Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-22
ECLI:NL:GHARL:2026:2429
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
3,763 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2429 text/xml public 2026-05-20T08:02:20 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-22 21-002919-25 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2429 text/html public 2026-05-20T08:00:05 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2429 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-04-2026 / 21-002919-25 Ontnemingszaak. Het hof ziet in de draagkracht van betrokkene geen aanleiding tot matiging van de betalingsverplichting. Het bedrag van de betalingsverplichting wordt wel verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002919-25 Uitspraakdatum: 22 april 2026 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Beslissing van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 juni 2025 met parketnummer 84-127836-23 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen [betrokkene] , gevestigd in [adres] . Hoger beroep De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 8 april 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank is besproken. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 15.036,02 en oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van datzelfde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de vertegenwoordiger van betrokkene en haar raadsman, mr. P. Koops, hebben aangevoerd. Beslissing van de economische politierechter De economische politierechter heeft het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 20.036,02 en de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op nihil. Het hof verenigt zich niet met die beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing van de economische politierechter en doet opnieuw recht. Vordering Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 20.036,02 en dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van datzelfde bedrag. Het openbaar ministerie kan zich niet vinden in de beslissing van de economische politierechter tot het op nihil stellen van de betalingsverplichting. De economische politierechter is tot deze beslissing gekomen vanwege onvolkomenheden in het opsporingsonderzoek, de draagkracht van betrokkene en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Met betrekking tot de onvolkomenheden in het onderzoek heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat daarmee in de strafzaak al rekening is gehouden. Met betrekking tot de draagkracht heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat niet is gebleken dat betrokkene op dit moment en in de toekomst onvoldoende draagkrachtig is. Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat deze wel dient te worden gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag, maar niet met meer dan € 5.000,-. De advocaat-generaal heeft dan ook gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 15.036,02 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Standpunt van de verdediging De verdediging betwist niet de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, maar stelt zich op het standpunt dat de betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld vanwege ernstige en onherstelbare vormverzuimen tijdens het opsporingsonderzoek, de draagkracht van betrokkene en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel Betrokkene is bij vonnis van de economische politierechter van 23 juni 2025 veroordeeld voor twee overtredingen van het voorschrift gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon. Uit het dossier en de behandeling van de vordering ter zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit die feiten financieel voordeel heeft behaald. Op grond van wettige bewijsmiddelen schat het hof dat voordeel op een bedrag van € 20.036,02. De hoogte van dit bedrag wordt door partijen niet betwist en is niet in geschil. Verplichting tot betaling aan de staat Het verweer van de verdediging met betrekking tot de vormverzuimen tijdens het opsporingsonderzoek behoeft in deze zaak geen bespreking, nu de documenten waarop het geschatte wederrechtelijk voordeel is gebaseerd vrijwillig door betrokkene zijn overgelegd en de hoogte van dit bedrag ter zitting is erkend. Met betrekking tot de draagkracht overweegt het hof dat deze slechts aanleiding tot matiging van de betalingsverplichting kan geven wanneer vaststaat dat betrokkene op dit moment onvoldoende draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal kunnen betalen. Dat van een dergelijke situatie sprake is, is door verdediging echter niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting is namens betrokkene naar voren gebracht dat zij er op dit moment financieel een stuk beter voorstaat dan ten tijde van de door haar gepleegde feiten. Het hof ziet in de draagkracht van betrokkene dan ook geen aanleiding om het door haar te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag. Het hof gaat daarbij ervan uit dat redelijkerwijs te verwachten is dat betrokkene gelet op de huidige en toekomstige ontwikkelingen binnen het bedrijf in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de staat te voldoen. Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn van berechting stelt het hof vast dat de behandeling van deze zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop zal het hof het bedrag van de betalingsverplichting verminderen met € 5.000,-. Het voorgaande brengt mee dat het hof de verplichting tot betaling aan de staat zal vaststellen op een bedrag van € 15.036,02. Wetsartikelen De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 20.036,02 (twintigduizend zesendertig euro en twee cent) . Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 15.036,02 (vijftienduizend zesendertig euro en twee cent). Deze beslissing is gegeven door mr. J.J. Beswerda, mr. L.G. Wijma en mr. E. de Witt, in aanwezigheid van de griffier mr. K.R. Starreveld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 april 2026.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2429 text/xml public 2026-05-20T08:02:20 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-22 21-002919-25 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2429 text/html public 2026-05-20T08:00:05 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2429 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-04-2026 / 21-002919-25 Ontnemingszaak. Het hof ziet in de draagkracht van betrokkene geen aanleiding tot matiging van de betalingsverplichting. Het bedrag van de betalingsverplichting wordt wel verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002919-25 Uitspraakdatum: 22 april 2026 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Beslissing van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 juni 2025 met parketnummer 84-127836-23 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen [betrokkene] , gevestigd in [adres] . Hoger beroep De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 8 april 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank is besproken. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 15.036,02 en oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van datzelfde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de vertegenwoordiger van betrokkene en haar raadsman, mr. P. Koops, hebben aangevoerd. Beslissing van de economische politierechter De economische politierechter heeft het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 20.036,02 en de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op nihil. Het hof verenigt zich niet met die beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing van de economische politierechter en doet opnieuw recht. Vordering Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 20.036,02 en dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van datzelfde bedrag. Het openbaar ministerie kan zich niet vinden in de beslissing van de economische politierechter tot het op nihil stellen van de betalingsverplichting. De economische politierechter is tot deze beslissing gekomen vanwege onvolkomenheden in het opsporingsonderzoek, de draagkracht van betrokkene en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Met betrekking tot de onvolkomenheden in het onderzoek heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat daarmee in de strafzaak al rekening is gehouden. Met betrekking tot de draagkracht heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat niet is gebleken dat betrokkene op dit moment en in de toekomst onvoldoende draagkrachtig is. Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat deze wel dient te worden gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag, maar niet met meer dan € 5.000,-. De advocaat-generaal heeft dan ook gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 15.036,02 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Standpunt van de verdediging De verdediging betwist niet de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, maar stelt zich op het standpunt dat de betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld vanwege ernstige en onherstelbare vormverzuimen tijdens het opsporingsonderzoek, de draagkracht van betrokkene en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel Betrokkene is bij vonnis van de economische politierechter van 23 juni 2025 veroordeeld voor twee overtredingen van het voorschrift gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon. Uit het dossier en de behandeling van de vordering ter zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit die feiten financieel voordeel heeft behaald. Op grond van wettige bewijsmiddelen schat het hof dat voordeel op een bedrag van € 20.036,02. De hoogte van dit bedrag wordt door partijen niet betwist en is niet in geschil. Verplichting tot betaling aan de staat Het verweer van de verdediging met betrekking tot de vormverzuimen tijdens het opsporingsonderzoek behoeft in deze zaak geen bespreking, nu de documenten waarop het geschatte wederrechtelijk voordeel is gebaseerd vrijwillig door betrokkene zijn overgelegd en de hoogte van dit bedrag ter zitting is erkend. Met betrekking tot de draagkracht overweegt het hof dat deze slechts aanleiding tot matiging van de betalingsverplichting kan geven wanneer vaststaat dat betrokkene op dit moment onvoldoende draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal kunnen betalen. Dat van een dergelijke situatie sprake is, is door verdediging echter niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting is namens betrokkene naar voren gebracht dat zij er op dit moment financieel een stuk beter voorstaat dan ten tijde van de door haar gepleegde feiten. Het hof ziet in de draagkracht van betrokkene dan ook geen aanleiding om het door haar te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag. Het hof gaat daarbij ervan uit dat redelijkerwijs te verwachten is dat betrokkene gelet op de huidige en toekomstige ontwikkelingen binnen het bedrijf in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de staat te voldoen. Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn van berechting stelt het hof vast dat de behandeling van deze zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop zal het hof het bedrag van de betalingsverplichting verminderen met € 5.000,-. Het voorgaande brengt mee dat het hof de verplichting tot betaling aan de staat zal vaststellen op een bedrag van € 15.036,02. Wetsartikelen De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 20.036,02 (twintigduizend zesendertig euro en twee cent) . Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 15.036,02 (vijftienduizend zesendertig euro en twee cent). Deze beslissing is gegeven door mr. J.J. Beswerda, mr. L.G. Wijma en mr. E. de Witt, in aanwezigheid van de griffier mr. K.R. Starreveld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 april 2026.