Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-23
ECLI:NL:GHARL:2026:2451
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,544 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2451 text/xml public 2026-05-18T10:33:18 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-23 200.364.446 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2451 text/html public 2026-05-18T10:29:46 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2451 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-04-2026 / 200.364.446 artikel 1:265b lid 1 BW artikel 1:265c lid 2 BW Onvoldoende komen vast te staan dat de maatregel van uithuisplaatsing nog langer noodzakelijk is, nu kennelijk aan de doelen niet gewerkt wordt. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.364.446 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 601265 beschikking van 23 april 2026 over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van: [de minderjarige1] (geboren [in] 2016); [de minderjarige2] (geboren [in] 2018); [de minderjarige3] (geboren [in] 2020); [de minderjarige4] (geboren [in] 2024). in de zaak van [verzoekster] ( de moeder) die woont op een geheim adres advocaat: mr. F. Pool en de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (de GI) die is gevestigd in Utrecht en [belanghebbende] (de vader) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. R.W. de Gruijl 1 Samenvatting De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 30 oktober 2026. Het hof beslist dat de uithuisplaatsing tot 1 juli 2026 moet worden verlengd en legt hierna uit waarom. 2 De feiten 2.1. De moeder en de vader hebben samen vier kinderen: [de minderjarige1] ; [de minderjarige2] ; [de minderjarige3] ; [de minderjarige4] . 2.2. De ouders hebben samen het gezag over hen. 2.3. De moeder heeft nog twee oudere kinderen: [de minderjarige5] (geboren [in] 2009) en [de minderjarige6] , die hierna conform de eigen wens [de minderjarige6] zal worden genoemd (geboren [in] 2012). 2.4. In deze procedure in hoger beroep gaat het om [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] . 2.5. Op 31 juli 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige5] , [de minderjarige6] , [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 31 oktober 2025. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van alle kinderen in een (netwerk)pleeggezin verleend tot 28 augustus 2025. De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toen voor het overige aangehouden. 2.6. Op 7 augustus 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van alle kinderen in een voorziening voor pleegzorg of een 24-uurs jeugdzorginstelling verlengd tot 31 oktober 2025. 2.7. [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] verblijven nu in een huurwoning in Amsterdam met 24-uurs begeleiding van [naam1] . 3 De procedure bij de kinderrechter 3.1. De raad heeft verzocht [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] onder toezicht te stellen van de GI voor een jaar. De kinderrechter heeft [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 oktober 2025 tot 30 oktober 2026. 3.2. De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een voorziening voor pleegzorg of een 24-uurs jeugdzorginstelling ook te verlengen met een jaar. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 30 oktober 2026. 3.3 Deze beslissingen zijn gegeven op 30 oktober 2025 en zijn vastgelegd in een beschikking van 19 november 2025. 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. Zij verzoekt het hof: primair I. Het verzoek van de GI met betrekking tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een (netwerk)pleeggezin of een 24-uurs jeugdzorginstelling voor de duur van de ondertoezichtstelling, af te wijzen; subsidiair II. Het verzoek van de GI met betrekking tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een (netwerk)pleeggezin of een 24-uurs jeugdzorginstelling, toe te wijzen voor de duur van zes maanden onder afwijzing dan wel aanhouding van het overige. 4.2. De raad en de GI willen dat de beslissing in stand blijft. 4.3. De vader is het eens met het verzoek in hoger beroep van de moeder. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt voor wat betreft de uithuisplaatsing. 4.4. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift, ontvangen op 27 januari 2026; het verweerschrift van de GI. 4.5. [de minderjarige1] heeft op 9 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing. 4.6. De zitting was aanvankelijk gepland op 10 maart 2026. Die zitting is vervolgens aangehouden, omdat de moeder naar het verkeerde hof was afgereisd. Op die zitting heeft geen inhoudelijke behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Op 7 april 2026 heeft de zitting alsnog plaatsgevonden en is het verzoek inhoudelijk behandeld. Bij die zitting waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; twee vertegenwoordigers van de GI; de advocaat van de vader; een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad). 4.7. [de minderjarige2] heeft op 13 april 2026, dus na de zitting, gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de uithuisplaatsing. De belanghebbenden hebben op de zitting gezegd dat zij ermee instemmen dat het hof geen terugkoppeling geeft van dit gesprek. Dit is dus ook niet gebeurd. 5 Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.1. De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken . Hoe oordeelt het hof? 5.2. Het hof is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk was voor hun verzorging en opvoeding, maar dat de uithuisplaatsing met ingang van 1 juli 2026 kan en moet worden beëindigd. Het hof is het eens met de uitleg van de kinderrechter ten tijde van het afgeven van de machtiging en sluit daarbij aan. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing groeiden de kinderen op in een complex gezinssysteem waarin sprake was van langdurige en ingrijpende problemen die elkaar bovendien versterkten. De zorgen betroffen onder andere trauma, verwaarlozing, psychische problematiek en schoolverzuim. De ouders waren onvoldoende in staat om de kinderen een veilige, stabiele opvoedomgeving te bieden. Er waren zorgen over de belastbaarheid en mentale gesteldheid van de moeder en de vader. Hulpverlening had onvoldoende effect gehad en de gemeente kreeg geen toegang tot het gezin. De vader en de moeder zijn rond de afgifte van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing uit elkaar gegaan. Aanvankelijk verslechterde de situatie van de moeder na de uithuisplaatsing van de kinderen. Het lukte haar niet om omgangsafspraken na te komen, ze kon de verzorging voor de kinderen bij de omgang niet aan en het contact tussen haar en de GI verliep moeizaam. Er was onvoldoende samenwerking. Er is een periode van vier weken geen contact geweest tussen de moeder en de GI na een incident waarbij de hulpverlening zich onveilig had gevoeld door het gedrag van de moeder. Verder is de moeder enkele dagen met een crisismaatregel gedwongen opgenomen geweest na een suïcidepoging.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2451 text/xml public 2026-05-18T10:33:18 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-23 200.364.446 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2451 text/html public 2026-05-18T10:29:46 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2451 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-04-2026 / 200.364.446 artikel 1:265b lid 1 BW artikel 1:265c lid 2 BW Onvoldoende komen vast te staan dat de maatregel van uithuisplaatsing nog langer noodzakelijk is, nu kennelijk aan de doelen niet gewerkt wordt. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.364.446 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 601265 beschikking van 23 april 2026 over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van: [de minderjarige1] (geboren [in] 2016); [de minderjarige2] (geboren [in] 2018); [de minderjarige3] (geboren [in] 2020); [de minderjarige4] (geboren [in] 2024). in de zaak van [verzoekster] ( de moeder) die woont op een geheim adres advocaat: mr. F. Pool en de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (de GI) die is gevestigd in Utrecht en [belanghebbende] (de vader) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. R.W. de Gruijl 1 Samenvatting De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 30 oktober 2026. Het hof beslist dat de uithuisplaatsing tot 1 juli 2026 moet worden verlengd en legt hierna uit waarom. 2 De feiten 2.1. De moeder en de vader hebben samen vier kinderen: [de minderjarige1] ; [de minderjarige2] ; [de minderjarige3] ; [de minderjarige4] . 2.2. De ouders hebben samen het gezag over hen. 2.3. De moeder heeft nog twee oudere kinderen: [de minderjarige5] (geboren [in] 2009) en [de minderjarige6] , die hierna conform de eigen wens [de minderjarige6] zal worden genoemd (geboren [in] 2012). 2.4. In deze procedure in hoger beroep gaat het om [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] . 2.5. Op 31 juli 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige5] , [de minderjarige6] , [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 31 oktober 2025. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van alle kinderen in een (netwerk)pleeggezin verleend tot 28 augustus 2025. De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toen voor het overige aangehouden. 2.6. Op 7 augustus 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van alle kinderen in een voorziening voor pleegzorg of een 24-uurs jeugdzorginstelling verlengd tot 31 oktober 2025. 2.7. [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] verblijven nu in een huurwoning in Amsterdam met 24-uurs begeleiding van [naam1] . 3 De procedure bij de kinderrechter 3.1. De raad heeft verzocht [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] onder toezicht te stellen van de GI voor een jaar. De kinderrechter heeft [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 oktober 2025 tot 30 oktober 2026. 3.2. De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een voorziening voor pleegzorg of een 24-uurs jeugdzorginstelling ook te verlengen met een jaar. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 30 oktober 2026. 3.3 Deze beslissingen zijn gegeven op 30 oktober 2025 en zijn vastgelegd in een beschikking van 19 november 2025. 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. Zij verzoekt het hof: primair I. Het verzoek van de GI met betrekking tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een (netwerk)pleeggezin of een 24-uurs jeugdzorginstelling voor de duur van de ondertoezichtstelling, af te wijzen; subsidiair II. Het verzoek van de GI met betrekking tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een (netwerk)pleeggezin of een 24-uurs jeugdzorginstelling, toe te wijzen voor de duur van zes maanden onder afwijzing dan wel aanhouding van het overige. 4.2. De raad en de GI willen dat de beslissing in stand blijft. 4.3. De vader is het eens met het verzoek in hoger beroep van de moeder. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt voor wat betreft de uithuisplaatsing. 4.4. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift, ontvangen op 27 januari 2026; het verweerschrift van de GI. 4.5. [de minderjarige1] heeft op 9 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing. 4.6. De zitting was aanvankelijk gepland op 10 maart 2026. Die zitting is vervolgens aangehouden, omdat de moeder naar het verkeerde hof was afgereisd. Op die zitting heeft geen inhoudelijke behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Op 7 april 2026 heeft de zitting alsnog plaatsgevonden en is het verzoek inhoudelijk behandeld. Bij die zitting waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; twee vertegenwoordigers van de GI; de advocaat van de vader; een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad). 4.7. [de minderjarige2] heeft op 13 april 2026, dus na de zitting, gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de uithuisplaatsing. De belanghebbenden hebben op de zitting gezegd dat zij ermee instemmen dat het hof geen terugkoppeling geeft van dit gesprek. Dit is dus ook niet gebeurd. 5 Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.1. De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken . Hoe oordeelt het hof? 5.2. Het hof is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk was voor hun verzorging en opvoeding, maar dat de uithuisplaatsing met ingang van 1 juli 2026 kan en moet worden beëindigd. Het hof is het eens met de uitleg van de kinderrechter ten tijde van het afgeven van de machtiging en sluit daarbij aan. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing groeiden de kinderen op in een complex gezinssysteem waarin sprake was van langdurige en ingrijpende problemen die elkaar bovendien versterkten. De zorgen betroffen onder andere trauma, verwaarlozing, psychische problematiek en schoolverzuim. De ouders waren onvoldoende in staat om de kinderen een veilige, stabiele opvoedomgeving te bieden. Er waren zorgen over de belastbaarheid en mentale gesteldheid van de moeder en de vader. Hulpverlening had onvoldoende effect gehad en de gemeente kreeg geen toegang tot het gezin. De vader en de moeder zijn rond de afgifte van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing uit elkaar gegaan. Aanvankelijk verslechterde de situatie van de moeder na de uithuisplaatsing van de kinderen. Het lukte haar niet om omgangsafspraken na te komen, ze kon de verzorging voor de kinderen bij de omgang niet aan en het contact tussen haar en de GI verliep moeizaam. Er was onvoldoende samenwerking. Er is een periode van vier weken geen contact geweest tussen de moeder en de GI na een incident waarbij de hulpverlening zich onveilig had gevoeld door het gedrag van de moeder. Verder is de moeder enkele dagen met een crisismaatregel gedwongen opgenomen geweest na een suïcidepoging.
Volledig
De moeder ontkent dat zij suïcidaal was. Wat daar ook van zij, feit blijft dat moeder met een crisismaatregel gedwongen opgenomen is geweest in oktober 2025. 5.3. Van gronden die een uithuisplaatsing tot 31 oktober 2026 rechtvaardigen is echter onvoldoende gebleken. Ten aanzien van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] zijn er op dit moment geen zorgen gemeld door de GI. Volgens de GI gaat het goed met de kinderen op de plek waar ze nu verblijven. Vanuit [naam1] wordt gezien dat de ouders en de kinderen op elkaar gesteld zijn en dat sprake is van een stijgende lijn wat betreft het contact met de moeder, aldus de GI. De moeder heeft de afgelopen maanden, naar het hof begrijpt, een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zij krijgt begeleiding van [naam2] en haar woning is inmiddels schoon en opgeruimd. De communicatie tussen haar en de GI is sinds medio december 2025 aanzienlijk verbeterd en er is een constructieve samenwerking ontstaan. Ook de mentale gesteldheid van de moeder en haar belastbaarheid zijn de afgelopen maanden verbeterd. De omgang tussen de moeder en de kinderen verloopt nu goed. De moeder en de vader hebben actief meegedacht over een opbouwschema van de omgang, aldus ook de GI. Het hof overweegt dat het uitgangspunt van een uithuisplaatsing is dat moet worden gewerkt aan terugplaatsing. Een uithuisplaatsing is een maatregel die naar zijn aard tijdelijk is. Het doel van deze maatregel is om ervoor te zorgen dat de moeder de verzorging en opvoeding van de kinderen op termijn weer zelf kan dragen. Van de GI mag dan ook worden verwacht dat zij in het kader van de uithuisplaatsing alle mogelijke hulpverlening inzet die nodig is om tot een terugplaatsing van de kinderen te komen. De GI heeft onvoldoende concreet onderbouwd wat nodig is voor terugplaatsing en op welke termijn daarover duidelijkheid moet zijn of zal ontstaan. Volgens de GI moeten eerst de opvoedcapaciteiten van de moeder en de ontwikkelingstaken en -behoeften van de kinderen in beeld worden gebracht. Op de zitting heeft de GI echter ook gezegd dat zij op dit moment niks inzet voor het in beeld brengen van de opvoedcapaciteiten van de moeder. In het kader van de uithuisplaatsing van [de minderjarige6] bij [naam3] krijgt de moeder al opvoedondersteuning en zij ontvangt persoonlijke begeleiding van [naam2] , aldus de GI. Desgevraagd heeft de GI op de zitting niet goed kunnen uitleggen waarom de kinderen de resterende termijn van de machtiging (en wellicht nog langer) uit huis geplaatst dienen te blijven. Op de zitting bleek dat pas eind april 2026 bij de GI een multidisciplinair overleg zal plaatsvinden waarin de casus van de moeder en de kinderen wordt besproken. Het hof constateert dat kennelijk ook de afgelopen periode niet is benut voor het, met de verlangde voortvarendheid, in kaart brengen van de opvoedcapaciteiten van de moeder en de ontwikkelingstaken en -behoeften van de kinderen en het is ook niet duidelijk óf en zo ja, hoe de komende periode daarvoor wel zal worden benut. Tegen deze achtergrond is onvoldoende komen vast te staan dat de maatregel van uithuisplaatsing nog langer noodzakelijk is, nu kennelijk aan de doelen niet gewerkt wordt. Tegelijk is het hof het met de GI eens dat de stijgende lijn meer moet worden bestendigd in de komende periode, dat er tijd nodig is om te onderzoeken hoe de kinderen het beste naar huis kunnen gaan en dat er tijd nodig is om de juiste ondersteuning voor de thuisplaatsing in te zetten. Het hof zal daarom de maatregel voor de kinderen beëindigen met ingang van 1 juli 2026. 5.4. [de minderjarige1] heeft tijdens het kindgesprek gezegd dat zij de beslissing wil horen van een van de hulpverleners van de plek waar zij op dit moment verblijft. [de minderjarige2] wil de beslissing graag horen van zijn moeder. 6 De beslissing Het hof: 6.1. bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 oktober 2025, voor zover die ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] over de periode tot 1 juli 2026; 6.2. vernietigt die beschikking voor zover die ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] met ingang van 1 juli 2026; 6.3. wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de (duur van de) machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] met ingang van 1 juli 2026 alsnog af, en 6.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, P.B. Kamminga en E. de Boer en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026. artikel 1:265b lid 1 BW artikel 1:265c lid 2 BW zie ECLI:HR:2023:1148 r.o.v. 3.3.4 en Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 8-11, 23.
Volledig
De moeder ontkent dat zij suïcidaal was. Wat daar ook van zij, feit blijft dat moeder met een crisismaatregel gedwongen opgenomen is geweest in oktober 2025. 5.3. Van gronden die een uithuisplaatsing tot 31 oktober 2026 rechtvaardigen is echter onvoldoende gebleken. Ten aanzien van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] zijn er op dit moment geen zorgen gemeld door de GI. Volgens de GI gaat het goed met de kinderen op de plek waar ze nu verblijven. Vanuit [naam1] wordt gezien dat de ouders en de kinderen op elkaar gesteld zijn en dat sprake is van een stijgende lijn wat betreft het contact met de moeder, aldus de GI. De moeder heeft de afgelopen maanden, naar het hof begrijpt, een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zij krijgt begeleiding van [naam2] en haar woning is inmiddels schoon en opgeruimd. De communicatie tussen haar en de GI is sinds medio december 2025 aanzienlijk verbeterd en er is een constructieve samenwerking ontstaan. Ook de mentale gesteldheid van de moeder en haar belastbaarheid zijn de afgelopen maanden verbeterd. De omgang tussen de moeder en de kinderen verloopt nu goed. De moeder en de vader hebben actief meegedacht over een opbouwschema van de omgang, aldus ook de GI. Het hof overweegt dat het uitgangspunt van een uithuisplaatsing is dat moet worden gewerkt aan terugplaatsing. Een uithuisplaatsing is een maatregel die naar zijn aard tijdelijk is. Het doel van deze maatregel is om ervoor te zorgen dat de moeder de verzorging en opvoeding van de kinderen op termijn weer zelf kan dragen. Van de GI mag dan ook worden verwacht dat zij in het kader van de uithuisplaatsing alle mogelijke hulpverlening inzet die nodig is om tot een terugplaatsing van de kinderen te komen. De GI heeft onvoldoende concreet onderbouwd wat nodig is voor terugplaatsing en op welke termijn daarover duidelijkheid moet zijn of zal ontstaan. Volgens de GI moeten eerst de opvoedcapaciteiten van de moeder en de ontwikkelingstaken en -behoeften van de kinderen in beeld worden gebracht. Op de zitting heeft de GI echter ook gezegd dat zij op dit moment niks inzet voor het in beeld brengen van de opvoedcapaciteiten van de moeder. In het kader van de uithuisplaatsing van [de minderjarige6] bij [naam3] krijgt de moeder al opvoedondersteuning en zij ontvangt persoonlijke begeleiding van [naam2] , aldus de GI. Desgevraagd heeft de GI op de zitting niet goed kunnen uitleggen waarom de kinderen de resterende termijn van de machtiging (en wellicht nog langer) uit huis geplaatst dienen te blijven. Op de zitting bleek dat pas eind april 2026 bij de GI een multidisciplinair overleg zal plaatsvinden waarin de casus van de moeder en de kinderen wordt besproken. Het hof constateert dat kennelijk ook de afgelopen periode niet is benut voor het, met de verlangde voortvarendheid, in kaart brengen van de opvoedcapaciteiten van de moeder en de ontwikkelingstaken en -behoeften van de kinderen en het is ook niet duidelijk óf en zo ja, hoe de komende periode daarvoor wel zal worden benut. Tegen deze achtergrond is onvoldoende komen vast te staan dat de maatregel van uithuisplaatsing nog langer noodzakelijk is, nu kennelijk aan de doelen niet gewerkt wordt. Tegelijk is het hof het met de GI eens dat de stijgende lijn meer moet worden bestendigd in de komende periode, dat er tijd nodig is om te onderzoeken hoe de kinderen het beste naar huis kunnen gaan en dat er tijd nodig is om de juiste ondersteuning voor de thuisplaatsing in te zetten. Het hof zal daarom de maatregel voor de kinderen beëindigen met ingang van 1 juli 2026. 5.4. [de minderjarige1] heeft tijdens het kindgesprek gezegd dat zij de beslissing wil horen van een van de hulpverleners van de plek waar zij op dit moment verblijft. [de minderjarige2] wil de beslissing graag horen van zijn moeder. 6 De beslissing Het hof: 6.1. bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 oktober 2025, voor zover die ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] over de periode tot 1 juli 2026; 6.2. vernietigt die beschikking voor zover die ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] met ingang van 1 juli 2026; 6.3. wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de (duur van de) machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] met ingang van 1 juli 2026 alsnog af, en 6.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, P.B. Kamminga en E. de Boer en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026. artikel 1:265b lid 1 BW artikel 1:265c lid 2 BW zie ECLI:HR:2023:1148 r.o.v. 3.3.4 en Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 8-11, 23.