lijkt aan te nemen, in plaats van dat hij met het eerder gegeven advies van de raad aan de slag is gegaan. Met de moeder heeft het hof er mede hierdoor geen vertrouwen in dat de vader zijn rol als gezaghebbend ouder kan waarmaken. Omdat de verstandhouding tussen de ouders ernstig verstoord is, bestaat een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen haar ouders wanneer de ouders samen het gezag over haar hebben. Het valt daarnaast niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, gelet op wat ter zitting en uit de stukken naar voren is gekomen. 5.5 Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten, moet worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen.